• door Arnon Grunberg •

 

Voordat Simon Duffey aan het eind van de twintigste eeuw de Nobelprijs voor de Literatuur kreeg – de prijs werd hem volgens het juryrapport toegekend ‘voor het zichtbaar maken van de diverse afgronden achter het geordende menselijke bestaan’ – had hij een stuk of vijf stalkers. Na de Nobelprijs verdrievoudigde dat aantal en zeker tot de bankencrisis van 2008 was Duffey een van de weinige auteurs die kon stellen een stuk of vijftien stalkers tot zijn gevolg te kunnen rekenen. Vrouwen en mannen van alle leeftijden en alle achtergronden die, waar hij ook optrad, en hij trad zelden op, zich bij Duffey meldden met gebruikelijke en minder gebruikelijke verzoeken. Wat deze mensen tot stalkers maakte, wat hen tot iets maakte dat zoveel meer was dan liefhebber, fan of verzamelaar, was hun roekeloze hardnekkigheid. Hun vastberadenheid, de weigering op afstand of in stilte liefhebber of bewonderaar te zijn.

Sommige stalkers staken zich in de schulden om bijvoorbeeld een lezing van Duffey in de Colombiaanse hoofdstad bij te wonen, deze bewuste stalker was vervolgens ook niet te beroerd geweest het object van zijn aanbidding daarvan op de hoogte te stellen. (‘Om u in Bogota over het occultisme te horen spreken heb ik geld geleend van mijn zwager, en dat terwijl het occultisme mij helemaal niet interesseert.’)

Duffey maakte hardnekkigheid in de mensen los, zowel in positieve als in negatieve zin. De stalkers – ze kenden elkaar maar ze werkten niet samen – paradeerden met name in de zomer voor zijn huis in Italië en schoven soms handgeschreven briefjes onder de voordeur naar binnen – een brievenbus ontbrak – briefjes die soms akelig gewoontjes waren. Al werd er natuurlijk ook weleens een buitenissige erotische fantasie onder de voordeur naar binnen geschoven. (‘Op de tak van een boom zou ik met jou de liefde willen bedrijven zoals twee mensen dat nog nooit op deze wereld hebben gedaan. Zelfs jouw minder geslaagde zinnen maken mij nat.’)

Duffey beantwoordde die briefjes nooit, hij verhield zich tot zijn stalkers zoals een veehouder tot zijn dieren, maar dat weerhield de stalkers er niet van een paar weken later weer een briefje onder de deur naar binnen te schuiven. De agent van Duffey had gesuggereerd om aangifte te doen, maar dat vond Duffey te veel eer voor zijn stalkers. En waarom ook? Hij werd niet bedreigd. Strikt genomen bevonden ze zich weleens op zijn privéterrein, maar in Umbrië liep de openbare ruimte onzichtbaar over in de tuin van dit of dat vakantiehuis, van deze of gene verwaarloosde villa.

Een half dozijn van die briefjes van zijn ‘volgelingen’, zoals hij ze noemde, had Duffey bewaard voor het nageslacht, opdat de mensen later zouden weten hoe er geleefd, gelezen en geleden werd aan het eind van de twintigste, begin van de eenentwintigste eeuw. Hij was heel precies in wat hij wel en wat hij niet bewaarde. Hier is een voorbeeld van zo’n briefje dat hij bewaarde: ‘Beste Simon Duffey, ik heb niet al uw boeken gelezen maar wel veel. Het is mijn grote droom eens voor u te koken, ik woon in Sevilla met mijn zus, misschien is dat wat ver voor u. Maar ik zou ook naar u toe kunnen komen en in uw keuken een vijfgangendiner bereiden voor u en uw naasten. Eigenlijk is dat wat ik het liefste zou willen doen. Het zou mijn leven vervolmaken.’

Duffey stelde zich op het standpunt dat als mensen hun leven alleen konden vervolmaken door in zijn keuken een vijfgangendiner te bereiden, dat leven misschien maar onvolmaakt moest blijven. Er was immers geen redding. De gedachte dat literatuur zou kunnen redden had hem verlaten, zo hij die ooit had gehad, er was hooguit hoop op redding, maar die hoop was feitelijk een onvrijwillige reflex, niet iets waarop je je kon laten voorstaan.

Zijn vrouw, zijn tweede, zes jaar ouder dan hij, gespecialiseerd in de geschiedenis van het oude Egypte, zag dat anders. Zij was soms geneigd de stalkers van haar echtgenoot, zeker op koude winterdagen, als zij voor zijn half-verwaarloosde villa in Umbrië dwaalden – de helft van de villa was opgeknapt, de andere helft nog niet – binnen te vragen voor een kopje thee. ‘Het zijn eigenlijk patiënten,’ had ze eens tegen haar man gezegd. Waarop hij antwoordde: ‘Dat is een slecht excuus.’

Menig stalker van Simon Duffey kon verhalen vertellen over hoe hij in de keuken van Duffey zo aangenaam gekletst had met de echtgenote van de schrijver. Duffey zelf kletste niet, met niemand, hij hield niet van de mensen, alleen door te schrijven kon hij zich bevrijden van de weerzin die hij voor hen voelde en in zijn romans verspreidde hij zelfs een subtiel mededogen dat zeldzaam kon worden genoemd, al was het maar omdat het zo subtiel was, en toch onmiskenbaar dat: mededogen. Maar hij had de computer nog niet uitgezet, hij had de pen nog niet neergelegd of het was gedaan met dat subtiele mededogen.

Zijn vrouw, Anna Louise, tolereerde hem, veel verder dan dat ging hun huwelijk niet meer, wederzijdse verdraagzaamheid. Ze bewonderde hem niet, daarvoor kende ze hem te goed, ze begeerde hem niet meer. Toen haar lichaam pijn begon te doen, had de begeerte haar verlaten en ze had haar niet eens heel erg gemist, wat bleef van de liefde was een tolerantie die bovenmenselijk genoemd mocht worden. Zoals de ware dierenliefhebber muizen in zijn huis tolereert, omdat hij het doden van die beestjes niet in overeenstemming kan brengen met zijn morele overtuigingen, zo tolereerde Anna Louise Bronstein Simon Duffey, met een zeker respect voor het geleefde leven en het vuur dat ooit voor hem in haar had gewoed.

Toen Duffey 82 was had hij nog één stalker over, een literatuurwetenschapper uit Guatemala die naar de naam Pablo Velasquez luisterde en die inmiddels in Madrid woonde. Duffey vermoedde dat die naam verzonnen was, maar helemaal zeker wist hij dat niet, en onderzoek deed hij er niet naar, het ontbrak hem in dit geval aan nieuwsgierigheid. Hoewel hij principieel niet met zijn stalkers praatte, had hij met Pablo Velasquez weleens een kopje koffie gedronken, want het komt voor dat je mensen ontmoet zonder te weten dat zij stalker zullen worden.

