• door Cor de Jong •
Dit verhaal verscheen in Liter 118 (september 2025). Cor de Jong is schrijver en werkt in het onderwijs. Zijn laatste roman, De prediker, werd genomineerd voor zowel de Libris als de Boekenbon Literatuurprijs.
Grote verwachtingen
Verhaal
Wij hadden thuis nooit vuurwerk. Mijn vader vond het geldverspilling. ‘Je kunt je geld beter uitgeven aan andere dingen,’ zei hij. Mijn moeder vond het vooral gevaarlijk. ‘Je zet je ogen en je oren op het spel,’ zei zij.
Op het prikbord in de gang, naast de telefoon, hing een tekening van een jongen met een hanenkam, een zonnebril en een hond. ‘En dankzij dat veel te korte lontje, heb ik nu eindelijk een hondje’, stond eronder. Ik begreep het eerst niet. Zelf wilde ik ook wel een hondje. En een hanenkam trouwens, maar dat kon ik wel vergeten. Als ik naar de kapper ging, bestelde mijn moeder nog voor ik iets kon zeggen ‘een scheiding opzij en opgeschoren aan de achterkant,’ terwijl ikzelf veel liever stekeltjes wilde. Mijn moeder legde uit dat de jongen op het plaatje een rotje met een kort lontje had aangestoken en nu blind was geworden. ‘Nu heeft hij eindelijk een hond gekregen, maar dat is een blindengeleidenhond. Die kan hij niet eens zien.’ Een hond die je niet kon zien, maar wel kon aaien was nog altijd beter dan helemaal geen hond, vond ik, al begreep ik dat mijn situatie te verkiezen was boven die van de jongen met de hanenkam.
Robbert de Graaff kwam met knalerwten en trekrotjes naar school en in de pauze gooide hij die tegen de achterkant van de fietsenstalling. Ik deed alsof ik onder de indruk was, maar het geluid viel nogal tegen vergeleken met de knallen die jongens uit de hogere klassen produceerden met hun rotjes en strijkers.
Voor het betere vuurwerk moest je bij de patatboer zijn, wist iedereen. Die kwam iedere zaterdag door het dorp met zijn wagen en verkocht behalve patat en kroketten ook batterijen, zekeringen, gloeilampen, lege cassettebandjes, pick-upnaalden en in de wintermaanden dus ook vuurwerkpakketten, in drie maten: groot, middel en klein. Wat elk pakket bevatte wist niemand; je betaalde gewoon. Erik, de broer van Robbert, had gespaard voor het grote pakket. Robbert vertelde dat iedere pauze en zei er dan bij dat hij mocht helpen afsteken. Andere broers of vaders hadden het kleine of middelgrote pakket en al mijn vriendjes vertelden vol trots wat voor pakket zij thuis hadden. Maarten den Hoedt (die altijd een beetje naar pis stonk) en ik waren de enigen die niet mee konden praten.
Meerdere keren bedelde ik bij mijn ouders om een klein pakket. Tien gulden maar. Dat moest er toch vanaf kunnen? Mijn broer wilde wel zijn spaarpot leeghalen en ik wilde zelf ook meebetalen. Maar mijn ouders waren onverbiddelijk en wekelijks keek ik de patatboer spijtig na als hij weer wegreed nadat hij – naast enkele zakken patat – de nodige vuurwerkpakketten had weten te slijten.
Toch kwam mijn vader daags voor oud en nieuw met vuurwerk thuis. Geen pakket. Het was slechts één losse vuurpijl, maar dikker dan alle exemplaren die ik had gezien.
‘Van Wim gekregen,’ zei hij. Wim was zijn broer. ‘Het is ernstvuurwerk. Afgekeurd, maar het doet het nog prima.’ Aan de blik van mijn moeder zag ik dat ze het maar niks vond. ‘Het is totaal ongevaarlijk,’ stelde hij haar gerust. Ze sputterde niet tegen, maar zorgde er wel voor dat de vuurpijl werd opgeborgen in de kast in de gang, zo hoog dat wij er niet bij konden.
Ik kon van de opwinding bijna niet slapen en eigenlijk vond ik het jammer dat het vakantie was, want ik wilde mijn vriendjes op school vertellen dat wij nu dan toch ook vuurwerk hadden.
Oudejaarsdag kroop voorbij en buiten hoorde ik van tijd tot tijd knallen die, naarmate de middag vorderde, almaar luider leken te worden. Onze oudere buurjongen had een hele voorraad knalvuurwerk en gooide rotjes in waterputten. Zijn zusje stond op een afstandje toe te kijken en gilde na iedere doffe klap. Ik bleef binnen met mijn autootjes spelen en wachtte tot pa thuiskwam.
Ik mocht die avond opblijven, maar dan moest ik wel mee naar de oudejaarsdienst, had ma besloten. De preek leek wel drie keer zo lang te duren als anders en de minuut stilte voor de overledenen van het afgelopen jaar voelde als een kwartier. Terwijl iedereen in de kerk met gevouwen handen en gebogen hoofd stond te wachten tot het orgel ‘Uren, dagen, maanden, jaren’ in zou zetten, klonken er buiten voetzoekers en strijkers.
Thuis aten we oliebollen en keken we televisie tot de grote klok in beeld verscheen die aftelde naar het nieuwe jaar. Om middernacht stonden mijn ouders gelijktijdig op uit hun stoel en kusten elkaar op de mond. Dat deden ze anders nooit. Mijn broer en ik hadden onze jassen al aan om naar buiten te gaan voor het grote moment. Pa haalde de veiligheidsbril uit de schuur, die hij altijd droeg als hij iets moest slijpen met zijn slijptol. De buurvrouw en de buurman kwamen ook naar buiten. ‘Beste wensen,’ zeiden ze om beurten, terwijl ze een hand gaven. Ik dacht dat ze ‘beste mensen’ zeiden.
Mijn broer moest de veiligheidsbril opzetten. Hij mocht helpen met aansteken. Met een mengeling van afgunst en verwachting keek ik van een afstandje toe hoe mijn vader de vuurpijl neerzette, een lucifer afstreek en die aan mijn broer overhandigde. Zelf had hij geen bril opgezet, zag ik, maar ik durfde er niets over zeggen om het moment niet te bederven. De lont brandde. Het duurde slechts een paar seconden, toen zoefde de pijl geruisloos de lucht in, hoger dan ik verwacht had en vormde daar een rode bol.
Er was geen knal, geen sterrenregen, hij spatte niet uiteen. Er waren geen flitsen, er klonk geen gefluit of geknetter. Alleen een rode vuurbal, die eerst feller leek te worden, maar daarna boven het huis bleef hangen als de ster van Bethlehem. Met zijn vieren keken we naar de rode punt, alsof we verwachtten dat deze alsnog in een regenboog van kleur uiteen zou spatten. Er gebeurde niets.
‘Hij doet niet veel,’ constateerde de buurman.
‘Het is ook niet bedoeld voor oud en nieuw,’ gromde mijn vader. Het klonk als een verontschuldiging. ‘Het is voor schepen in nood.’ Hij blies in zijn handen. ‘Ik heb het stervenskoud.’ Hij draaide zich om en ging het huis in. Mijn broer had de veiligheidsbril afgezet en keek beteuterd naar zijn handen, alsof het zijn schuld was.
Mijn moeder legde haar armen om ons heen en gaf ons om beurten een kus op onze kruin. ‘Gelukkig nieuwjaar, jongens.’ Boven ons doofden mijn verwachtingen van het nieuwe jaar langzaam uit, als de askegel van een sigaret.