• door Machteld Siegmann •
Dit verhaal verscheen in Liter 118 (september 2025). Machteld Siegmann is oud-redacteur van Liter. Zij is schrijver van de romans De kaalvreter (2019, bekroond met De Bronzen Uil), Wachter op de morgen (2022) en de verhalenbundel Aloha (2024).
Verlatingsangst
Eerst dacht ik dat ze zich vergist had. Dat de vrouw mij verwarde met Emma. Ze belde ook niet naar mij, maar naar de vaste lijn. We zaten in de woonkamer, mijn vader en ik, het was vijf uur en ik maakte huiswerk op mijn laptop. Boven oefende Emma op haar viool.
Met Kramer. Mijn vader zei nooit zijn voornaam. Wie, zegt u?
Ja, die is hier. Hij keek naar mij alsof hij zich afvroeg of ik wel in staat was tot zoiets als een telefoongesprek.
Voor jou, zei hij toen, en hij wachtte tot ik opstond en naar hem toeliep om de telefoon aan te nemen. Hij had hem op de speaker gezet, ik drukte hem uit.
Met Judit.
Hoi Judit, zei de stem, ik ben een collegaatje van Marjan. Ik zoek voor vanavond een oppas voor mijn dochtertje en ze zei dat jij misschien wel –
O echt? zei ik. Tante Marjan? En toen, snel: Ja, ik kan wel.
Wie is dat? vroeg mijn vader, toen ik had opgehangen.
Een collega van tante Marjan, zei ik. Ze vroeg of ik kon oppassen.
Jij? Hij lachte, maar zei niet waarom.
Mijn moeder kwam binnen. Ze stelde vragen waar ik geen antwoord op wilde geven, maar ik deed het toch. Nee, ik wist niet tot hoe laat, maar het was niet ver. En wat voor iemand het was, moest ze maar aan tante Marjan vragen.
Bel haar nog een keer, zei mijn moeder. Zeg haar dat je om elf uur thuis moet zijn en vraag of ze je thuisbrengt.
Dat kan toch niet? zei ik. Moet die baby dan mee? Ik klapte mijn laptop dicht en kwam overeind. Ik ben geen baby meer, zei ik, maar de toon was niet goed en ik durfde haar niet aan te kijken. Toen ik in de gang was, hoorde ik mijn vader zeggen: Die vrouw moet wel heel erg omhoog zitten.
Het is een kwartier fietsen vanaf mijn huis. Omdat ik te vroeg ben, fiets ik een extra rondje. De vrouw die opendoet, is anders dan ik dacht. Ze draagt een witte blouse en een rok met een ceintuur. De baby heet Lio en zit in een kinderstoel. Vind je het leuk Lio te voeren? vraagt de vrouw. Ik ga naast de baby zitten en houd haar een lepel met prut voor. De baby kijkt me boos aan en draait haar gezicht weg. Gekkie, zegt de vrouw, daarnet was je nog zo vrolijk. Ik voel mijn wangen rood worden. De vrouw zegt: Ze heeft soms last van verlatingsangst. Ik denk erover na wat dat kan zijn. Ik heb weleens gehoord dat angst besmettelijk is. De vrouw vraagt of ik koffie wil. Ik drink nooit koffie, toch zeg ik ja. Ik wil ook melk en suiker en het smaakt smerig.
De vrouw vraagt in welke klas ik zit. De vierde, zeg ik. O echt? zegt de vrouw, je ziet er veel jonger uit. Ik ben vijftien, zeg ik, hoe oud is uw baby? Elf maanden, zegt de vrouw, en zeg alsjeblieft Lauren. Heb je vaker opgepast?
Ik heb nooit eerder opgepast, maar dat zeg ik niet. Ik vertel dat ik leidster ben geweest in het animatieteam op de camping. Dat klopt niet helemaal, ik was alleen gevraagd vos te zijn bij de vossenjacht. Ik was verkleed als spion, ik had twee ronde gaten geknipt in een krant en zat op een bankje bij het hertenkamp. Maar één groepje kinderen had me gevonden, ik had ze moeten roepen anders waren ze me straal voorbijgelopen.