De andere stalkers hadden hem een voor een verlaten. Een enkeling was overleden, een tweede was dement geworden, een paar hadden hun hobby gewoon opgegeven. Eén heer uit het zuiden van Duitsland, een bejaarde inmiddels, had zelfs de moeite genomen Duffey, de Nobelprijswinnaar, een brief te schrijven waarin hij hem mededeelde dat het stalken voorbij was: ‘Geachte heer. Uw recente werk kan me niet meer bekoren. Ik zal u verder met rust laten. Nooit hebt u de moeite genomen mijn brieven te beantwoorden, ook mijn orale verzoeken tijdens enkele van uw signeersessies om die brieven mondeling toe te lichten hebt u slechts met stilte beantwoord, een kille, apathische stilte, daarmee hebt u mijn liefde en mijn bewondering voor u, en ik gebruik die woorden niet licht, beantwoord. Uw vrouw daarentegen heeft mij op een koude ochtend in februari toen ik weer voor uw deur stond gemberthee aangeboden. Dat zal ik nooit vergeten. De rest wel.’

Duffey had de brief gelezen en hem toen bijna achteloos in zijn prullenmand laten vallen, zoals je een reclamefolder weggooit. Het was geen minachting die ten grondslag lag aan dit gedrag, aan deze levenshouding, eerder pure zelfverachting. Duffey kon en wilde niet begrijpen hoe mensen iets in hem zagen wat hij niet was, hoe ze vermoedden dat hij iets bezat, wijsheid bijvoorbeeld, wat hij in zichzelf niet had kunnen ontdekken. Als ze zijn boeken hadden gelezen, echt hadden gelezen, hadden ze hem met rust gelaten.

 

Het was op een mistige dag in november, ergens na de lunch, de schemering had al ingezet, toen Duffey vanaf zijn werkkamer op de eerste verdieping van de villa zijn laatste stalker voor het huis zag scharrelen. Velasquez had een klein, goed verzorgd baardje en een kale plek midden op zijn schedel die elke paar maanden ietsje groter werd. Vermoedelijk was Velasquez om die reden hoeden en petten gaan dragen.

Terwijl Duffey vanaf zijn werktafel naar zijn laatste stalker keek, besefte hij dat de dood niet ver weg was. Velasquez was voor de villa aan het ijsberen met op zijn hoofd een hoed die eerder aan de zomer dan aan de late herfst deed denken.

Anna Louise Bronstein was bedlegerig, al een paar maanden, twee keer per dag kwam er een Italiaanse uit een nabijgelegen dorp langs die haar verzorgde en die soms ook voor Duffey kookte. Als zij verhinderd was, wat nogal eens voorkwam, at hij bonen uit blik of bereidde hij voor zichzelf en zijn echtgenote penne met boter en kaas. Eten was een betrekkelijke vreugdeloze bezigheid in zijn leven, drinken deed hij al jaren niet meer, in seks was hij nog wel geïnteresseerd, vooral als theoretische aangelegenheid.

Duffey stond op en ging voor het raam staan om zijn laatste stalker beter te kunnen bekijken en terwijl hij dat deed, terwijl hij de literatuurwetenschapper observeerde zoals een vogel de vogelaar observeert, besefte Duffey niet alleen dat de dood nabij was, maar ook dat hij, die feitelijk zijn hele leven over de dood had geschreven, niet wist hoe hij moest sterven. Natuurlijk, de dood zou komen, je hoefde er verder niet veel voor te doen. Waar het om ging is dat hij geen idee had hoe hij de tijd moest overbruggen tussen nu en daarna, tussen nog leven en niet meer leven. Hij zou doorgaan met schrijven, zolang het ging, hij zou zijn laatste boek afmaken. Hij zou de avonden dat de Italiaanse niet kon koken penne met boter en kaas klaarmaken voor zichzelf en zijn vrouw, maar verder? De naderende dood maakte hem alleen maar onrustig. Hij keek naar zijn oudemannenhanden en dacht, zijn dit mijn handen?

Het was dit niet-weten, dit knagende niet-weten hoe die tijd te overbruggen tussen nu en daarna, dat hem deed besluiten – althans zo legde hij het aan zichzelf uit – om tegen het raam te tikken tot zijn laatste stalker naar boven keek. Toen opende hij het raam en hij riep met alle kracht die hij nog in zich had: ‘Kom binnen, Velasquez, ik wil iets met je bespreken. En zet die malle hoed af.’

 

Hoewel Duffey in Glasgow was geboren en de Schotten zijn Nobelprijs voor de Literatuur als de eerste Schotse Nobelprijs voor de Literatuur hadden gevierd was er weinig Schots aan Duffey. Zijn grootouders kwamen uit Rusland, als piepkleine grootgrondbezitters waren ze op de vlucht geslagen voor Lenin en diens arbeidersparadijs. Van Lenin wisten zijn grootouders eigenlijk niet zo veel, maar ze kenden de Russische volksaard en ze beseften dat er in het nieuwe Rusland hooguit een figurantentrol voor hen zou zijn weggelegd, sterker nog, ze wisten dat die figurantenrol hoogstwaarschijnlijk zou bestaan uit een executie, al dan niet in het openbaar. Via Riga en Berlijn belandden ze in Glasgow waar de matig succesvolle grootgrondbezitter een matig succesvolle handelaar in hout werd. In een poging succesvoller te worden veranderde hij zijn naam in Duffey, omdat hij ten onrechte meende dat Duffey een typisch Schotse naam was. Ze kregen één zoon die makelaar in onroerend goed werd in Glasgow en die vermoedelijk om zijn ouders te behagen trouwde met een Russin met wie hij thuis uitsluitend Russisch sprak. Ook uit dat huwelijk werd één zoon geboren, Simon Alexander Duffey. Deze Simon wilde alles anders doen dan zijn grootouders en ouders, hij wilde geen Russisch spreken en hij wilde niet handelen, niet in hout en niet in onroerend goed, hij wilde de tsarenfamilie niet verdedigen en het conservatisme niet omarmen. Hij werd schrijver. Hij schreef in het Engels en hij trouwde met een typisch Schots meisje met wie hij jong een dochter kreeg, Sonia. Toen Sonia vijf was reden de ouders op een mistige lentedag in de Schotse hooglanden, ze wilden er een paar dagen tussenuit, tegen een boom. De ouders overleefden het ongeluk, het meisje niet. Of de riem van het kinderstoeltje die ochtend in de gauwigheid niet goed was vastgemaakt, of dat Sonia, die behendig was en over een fijne motoriek beschikte, de riem had losgemaakt, het was en het is onduidelijk. Misschien was het kinderstoeltje zelf niet goed vastgezet. Zeker is dat het kind door de auto en de vooruit vloog en tegen een oude boom kapotsloeg.

Over het dode kind heeft Duffey nooit gesproken, hij vond dat je over het dode kind alleen kon zwijgen. Het huwelijk hield het niet lang meer vol. Later zou hij zeggen dat het huwelijk destijds hoe dan ook al op zijn laatste benen liep.

