Over Wij zijn licht en Aan doodgaan dachten we niet van Gerda Blees

Door Gerda van de Haar

Toon is alles. Stem, zeggen de Engelsen, voice. Bij Gerda Blees (1985) is dat de lichtheid waarmee aandachtige observaties worden gepresenteerd, de montere intonatie van passages die toch met meer dan gewone empathie geschreven zijn. Het is theater: het idioom van de personages klinkt er direct in door. ‘Ze waren in ieder geval niet cynisch, dat is toch ook wel knap, als je ziet hoe de samenleving in verval raakt’: hier hoor je de buren over de woongroep die centraal staat in de roman Wij zijn licht. De zinnen hebben steeds een eigen ritme en volgen elkaar zonder veel adempauze op. Dat maakt het spannend. In de woongroep is een dode gevallen: hun streven naar een leven zonder eten, puur van het licht, werd een van hen fataal. Blees rapporteert inlevend de idealen, de zweverigheid, de doorgeslagen goede bedoelingen, de morele dwang en alle aarzelingen.

Daarvoor heeft zij een bijzondere vertelvorm gevonden: de wij-vorm. Die keuze blijkt diep te zitten. ‘Ik vind het fijn om vanuit wij te praten’, zei ze maart 2021 tegen NRC-redacteur Thomas de Veen, ‘wij, de woongroep, of wij, mijn man en ik’. De hedendaagse literatuur is wat Blees betreft erg ‘ikkerig’ geworden en doet weinig recht aan de ervaring dat we ons allemaal voortdurend tot elkaar verhouden.

Al in de verhalenbundel Aan doodgaan dachten we niet van vier jaar geleden is een verhaal ‘Kleine mis’ te vinden, over – of beter voor – het vioolspelende meisje Solenelle dat ‘dacht dat ze de orde kon herstellen door vetten af te drijven’. Een wij-stem vertelt het hele verhaal, ‘wij die Solenelles heden, haar verleden en haar toekomst kunnen zien’. ‘Laten we onze aandacht richten op wat mooi is’ lees je dan bijvoorbeeld. Het is ouderwets negentiende-eeuws en experimenteel tegelijkertijd. Die ‘wij’ zijn hier inderdaad ‘wij’, de verteller en de lezers, die samen kijken naar wat zich afspeelt. Niks geks. Maar zodra er staat: ‘Solenelle ligt in het midden en wij draaien om haar heen’, wordt het ongewoon letterlijk. We delen de emoties en praten uiteindelijk samen tegen de dode.

In Wij zijn licht gaat het verder. ‘Wij’ kan iedereen zijn en van alles, niet alleen maar de buren. In elk van de vijfentwintig hoofdstukken is het anders: wij zijn de nacht waarin Elizabeth overlijdt, wij zijn dagelijks brood waarnaar Muriel smacht, wij zijn weerstand die Petrus volgens Melodie nu voelt, wij zijn de ouders of eigenlijk de vader van Elizabeth en Melodie en wij denken rationeel, wij zijn een cello, wij zijn twee sigaretten, wij zijn licht – en dan associeer je dat allang niet meer aan lichtgewicht hoewel dat toch goed van toepassing is, maar is het ‘gewoon’ het morgenlicht dat aan het woord is en waarvan onduidelijk is of Muriel het gebruiken zal voor haar ontsnapping.

Het werkt. Het is allemaal heel vanzelfsprekend. Je luistert steeds naar een andere stem, en in je hoofd komen al die stemmen samen. Er wordt gespeeld met de verschillen, maar ook het totaal doet ertoe. Al die wij’s bij elkaar vormen veel meer dan een ouderwetse alwetende verteller die onder een hoedje met de lezers speelt. Je zit er als lezer midden tussen, je staat nergens boven. Voor wie er gevoelig voor is, is het ook meer dan een toevallig gevonden grappige vorm. Je snapt meteen dat deze ‘wij’ precies kunnen vertellen wat er in mensen omgaat. ‘Wij’ praten ook namens de dingen (wij zijn de plaats delict) en de begrippen (wij zijn de twijfel). Het is misschien een pluralis majestatis, maar niet om grootheid aan te duiden, alleen om namens allen te spreken. Het is een enigszins religieus en onbaatzuchtig ‘wij’, nederig zo je wilt, dat hier soms stem krijgt en op een rustige en milde manier alomtegenwoordig is. Op deze gedachten kom ik door het slotgedicht van de bundel Dwaallichten uit 2018, dat zich goed naast deze roman laat leggen. En tegelijk is het gewoon de vertellersstem opgezet door een schrijver die met voelbaar plezier aan het vertellen is.

Blees begon als taalkundige, gaf les aan de universiteit, deed onderzoek naar Duitsers en Nederlanders die steevast tegen elkaar in hun eigen taal blijven praten, een Nederlands antwoord op een Duitse vraag en vice versa (‘luistertaal’). Ze koos voor de kunsten, bekwaamde zich in het schrijven en zag haar inspanningen beloond met prijzen en een nominatie voor Wij zijn licht. Ook volgde ze de avondopleiding van de Gerrit Rietveld Academie. Daar bouwde ze een machine die de laatste gedachten van stervenden opneemt – zo bezien is het niet vreemd dat hoofdstuk 13 van Wij zijn licht eruit springt, de rouwklacht, het middelste van de vijfentwintig: ‘Wij zijn het lichaam van Elizabeth. Koud zijn we.’

Gerda Blees, Wij zijn licht, 2020 (6e druk 2021) 224 blz., € 21,00; Aan doodgaan dachten we niet, 2017, 153 blz., € 15,00; Dwaallichten, 2018, 63 blz., € 18,00. Het werk van Gerda Blees verschijnt bij Podium te Amsterdam.