• door Rob van Essen • 
Als gastschrijver dit jaar publiceert Rob van Essen dagboekfragmenten. In Liter 120 verschenen o.a. fragmenten uit 1998. Hieronder leest u notities uit de oktobermaand. Rob van Essen kreeg tweemaal de Libris Literatuur Prijs toegekend: in 2019 voor De goede zoon en in 2024 voor Ik kom hier nog op terug.

 

oktober
[…] Het is herfst, bescheiden gordijnen in geen velden of wegen te bekennen. Laat staan iemand die harp of harpsichord voor mij speelt.

Verleden week donderdag naar de show van Paul van Vliet gegaan, Waar Waren We Gebleven, in Carré. Ik had Martha meegevraagd, om me over moeilijke en angstige momenten heen te helpen. Goddank had het impresariaat inderdaad voor zitplaatsen aan het gangpad gezorgd.
Wat me opviel: de goedkoopte ervan. Op tv is cabaret veel intiemer omdat je de zaalversterking niet hoort. Als je in de zaal zit (in Carré dan, in dit geval) komt het geluid van náást het podium. En het stond flink hard ook, wat het nog banaler maakte.
Verder was het niet mijn genre. Had ik toch gewoon moeten vragen of ze me de cd opstuurden? Liedjes met platte boodschappen, veel paars en blauw en roze licht. Van dik hout zaagt men balken van licht. Veel dingen waren niet goed uitgewerkt.
Toch wel gelachen, dat gaat in een zaal wel makkelijker dan voor de tv. Maar het publiek. Met bussen tegelijk uit mortuaria aangevoerd. Sloom, traag van begrip, ze gingen alleen voor hele duidelijke en platte en dubieuze grappen. Niet het publiek dat hij verdiende. De grap met het meeste succes (Van Vliet debiteerde hem in een rol, niet als zichzelf): ‘Vroeger had je nog geen asielzoekers. Je had alleen Sinterklaas. Maar die ging weer weg.’ Gelach, enthousiast applaus. ‘Ja, een beetje een rechts grapje, hè. Vinden jullie wel leuk, geloof ik.’ Op dat moment zou je in zijn hoofd willen kijken om uit te vinden hoe hij tegen zijn publiek aankijkt. Ging het bijvoorbeeld altijd zo stroperig of was dit een slechte avond?.
‘Mijn’ nummer kwam pas laat. Het verschilde niet veel van de try-out versie die Inge van de Werf van het impresariaat mij ooit toestuurde. Je verkoopt een idee voor 250 gulden en dan duiken er toch letterlijke citaten op. Volgende keer strenger zijn? Of helemaal niet meer doen natuurlijk. Ja, leuk voor de flaptekst van Benjamin, maar voor je het weet zit je in een hoek waar je je leven niet meer uitkomt.
Nou ja. Het had beter gekund. Terwijl de show uitstekende kritieken had. Alleen niet in Het Parool. Thomas van den Bergh vond het gedateerd. Dezelfde Thomas van den Bergh die als eerste Reddend zwemmen recenseerde, en zuur. Maar deze keer kon ik hem niet helemaal ongelijk geven.
Het had dus beter gekund, tijdens de show zat ik al te verbeteren. Ook in ‘mijn’ nummer had meer gezeten. Maar als dit zijn publiek was: paarlen voor zwijnen. Zwijnen tussen de veertig en de zestig, voornamelijk. In de pauze zei een vrouw: ‘’t Is wel een scherp waarnemer, hè.’ Maar dat was hij nu net niet. Vakman, présence, dat wel.
Wat me ook als goedkoop opviel, en wat alle grote shows hebben, ook die van Youp van ’t Hek: manipulatie van het publiek. Met licht, gebaren en de hele opbouw van de nummers worden duidelijk de plaatsen aangegeven waar gereageerd moet worden. Dan kan je op die momenten net zo goed een bordje met ‘applaus’ laten oplichten. Het enige wat niet te manipuleren valt is de gut reaction op de grappen. Slechts zelden ontstond er een heen en weer rollend gelach. Gelach dat door de zaal gaat als windvlagen over een gezond, buigzaam korenveld.
Een voorbeeld van wat er niet spoorde: het nummer waarin Van Vliet The Young Messiah en The Young Mozart van Tom Parker behandelde (‘Weet je wat ook erg is?’ – ja, daar in 1998 nog eens over beginnen) en dat gedoe parodieerde door met het driekoppige bandje een Young Beethoven neer te zetten. ‘Heb je ook rtl4-licht?’ riep hij naar de lichttechnici boven. En daar werd al een scherm voor de schijnwerper geplaatst dat het licht op het podium in sterretjes uiteen deed vallen. Maar in het laatste nummer van de show, een lied dat erover ging dat je in je dromen moest geloven of zoiets (op de liedjes kon ik me al helemaal moeilijk concentreren), werd gebruik gemaakt van hetzelfde sterretjeslicht – en deze keert was dat toch echt serieus bedoeld en niet als ironische ondergraving. Ziet hij dat zelf niet? Wijst niemand hem daar op? Waren het net iets andere sterretjes?
Ik had niet erg zin in het ooit met het impresariaat afgesproken kleedkamerbezoek, maar kom op, toch maar doen, dacht ik, en na afloop van de voorstelling sprak ik een personeelslid aan, o, dan moet u een blokje om, naar de artiesteningang.
Met Martha een blokje om naar de artiesteningang, waar een portier zou zitten die me verder zou helpen. We moesten naar de nieuwbouw aan de achterkant van Carré. Aan een pleintje zat een tegen de achtergevel aangeplakt verkeerstorentje met een wenteltrap langs de buitenkant. In de verkeerstoren zat de portier, die geen enkele aanleiding zag om me door te laten. Mensen die naar de kleedkamer wilden? Uitgenodigd? Wanneer dan? En nee, er was ook niemand van het impresariaat. Half opgelucht en half vernederd zei ik dan maar dat ik Paul van Vliet wel een briefje zou sturen en dat vond de portier ook het beste. Om in stijl te blijven: zo’n man zouden ze bij de grens neer moeten zetten, dan kwam er geen asielzoeker ons land meer binnen en dan kwam er ook nooit meer iemand terug van vakantie. En The Young Beethoven had natuurlijk ‘Beethoven voor dovemansoren’ moeten heten.
Knagende onvoldaanheid, ook opluchting. Met Martha naar De Engelbewaarder voor een paar pilsjes, waardoor ik me weer wat comfortabeler begon te voelen. Uiteindelijk veel moeite voor weinig. De volgende dag hoofdpijn en dat briefje aan Paul van Vliet kostte me nog moeite genoeg. Of het nou een briefje is of kleedkamerbezoek: de echte vragen en opmerkingen (Wat ’n traag publiek, is dat altijd zo, hoe zit dat nou met dat rtl-licht) hou je toch voor je.

Alles wat ik buiten de deur doe en waar anderen bij betrokken zijn, bezorgt me hoofdpijn, ik kan niet meer tegen drank, tegen rook; en achteraf – of het nou een show van Paul van Vliet is of een trouwerij, of een gewoontebezoek, ook al gaat het op moment zelf niet slecht, functioneer ik volledig en ben ik zelfs uitgelaten – achteraf valt het moeilijk te integreren, te verenigen met het beeld, de beelden die ik van mezelf heb, misschien juist door de uitgelatenheid, die een voorafschaduwing van de vervreemding zou kunnen zijn.