In zijn twee boeken die voor het ongeluk werden geschreven speelden de dood en het geweld al een prominente rol, maar dat was toeval. Duffey had toen nog niet kunnen weten dat het centrum van zijn leven een dood kind zou worden.

Het graf van het kind in Glasgow had hij na de begrafenis nooit meer bezocht. Hij stond zichzelf geen sentiment toe en het bezoeken van het graf kwam hem voor als een nutteloze vorm van sentimentaliteit. Kitsch eigenlijk.

Hij schreef door omdat hij doorleefde, het een had met het ander te maken, opgeven lag niet in zijn aard, waarvoor ook, wie was daarmee gediend? In de omgang gold hij als moeilijk maar correct, vermoedelijk omdat hij charmeren net als het bezoeken van een graf een vorm van onwenselijke sentimentaliteit vond. De charme bevond zich volgens hem dicht bij het cynisme. Toch zouden de paar mensen die hem van dichtbij hebben meegemaakt, kunnen getuigen dat hij over gevoel voor humor beschikte en dat hij soms lachte op een manier die bijna uitbundig genoemd zou kunnen worden. Misschien was zijn humor sardonisch, maar het was humor. Hij was stil, maar zelden echt gemeen.

Duffey hertrouwde met Anna Louise die geen Russin was maar wel Russische voorouders had, zijn ouders en grootouders zouden ongetwijfeld tevreden zijn geweest. De Russische connectie was niet volledig verloren gegaan. Die uitgekiende nostalgie, die weerzin tegen moderniteit die zijn grootouders en ouders hadden gekoesterd, dat verlangen het tsarenrijk op kleine schaal elders voort te zetten, zat ergens ook in Anna Louise. Diep verborgen maar toch.

In het begin had hij met haar over kinderen gepraat, maar hij had het krijgen ervan steeds uitgesteld tot het niet meer ging. Merkwaardig genoeg voelde een nieuw kind als verraad aan het dode kind. Het kind in het leven van Simon Duffey moest dood blijven en mocht niet via omwegen tot leven worden gewekt.

Twee jaar nadat hem de Nobelprijs was toegekend verliet hij Glasgow zoals je een slangenkuil verlaat en hij vestigde zich in de toen nog volstrekt verwaarloosde villa op een kale heuvel in Umbrië, het was een plek waar hij bijna verliefd op was geworden, zou hij later zeggen. En dat woordje ‘bijna’ tekende hem. De overgave was hem ontsnapt, alleen op zijn beste momenten kon hij zich achter zijn typemachine en later zijn computer verliezen in zelfbedachte verhalen.

Niet lang na de Nobelprijs overleed de moeder van Sonia aan slokdarmkanker. Hoewel hij geen contact meer met haar had, vloog hij naar Glasgow om de begrafenis bij te wonen, hij schudde de handen van een paar mensen van wie hij amper nog wist wie ze waren en toen hij diezelfde dag terugvloog naar Italië besefte hij dat er nu niemand meer was die hij kende die ook Sonia had gekend. Het kwam hem voor als een opluchting. Het ging erom dat je kon vergeten. Hoe te vergeten, dat was een vraag die hem al heel lang bezighield. Het antwoord dat hij had gevonden was verbluffend in al zijn simpelheid: door je te concentreren op de woorden en nergens anders op.

 

De stalker kwam binnen en de nederigheid waarmee hij dat deed, die half gecamoufleerde onderdanigheid, die angst in zijn ogen dat hij misschien toch weer het huis zou worden uitgegooid, het stond Duffey meteen tegen. De houding maakte iets in hem los dat mild sadisme kon worden genoemd, maar hij onderdrukte dat sadisme en nam de stalker mee naar zijn werkkamer op de eerste verdieping, waar hij hem uitnodigde in een fauteuil plaats te nemen terwijl Duffey zelf achter zijn bureau ging zitten.

Velasquez deed zijn blauwe wintermantel uit, drapeerde die mantel over de leuning van de fauteuil en zette zijn hoed af waardoor meteen die akelige kale plek zichtbaar werd. De hoofdhuid van de stalker was schilferig, het was een plek die Duffey opnieuw aan de dood deed denken, alsof de dood zich slechts onder de hoed van Velasquez schuil had gehouden. Alsof het een goed bewaard geheim was dat daar de dood woonde.

Met de hoed in zijn hand zei Velasquez – hij droeg een donkerblauw overhemd zonder stropdas dat merkwaardig genoeg wel helemaal tot boven was dichtgeknoopt: ‘Ik heb twaalf lange artikelen over uw werk geschreven, meneer Duffey.’

‘Zeg maar Simon.’

‘Simon.’

‘Ja.’

‘Ik heb twaalf lange artikelen over uw werk geschreven, en dan nog talloze korte artikelen, ik heb u de lange artikelen toegestuurd, misschien heeft u ze gelezen.’

‘Nee.’

‘Nee?’

‘Nee,’ zei Duffey en hij keek naar de stalker en hij herinnerde zich hoe hij de artikelen had weggegooid, al was het maar omdat het spel dat de schrijver geacht werd te spelen hem zo was gaan tegenstaan dat zelfs secundaire literatuur over zijn eigen werk hem stoorde.

Het laatste interview dat hij had gegeven, een jaar of anderhalf geleden, was met een journalist van Die Zeit geweest. Ze had in de fauteuil gezeten waarin nu zijn laatste stalker zat en ze had willen weten waarom hij had gezegd dat de herinnering aan de shoah de grootste marketingstunt was van de twintigste en eenentwintigste eeuw. Hij had lang gezwegen, had naar haar gekeken, naar zijn vingernagels, naar het bureau, en toen had hij gezegd: ‘Bedenk maar iets. Leg me maar iets in de mond. U hebt toch fantasie. Journalisten zijn toch mensen met fantasie?’

De journaliste had natuurlijk wraak genomen – journalisten nemen altijd wraak – maar het kon hem niet veel meer schelen. Hij had hoe dan ook niets tegen Joden, niet meer dan tegen andere mensen in elk geval. Hooguit verweet hij hun dat zij als geen ander het lijden hadden verheerlijkt, de slavenmentaliteit van het christendom was niets anders dan het ten einde gedachte Jodendom en ook nu, op 82-jarige leeftijd, wenste hij geen slaaf te zijn, niet van zijn emoties, niet van de pijn in zijn linkerknie of in zijn schouders. Beneden in het huis hoorde hij zijn bedlegerige vrouw rommelen. Waarom lag ze niet op bed? Ze zouden vanavond penne met boter en kaas eten, de Italiaanse was niet gekomen. Hoewel ze amper vijftig was had ze al een kleinkind.

‘Denk je dat je in de komende maanden, jaren tijd hebt mijn artikelen te lezen?’

‘Nee,’ zei Duffey.

‘Ik begrijp het,’ zei Velasquez terwijl hij met zijn hoed speelde, ‘ik begrijp wat u wilt zeggen, ik heb deze artikelen niet voor u geschreven maar voor de lezer, de toekomstige lezer, die moet ze lezen.’

‘De toekomstige lezer,’ zei Duffey, ‘ik zou daar niet op vertrouwen. Als ik in de volgende eeuw, in de tweeëntwintigste eeuw, in een paar voetnoten voorkom, in drie voetnoten, dan is dat misschien al meer dan ik verdien.’ Het klonk bitter en hij was niet bitter, wantrouwend misschien maar niet bitter. Toch had hij de waarheid gesproken, dat hopen op postume roem, door middel van de kunst of de wetenschap, dat was meedoen aan een loterij waarbij niets te winnen viel.

Denkend aan de tweeëntwintigste eeuw moest hij grinniken.

‘Je weet,’ zei Velasquez, ‘dat het mijn doel is, dat het mijn hoop is, dat het mijn droom is uw biografie te schrijven. Het zou…’

‘Zolang ik leef wil ik geen biografieën, ik kan niets tegenhouden, maar medewerking zal ik niet verlenen.’

‘Uw archief…’

‘Het meeste heb ik al vernietigd. Ik heb geen respect voor lijkenpikkers, ik beleef er plezier aan hun het werk zo moeilijk mogelijk te maken.’

Velasquez kromp ineen.

‘Die armzalige roddels die het niveau van de gemiddelde roddel bij de bakker niet ontstijgen en die vervolgens in een biografie belanden alsof mijn levenswerk slechts gesponnen zou zijn langs dat netwerk van roddels, geruchten, halve waarheden en verkeerd geïnterpreteerde brieven. Nee, dank je. En ik bedoel levenswerk niet hoogdravend, het was en is het werk waarmee ik mijn leven heb gevuld, niet meer, niet minder.’

Velasquez werd steeds kleiner.

Opeens bekroop Duffey een zeker medelijden met deze stalker, deze man die de dood onder zijn zomerhoed met zich meedroeg, deze man die nog geen vijftig was en zich nu al klein maakte bij het vooruitzicht van de minste tegenslag.

‘Je zult willen weten waarom ik tegen het raam heb getikt, waarom ik je binnen heb laten komen. Ik zal het je zeggen, ik ben bezig aan mijn laatste roman, maar het vlot niet, niet zoals anders, mijn verbeelding, die me nooit in de steek heeft gelaten, hapert. Ik wil de werkelijkheid in, om de verbeelding weer aan de gang te krijgen. Maar ik ben al lang niet in de werkelijkheid geweest, ik ben een slechte reiziger.’

Velasquez’ gezicht klaarde op. ‘U zoekt begeleiding? Waar wilt u naartoe?’

Duffey keek even naar buiten. Een fractie van een seconde kwam hem dit allemaal voor als waanzin, maar toen herinnerde hij zich de dood weer en hij besefte dat hij geen keus had.

Hij keek zijn stalker vriendelijk maar strak aan en zei: ‘Swingersclub.’

Velasquez boog zich voorover. ‘Singers club?’ vroeg hij. ‘Een zangclub?’

‘Zit mijn gebit goed?’ vroeg Duffey.

Zijn vrouw had weleens gezegd: ‘Simon, het maakt mij niets uit dat je je verwaarloost als je geen bezoek verwacht en je nergens heen moet, als je met mij alleen bent, het maakt mij echt niets uit, maar doe tenminste je gebit goed in. Dat is het enige wat ik nog van je vraag, de rest hoef ik niet meer, maar doe je gebit goed in.’

Duffey was voor een 82-jarige best goed geconserveerd, een Italiaan had hem onlangs ‘pittig’ genoemd, het compliment had hem merkwaardig genoeg veel plezier gedaan, maar hij had een kunstgebit, want de maanden na de dood van Sonia was hij vergeten zijn tanden te poetsen. Misschien was het zelfs een jaar geweest, dat hij dat was vergeten.

Toen hij nog televisiekeek was hij altijd gefascineerd geweest door de witheid van de tanden van Joe Biden en hij begreep niet dat iemand met zulke witte tanden, die alle andere witheid op deze wereld eigenlijk belachelijk maakte, niet een tweede keer tot president was gekozen. Goed, Trump had ook witte tanden, maar dat was niets vergeleken met de witheid van Bidens tanden. De man mocht vergeetachtig zijn geweest op het einde van zijn presidentschap, maar de witheid van zijn tanden maakte toch alles goed, had hij gedacht.

Met zijn tong duwde Duffey tegen zijn bovengebit.

Toen zei hij: ‘Swingersclub, Velasquez. Parenclub. Geen zangclub.’

‘Juist,’ antwoordde Velasquez en hij plukte aan zijn goed verzorgde baardje, ‘parenclub, dat kan geregeld worden. Hoe lang wilt u er blijven? En wat verwacht u precies van mij?’

Duffey speelde met een zandloper die hij ooit van een universiteit had gekregen toen ze hem een eredoctoraat hadden aangebonden, hij wist even niet meer welke universiteit, hij wist ook niet meer hoeveel eredoctoraten hij inmiddels had mogen ontvangen. Hij was de tel kwijt.

‘Ik wil,’ zei Duffey, ‘dat je onderzoekt welke swingersclub de beste swingersclub van Europa is en dan wil ik dat je samen met mij daarheen gaat, want mijn vrouw is bedlegerig. Ik voel dat mijn verbeeldingskracht het nog best doet, maar dat die een vonk van buiten nodig heeft om weer aan te springen. Dat is eigenlijk alles.’

Velasquez knikte. Toen zei hij, ‘Ja, ja, dat is geen probleem. Dat is allemaal glashelder. Geef me een week.’

Duffey knikte. ‘Oké,’ zei hij.

Velasquez stond op en liep naar de deur, maar daar draaide hij zich om en liep weer terug.

‘Een laatste vraag,’ zei hij, ‘zou ik die week hier mogen logeren?’

Duffey moest nadenken. Toen zei hij: ‘In het niet gerenoveerde gedeelte van de villa is een kamer met een bed. Warm is het er niet, maar het bed is prima. Een wc is er ook. Douchen kun je in het gerenoveerde gedeelte van de villa, mits je ruim van tevoren aangeeft wanneer je dat wilt doen.’

‘Uiteraard,’ zei Velasquez, ‘dat spreekt vanzelf. Ruim van tevoren. Ik douche eigenlijk altijd koud. Ben ik van huis uit zo gewend. Maar om misverstanden te voorkomen, hoe ruim precies is ruim van tevoren?’

‘Drie uur,’ zei Duffey na een korte stilte. ‘Laat me drie uur van tevoren weten als je van onze badkamer gebruik wilt maken dan zorg ik of de Italiaanse dat die gereed is.’

‘Uitstekend,’ zei Velasquez, ‘vier uur is ook goed en ik kan ook niet douchen.’

‘Douche maar wel,’ zei Duffey. ‘En nog iets, kun je koken?’

Velasquez knikte gretig.

‘Dan kun je misschien vanavond voor mij en mijn vrouw koken. Ik eet alles. Tot voor kort was ik vegetariër, maar de dokter zei tegen me, ‘eet alles.’ Ik was nogal vermagerd. Ik eet alles op doktersadvies.’

‘Uiteraard,’ zei Velasquez. ‘Dat zou ik ook doen. Op doktersadvies.’

‘Ik zou het op prijs stellen dat je daar discreet over bent. De rest kan me niets schelen, maar dat ik alles eet, ik zou het op prijs stellen als dat onder ons blijft. Ook al is het op doktersadvies. Schrijf er geen artikelen over. Geen lange artikelen, geen korte artikelen.’

‘Wat is een mens zonder fatsoen?’ sprak Velasquez, ‘Een half mens. Zo’n mens wil ik niet zijn. U kunt op me rekenen.’

Toen haalde hij een zakdoek uit zijn broekzak, boog voorover en veegde snel de neus van de Nobelprijswinnaar af. ‘Sorry,’ zei hij, ‘vergeef me, er hing een druppel aan.’

Met die woorden verliet hij de werkkamer en Duffey bleef achter zijn bureau zitten en speelde met de zandloper. Hij wist opeens weer van welke universiteit hij die had gekregen, de Humboldt Universität in Berlijn.

 

Een week verbleef Velasquez in de villa op de kale heuvel in Umbrië van Simon Duffey en zijn echtgenote en in zijn dagboek noteerde Duffey: ‘De kookkunsten van mijn laatste stalker stellen niet teleur. Daarmee is het meeste gezegd.’ Al vanaf zijn eerste huwelijk had Duffey dagboeken bijgehouden, op het maniakale af, die hij straks zou vernietigen.

Ook de vrouw van Duffey knapte op van de kookkunsten van de stalker, ze had zelfs al een keer een kleine wandeling gemaakt in de tuin. Wat had Velasquez niet allemaal bereid? Een stoofpotje met lamsvlees, zeebaars met tomaat en kappertjes, curry met geit, hij was ongetwijfeld een betere kok dan literatuurwetenschapper.

Toen de week voorbij was, klopte Velasquez op de deur van de werkkamer van Duffey. Velasquez had al die dagen slechts twee keer gedoucht, hij wilde de gastvrijheid van de Nobelprijswinnaar, zo zei hij, niet misbruiken.

‘Ik heb mijn best gedaan,’ zei Velasquez, en zijn toon was minder onderdanig geworden, zijn toon was minder formeel, minder kruiperig, er was iets broederlijks in zijn omgangsvormen gesloten. ‘Ik heb mijn hele netwerk ingezet,’ zei hij. ‘Kort gezegd komt het hierop neer. Er zijn twee mogelijkheden, Wenen of Belgrado. Wenen is het Walhalla voor swingers, maar Belgrado is bezig aan een inhaalrace, alle Turkse, Bulgaarse en Roemeense swingers zweren bij Belgrado, en ook de swingers uit de Golfstaten hebben Belgrado ontdekt. Maar Wenen blijft Wenen, het is daar allemaal ook net iets schoner, prettige fauteuils, hier en daar zelfs een douche, aangename zitbanken, veel papieren zakdoekjes, lekkere hapjes, gratis, ik heb het over Maison Rendez-Vous, feitelijk de beste swingersclub van Europa.’

Duffey zette zijn leesbril op en zocht iets in zijn agenda.

‘Wenen,’ zei hij.

Over twee weken zou hij in Wenen de Mauritz Lang Prijs in ontvangst nemen. Lang was Jood, marxist, psychoanalyticus en geëngageerd dichter en toneelschrijver geweest, en alsof dat allemaal niet erg genoeg was, was hij ook nog eens door de nazi’s vermoord. Waarom ze Duffey die prijs gaven, was hem een raadsel. Maar hij was te oud om nog een prijs te weigeren. En als hij eerlijk was moest hij toegeven dat hij ook geen prijzen had geweigerd toen hij jonger was.

‘We gaan midden december naar Wenen,’ zei Duffey. ‘Ik moet er dan toch zijn.’

‘Ah,’ zei Velasquez en zijn gezicht begon te stralen, hij straalde de laatste tijd veel, al sliep hij in een koude kamer. ‘Dat doe ik graag. Ik reis graag met je naar Wenen. Zeg maar waar je wilt logeren.’ Maar Duffey kon zijn ogen niet afhouden van die kale, schilferige plek midden op het hoofd van Velasquez.

‘In een hotel,’ zei hij. ‘Er wordt een hotel voor mij geregeld, want ik krijg een prijs. Je mag bij de prijsuitreiking zijn. De dag erop gaan we naar Maison Rendez-Vous. Moeten we reserveren?’

‘Ik geloof niet dat het zo werkt,’ zei Velasquez, ‘een swingersclub is niet voor heren alleen, ze verwachten dat er stelletjes komen, we hebben het over heteroseksuele instituten, ik betwijfel of we met zijn tweeën naar binnen komen.’

‘Bel ze op,’ zei Duffey, ‘zeg ze dat ik de Nobelprijs heb gekregen. Ze zullen een Nobelprijswinnaar niet op de stoep laten staan, ik ken die Oostenrijkers.’

 

Met een koffer en een kleine leren tas reisden Duffey en Velasquez naar Wenen. Velasquez had gevraagd of hij wat van zijn kleren, een pak en twee overhemden, in de koffer van de Nobelprijswinnaar mocht doen en hoewel Duffey dat onaangenaam vond had hij het toegestaan.

De Oostenrijkse vicepremier reikte de Mauritz Lang Prijs uit in het Literaturhaus en hield een voordracht, pompeus maar in zijn soort lang niet slecht, waarin de betrokkenheid van Duffey werd geprezen, zijn ondubbelzinnige stellingname tegen onrecht, zijn somberheid over de menselijke conditie werd geïnterpreteerd als een aansporing om het leven te beteren. Hij was niet somber over de menselijke conditie, hij beschreef die conditie, de somberheid hadden de mensen er zelf bij bedacht. En aansporen deed hij ook niemand. Als mensen aansporing nodig hadden was het al te laat.

Duffey die de tekst van de vicepremier vooraf had mogen inzien, antwoordde in zijn korte, stekelige dankwoord dat het onrecht zich weinig aantrekt van onze stellingnames en dat het meeste activisme voor kunstenaars verloren tijd was. Daarna citeerde hij het enige gedicht van Lang dat hem aanstond, over zwemmen in de Donau op een septemberochtend in 1935. Lang had de mogelijkheid gehad met zijn oom naar Zuid-Afrika te vluchten, maar hij wilde liever in Oostenrijk blijven omdat hij meende dat het allemaal zo’n vaart niet zou lopen. De dichter was weer eens geen ziener en de marxist natuurlijk ook niet. In een ander, later gedicht had Lang geschreven dat hij was gebleven omdat hij het zwemmen in de Donau niet wilde missen. Misschien had hij in Auschwitz ook nog even aan de Donau gedacht voor hij vergast werd. In zijn dankwoord ging Duffey op deze levenshouding in en hij vroeg zich hardop af of het echt nodig was dit besluit, of het gebrek aan besluit, te bekritiseren. Het zou van hoogmoed getuigen in een leven de bijzaken van hoofdzaken te willen scheiden. De Donau van het leven zelf. Met terugwerkende kracht is het oordeel gratuit, het zijn de dichters en de schrijvers die altijd weer denken dat het leven achteruit geleefd kan worden, het wordt vooruit geleefd, in sublieme blindheid. Dat was feitelijk de enige hoop, dat de blindheid subliem kon worden genoemd.

De mensen vonden zijn dankwoord prachtig maar de gedachten van Duffey gingen al uit naar Maison Rendez-Vous. Hij kon nog erecties krijgen, maar de laatste zaadlozing had zeven jaar geleden plaatsgevonden, hij was toen 75 geweest en hij had gewerkt aan een lang essay over Mandelstam. In Lissabon had die laatste zaadlozing plaatsgevonden, hij wist de datum nog precies, 23 juni, laat in de avond. Een Portugese kenner van Mandelstam was met hem meegegaan naar zijn hotelkamer en daar bleek ze niet alleen het werk van Mandelstam uitstekend te kennen maar ook het mannenlichaam dat zich in de schaduw van de dood bevond.

Toen Duffey in haar mond was klaargekomen zei ze, terwijl het sperma langs haar kin droop: ‘We hebben dit voor Osip gedaan.’

‘Pak alsjeblieft een handdoek,’ antwoordde Duffey, ‘ik zou het graag doen, maar ik heb een beetje spierpijn en ik ben duizelig.’

Daarna geen zaadlozingen meer, erecties nog wel, zaadlozingen niet meer, Duffey kon zich niet aan de gedachte onttrekken dat de dood in de teelbal begon. Niet in de voet, niet in het hart, niet in het hoofd; in het kruis.

In Maison Rendez-Vous zou alles weer anders worden, de geest van Osip zou tot hem komen, de woede zou hem helpen, de woede had hem altijd geholpen, hij voelde het.

De receptie na de prijsuitreiking vermoeide hem en op een gegeven moment pakte Velasquez de arm van Duffey en zei: ‘We gaan naar huis, we moeten morgen uitgerust zijn.’

 

Die dag, een maandag, ging langzaam voorbij. Voor het eerst sinds tijden leek de tijd langzaam te gaan. Maison Rendez-Vous ging op maandagavond om tien uur open, maar op advies van Velasquez zouden ze er om middernacht heengaan.

Om elf uur ’s avonds klopte Velasquez op de deur van de suite die de Oostenrijkse staat, die de Mauritz Lang Prijs uitreikte, het was een staatsprijs, voor Duffey betaalde. Duffey had een pak aangetrokken zonder stropdas. Daaronder instappers. Hij dacht, als ik me moet uitkleden zijn instappers handig. Hij stond al klaar om te vertrekken, hoewel het nog veel te vroeg was.

‘Er is staking van het openbaar vervoer,’ zei Velasquez, ‘daarom is het heel moeilijk een Uber of een taxi te krijgen maar via de receptie heb ik een koetsje kunnen regelen.’

‘Een wat?’ vroeg Duffey. ‘Moet ik er in een koetsje heen?’

‘Eigenlijk mogen de koetsjes ’s nachts in Wenen niet rijden,’ zei Velasquez, ‘maar voor jou, de Nobelprijswinnaar, maken ze een uitzondering, de politie, de koetsier, het ministerie van Justitie, het ministerie van Binnenlandse Zaken, allemaal hebben ze voor jou een uitzondering gemaakt. Het Oostenrijkse volk is misschien het laatste volk dat zijn hoed afneemt voor de literatuur.’

‘Krijg ik het niet koud in de koets?’ vroeg Duffey en hij bekeek zijn nagels die hij die middag nog gevijld had. ‘Ik vat makkelijk kou.’

‘Er zijn dekens voor als het koud wordt. Het is even rijden, want Maison Rendez-Vous bevindt zich in een buitenwijk zoals ik je misschien al verteld heb, maar er zijn heerlijke warme dekens. En je hebt je winterjas, Simon, je zult het niet koud krijgen. En anders sla ik wel een arm om je heen.’

‘Nee, dat heb je niet verteld. Van die buitenwijk. De beste swingersclub van Europa in een Weense buitenwijk?’

Duffey ging naar de badkamer en sprenkelde wat aftershave op zijn wangen. Hij ging nog liever dood dan de arm van Velasquez om zijn schouders te voelen.

Duffey keek in de spiegel. Pittig, hij vond dat hij er pittig uitzag, voor iemand van 82.

 

De koetsier weigerde Engels te praten en zijn Duits was zo Weens dat Duffey hem amper kon verstaan, maar aan de lengte van de monoloog die de koetsier afstak en de woorden ‘Maison Rendez-Vous’ die veelvuldig vielen, was te merken dat hij Maison Rendez-Vous goed kende, en hij liet zijn twee paarden door de nachtelijke straten van Wenen galopperen. ‘Hoppa,’ riep hij telkens weer, tussen zijn monoloog door. Af en toe keek hij om of Duffey wel luisterde, maar Duffey kon erg goed doen alsof hij luisterde.

Ondanks de deken had hij het koud.

Maison Rendez-Vous bevond zich in een troosteloze Weense buitenwijk. Duffey voelde zich nu al bekocht. Hij stapte langzaam uit en de koetsier kwam op hem af met twee wortels en vroeg: ‘Wilt u mijn paarden misschien een wortel geven?’

‘Nee, dank u,’ zei Duffey.

‘Dat zullen mijn paarden leuk vinden,’ zei de koetsier, die opeens uitstekend Duits bleek te kunnen praten, ‘een wortel van een Nobelprijswinnaar. Dat zullen ze op prijs stellen.’

‘Nee dank u,’ zei Duffey, ‘echt niet.’

‘Ze hebben me de opdracht gegeven hier de hele nacht te blijven staan,’ zei de koetsier, ‘ik breng u straks ook weer terug naar het hotel. Dit staan ze normaal gesproken niet toe. Koetsjes rijden hier alleen overdag.’

Maison Rendez-Vous bevond zich in de kelder van een rijtjeshuis. Voorzichtig daalde Duffey de trappen af. Ze moesten aanbellen, waarna een kale man opendeed.

De man vroeg: ‘Waar zijn de vrouwen?’

‘We zijn met zijn tweeën,’ zei Duffey.

De man schudde zijn hoofd. ‘Uw partners, waar zijn die?’

Achter de man bevond zich een zwart gordijn, er kwam muziek vanachter dat gordijn vandaan. Liftmuziek.

‘Heb je niet gezegd dat we met zijn tweeën zouden komen?’ vroeg Duffey aan Velasquez.

De man, die zowel de eigenaar als de portier van Maison Rendez-Vous kon zijn, misschien wel allebei, zei: ‘Luister, we zijn een parenclub, geen seksclub, alleenstaande mannen komen hier niet binnen, alleen op woensdagavond kunnen alleenstaande heren tegen extra betaling tussen zes uur ’s middags en middernacht naar binnen, maar vandaag is het maandag, maandag is beginnersavond.’

‘Wat zegt hij?’ vroeg Duffey aan Velasquez.

‘Hij zegt,’ antwoordde Velasquez, ‘dat het vandaag beginnersavond is en dat alleenstaande heren hier op woensdag terecht kunnen.’

‘Wat is een beginnersavond?’ vroeg Duffey.

Het verbaasde hem dat Velasquez zo goed Duits sprak, zelf sprak hij het matig, hij kon het lezen, maar spreken, nee. Hij had altijd gedacht dat hij het kon verstaan, maar dat viel dus tegen.

De portier sprak en daarna zei Velasquez: ‘Een avond voor mensen die nieuw zijn in de wereld van het swingen, die over de drempel moeten worden geholpen, in het begin is er altijd een beetje schroom. Zo’n beginnersavond helpt je over de schroom heen.’

‘Ik heb geen schroom,’ zei Duffey.

‘Maar u bent hier zonder vrouw,’ zei de portier in het Engels.

‘Zeg hem dat ik de Nobelprijs heb gewonnen,’ zei Duffey tegen Velasquez.

De portier zocht op zijn telefoon de Wikipedia-pagina van Simon Duffey en constateerde met enige tevredenheid dat de man die voor hem stond inderdaad de Nobelprijs had gewonnen.

‘Ik maak voor u een uitzondering,’ zei hij. ‘Maar u betaalt wel met z’n tweeën dubbel tarief.’

Ja, precies zoals Duffey had voorspelde opende de Nobelprijs de deur van Maison Rendez-Vous.

Duffey wilde al zijn portemonnee trekken, maar Velasquez was hem voor. ‘Dit doe ik,’ zei de literatuurwetenschapper, ‘je hebt al zoveel voor me gedaan.’

Hun jassen moesten ze afgeven bij een garderobe waarachter een oudere dame met overdreven veel lippenstift zat. Ze nam de jassen lachend aan en ze zei: ‘Telefoon laten jullie bij mij achter. Die is binnen verboden.’

Toen gingen ze door het zwarte gordijn. Ze stonden in een vrijwel geheel verduisterde ruimte met daarachter zo te zien meer verduisterde ruimtes. Duffey liep door Maison Rendez-Vous, hij moest wennen aan het donker en aan merkwaardige geuren die hij niet kon thuisbrengen. Hij had de minder aangename sensatie dat hij op een dag ook zo door een verpleegtehuis zou dwalen, ietwat verontrust, geuren opsnuivend die hem ietwat onaangenaam voorkwamen.

Het viel hem op dat er best veel alleenstaande mannen door de ruimtes zwierven als rusteloze jachthonden. Sommige van die mannen waren niet eens zoveel jonger dan Duffey. Een enkeling wierp een vluchtige blik op Duffey en zijn reisgenoot. De schrijver kon zich niet aan de indruk onttrekken dat hij een prooi was die werd afgekeurd.

Er was een trap die nog dieper naar beneden voerde, naar een kamer met een groot bed, naast het bed stonden twee schalen, in de ene schaal lagen gummibeertjes, in de andere schaal condooms. Hier was verder niemand.

Duffey propte wat gummibeertjes in zijn mond.

Ze gingen weer naar boven. Het traplopen had Duffey uitgeput. Hij voelde zich niet lekker, maar hij wilde zich niet laten kennen. Hij had zich nooit laten kennen en zeker hier zou hij dat niet doen.

In een andere ruimte vonden ze een zitbank. Op de bank zat een stelletje. De vrouw, midden zestig schatte Duffey haar, had plaatsgenomen op haar man. Zijn broek was uitgetrokken tot zijn knieën. Wat zichtbaar was waren haar ongelooflijk grote billen, hoewel de ruimte verduisterd was, gaven de billen bijna licht, zo wit waren ze, maar het was een andere witheid dan die van de tanden van Biden. Goed hoorbaar was het geluid dat de vrouw voortbracht, iets wat Duffey meteen tegenstond omdat het zo onecht was. Zo gespeeld.

Hij had de werkelijkheid in gewild. Maar was dit de werkelijkheid?

Ze gingen naast het stel zitten omdat er verder geen zitplaatsen leken te zijn.

‘Is dit echt de beste swingersclub?’ vroeg Duffey aan Velasquez.

‘Ze zeggen het,’ antwoordde Velasquez.

De vrouw keek naar Duffey en Velasquez terwijl ze haar man bereed en ze stak haar wijsvinger uit.

Duffey en Velasquez werden gewenkt.

‘Wat wil ze?’ vroeg Duffey.

‘We moeten ons laten gaan, Simon,’ zei Velasquez, ‘daarom zijn we hier toch heengegaan, omdat we ons wilden laten gaan.’

‘Ik ben hier voor mijn roman heengegaan,’ zei Duffey. ‘Nergens anders voor.’

‘Hoe heet die eigenlijk?’

‘Swingersclub,’ antwoorde Duffey. ‘Gewoon Swingersclub. Ik houd van titels die uit één woord bestaan. Iemand die twaalf langer artikelen over mijn werk heeft geschreven zou dat kunnen weten.’

Nog altijd wenkte de vrouw Duffey en zijn metgezel en uiteindelijk gaf de metgezel toe, Velasquez boog zich voorover en begon aan de wijsvinger van de vrouw te zuigen terwijl zij nog springeriger haar man bereed en geluiden produceerde die iedereen met de geringste esthetische gevoeligheid zouden doen walgen. Velasquez zoog aan haar vinger zoals hij een paar weken daarvoor een druppel van de neus van Duffey had geveegd. Doelmatig maar beschroomd.

De man leek te zijn klaargekomen, de vrouw klom van hem af. Nu werd de man zichtbaar, hij was ongeveer zo oud als de vrouw, maar beter verzorgd, had een flinke buik, er zaten wat stekeltjes op zijn achterhoofd. Hij kwam hier kennelijk vaker want hij viste zonder te kijken ergens wat papieren zakdoekjes vandaan, die strategisch gedistribueerd waren door Maison Rendez-Vous. Toen stond hij op, kwam op Velasquez af en vroeg in het Weens: ‘Ben je nieuw hier?’

‘Pablo Velasquez,’ zei Velasquez, ‘is mijn naam, en ja we zijn nieuw hier.’

De man bekeek Velasquez, hij had weinig oog voor Duffey, vermoedelijk was hij geen literatuurliefhebber of hij had lang geen foto’s van Nobelprijswinnaars bekeken.

De man zei eerst in het Weens, toen in gewoon Duits, en vervolgens, vermoedelijk omdat er niets gebeurde, ook nog in het Engels: ‘Neuk mijn slet.’

Velasquez keek naar Duffey en toen weer naar de man en vervolgens naar de vrouw van de man die betrekkelijk wijdbeens maar ook ietwat lusteloos op de bank was gaan zitten. ‘Ik doe dit voor jou, Simon,’ zei Velasquez. ‘Ik hoop dat je de inspiratie vindt die je zoekt. Alles voor jouw inspiratie. Mijn leven voor jouw inspiratie.’

Velasquez begon zich uit te kleden. Hij deed het netjes. Hij vouwde zijn broek keurig op en zei tegen Duffey: ‘Je hoeft me niet dankbaar te zijn. Ik heb me altijd al voor je willen opofferen.’

De onderbroek ging uit. Het geslachtsdeel kwam tevoorschijn. Het choqueerde Duffey. Het was lang maar dun. Bovendien was de kleur ervan merkwaardig. Het geslachtsdeel van Velasquez had een soort van schutkleur, het deed Duffey denken aan een boa constrictor die hij ooit als kind in de dierentuin had gezien. Een boa constrictor, hij had het kunnen weten.

De  Nobelprijswinnaar verwijderde zich. Wat nu nog zou komen wenste hij niet te zien.

 

Hoewel maandagavond beginnersavond was, kwam het Duffey voor alsof hij de enige echte beginner hier was. Hij bewoog zich door de club alsof hij door een museum liep, geïnteresseerd maar zich er ook terdege van bewust dat hij in de gaten werd gehouden, al was het hier dan niet door suppoosten. Helemaal achterin stuitte hij op een oude vrouw met een stok. Ze had zich voorovergebogen en om niet te vallen hield ze zich stevig aan de stok vast, ze was bezig een jongere man te pijpen. Eromheen stonden drie mannen, twee van hen waren aan het masturberen.

Duffey kwam dichterbij. De stok intrigeerde hem, wekte weerzin in hem op, maar intrigeerde hem niettemin. Wat deed zij hier? Zocht zij ook inspiratie?

De jongere man die zij aan het pijpen was, stonk enorm. Duffey zocht in de binnenzak van zijn colbert en zette zijn leesbril op, om het tafereel van dichterbij te bekijken. Het leek hem dat dat in Maison Rendez-Vous wel was toegestaan, om taferelen met leesbril en al van dichtbij goed te bekijken.

Hij begreep nu waarom de jongere man zo stonk. De man was vermoedelijk een dakloze. Het kapotte overhemd dat halfopen om zijn borst fladderde, de diepe groeven in het gezicht, de onverzorgde baard, het onverzorgde kapsel, de wonden op zijn voorhoofd en rechterwang.

Toen bekeek Duffey het gezicht van de vrouw met de stok. Ook hij moest zich vooroverbuigen om dat te kunnen doen. Het leek haar niet te storen, ze pijpte ijverig verder.

Het schoot door hem heen: ze pijpt tegen de dood.

Hij meende haar ergens van te kennen, toen ze nog jonger was, veel jonger. Haar gelaatstrekken kwamen hem akelig bekend voor en hoewel hij last had van zijn rug boog hij zich nog een keer voorover.

Nee, hij wist het niet. Gezichtsbedrog vermoedelijk.

Hij zette zijn leesbril af. Alles boezemde hem weerzin in, maar hij deed zijn instappers uit. Hij wilde door de oude vrouw met de stok gepijpt worden, hij wilde in haar mond klaarkomen. Osip Mandelstam zou hem helpen. Mandelstam had hem altijd geholpen.

Toen hij broek en onderbroek met enige moeite had uitgetrokken wist hij aan wie de oude vrouw hem had doen denken. Aan Sonia. Zij was onmiskenbaar Sonia. Veel ouder, maar toch Sonia.

En terwijl hij naar de oude vrouw keek die op haar stok leunde en pijpte alsof haar leven ervan afhing, herinnerde hij zich alles. Hoe Sonia die ochtend haar prinsessenjurk had willen aandoen, hoe hij had geschreeuwd dat het veel te koud was voor zo’n jurk, maar ze was niet voor rede vatbaar geweest, het kind was niet voor rede vatbaar, hoe hij in auto tegen haar had geschreeuwd, ‘waarom maak je het leven van je ouders tot zo’n hel?’ En daarna had hij nors en zwijgend voor zich uitgestaard. Tot de bocht kwam, tot de boom kwam.

‘Waarom maak je het leven van je ouders tot zo’n hel?’ Ja, met die woorden had hij het kind de dood ingestuurd. Het kwam hem niet eens voor alsof het gisteren was gebeurd, het was vandaag, het was vandaag gebeurd.

‘Sonia,’ wilde hij tegen de vrouw met de stok zeggen, ‘Sonia, hier ben ik.’

Maar iets ontnam hem de adem, maakte hem het spreken onmogelijk, een pijn trok door zijn lichaam, een verlammende pijn.

 

Nog voor Velasquez in de slet van de dikke man met de stekeltjes op zijn achterhoofd was klaargekomen, werd hij geroepen omdat zijn vriend niet goed was geworden.

Onder de heren die als rusteloze jachthonden door Maison Rendez-Vous hadden gelopen, bleek zich een dokter te bevinden die toen het erop aankwam de rust zelve was en die kalm de dood van Simon Duffey vaststelde.

Velasquez had zich razendsnel weer aangekleed. Hij besefte dat dit niet een plek was waar een Nobelprijswinnaar kon sterven.

‘We brengen hem naar de koets,’ zei hij, ‘heren, help me alstublieft, u begrijpt dit ongetwijfeld.’

Ze begrepen het. De bezoekers van Maison Rendez-Vous waren veel redelijker dan dat ze eruitzagen. De dikke man die zijn slet had willen laten neuken door Velasquez ontpopte zich als voorman en al snel lag de dode Nobelprijswinnaar in de koets. Zijn naakte onderlijf bedekten ze met een deken.

‘Zo snel mogelijk naar Hotel Sacher,’ zei Velasquez tegen de koetsier, en de koetsier joeg zijn paarden door het nachtelijke Wenen.

Vanaf de bok draaide hij zich bij elke rood stoplicht om en vertelde wat toeristische wetenswaardigheden, alsof hij niet wilde beseffen dat de dode Duffey en de van schrik verlamde Velasquez geen normale toeristen waren.

 

In vrijwel alle kranten kwam te staan dat Duffey, de grote Duffey, in een koetsje in Wenen was overleden. Een enkele krant schreef dat dat een mooie dood was.

Velasquez bleef in de half verwaarloosde villa in Umbrië wonen waar hij een zeer vriendschappelijke relatie ontwikkelde met Anna Louise Bronstein. Ze werd ook steeds minder bedlegerig, vermoedelijk mede dankzij de stoofpotjes met lamsvlees, de curry met geit en de zeebaars met tomaten en kappertjes van Velasquez.

Uiteraard kreeg hij toegang tot het gehele archief van Duffey dat nog niet vernietigd was.

Maar dat is een ander verhaal, het verhaal van de grote droom van Velasquez en de grote opofferingen en grote teleurstellingen waarmee zo’n droom gepaard gaat.

Ons verhaal, het verhaal van Simon Duffey, is hiermee ten einde.

 

• Dit verhaal verscheen in Liter 119 (december 2025)