Je hebt geen jongere broertjes of zusjes? zegt Lauren.
Een klein zusje, zeg ik. Ook dat klopt niet. Emma is een kop groter dan ik. Twee weken terug had de buurvrouw haar gevraagd of ze wilde assisteren bij een kinderfeestje. Na afloop had ze vijftien euro gekregen en een doos Merci.
Lauren vraagt of ik meega om Lio naar bed te brengen. Oké, zeg ik. Ze benoemt alles wat ze doet, alsof ik niet weet wat tandenpoetsen is en een luier verschonen. De baby lijkt alles heel leuk te vinden. Tot ze in haar slaapzakje wordt geritst en in haar ledikant gelegd. Eerst kijkt ze verbaasd, dan begint ze te huilen, alsof ze voor de gek is gehouden. Lauren lacht. Ze zegt: Je kunt haar gerust even laten huilen hoor, als dit gebeurt. Na een tijdje wordt ze vanzelf rustig. Toch geeft ze zelf niet het goede voorbeeld. Ze schuift een stoel bij en legt haar hand op de buik van de baby terwijl ze geruststellende dingen zegt. Ik denk aan mijn eigen ouders, die dit heel anders zouden aanpakken. Je kunt van alles over ze zeggen, maar ze zijn in ieder geval consequent.
Ik heb nog een troef, zegt Lauren. Ze loopt naar beneden terwijl ik wacht. Het gezicht van de baby zit vol snot. Ze kijkt naar me alsof ik een monster ben dat vanonder haar bed is gekropen. Lauren komt terug met een zuigfles met limonade. De baby doet haar ogen dicht en begint hard te zuigen. Is dat niet slecht voor haar tanden? wil ik vragen, maar Lauren gebaart me dat ik stil moet zijn en zachtjes sluipen we de kamer uit. Beneden laat ze me zien waar alles is. Er is chips en cola en de tv heeft Netflix.
De bel gaat. Lauren haast zich de kamer uit en komt terug met een slanke, donkere vrouw in een felgroen mantelpak. Waar is Lio? vraagt ze. In bed, zegt Lauren. Ze pakt de hand van de vrouw en zegt: Blijf anders slapen straks, en de vrouw lacht en ze vergeten helemaal dat ik er ben, ik voel me nu net de spion van vossenjacht. Ik ga op de bank zitten, pak de afstandsbediening en doe alsof ik door het filmaanbod scroll.
Red je het zo? vraagt Lauren. Ze heeft lippenstift opgedaan, in haar hand bungelt de autosleutel.
Ik knik.
Bel me als er wat is, zegt ze.
Zodra ze weg zijn, ga ik op onderzoek uit. In de gang hangen foto’s van Lauren en Lio met andere mensen. Ik vraag me af wie de vader van de baby is, of Lauren lesbisch is of bi en of de vader een zaaddonor is. Zelf val ik op jongens, al droomde ik laatst dat ik seks had met de nieuwe lerares Duits. Het is een droom waar ik liever niet aan terugdenk. Ik heb gegoogeld naar seks hebben met een vrouw in je droom al ben je straight en uit het antwoord had ik opgemaakt dat dit soort dromen niet zozeer gaan over seks met iemand anders, als wel over intimiteit met jezelf, in dit geval met je vrouwelijkheid.
Uit de keuken pak ik chips en een blikje cola. Er is een Neflix-serie die ik wil zien, ik heb de eerste aflevering bij een vriendin bekeken. Ik zit nog maar net, of de baby begint te huilen. Gewoon laten gaan, denk ik. Het houdt vanzelf op. Maar dan hoor ik een bons. Ik zet de aflevering op pauze en ga een kijkje nemen. De baby ligt niet meer in het ledikant, maar ernaast, op de grond. O, o, zeg ik. Ik til de baby op en leg haar terug in het ledikant. Ik pak een knuffel uit de vensterbank en zeg met een gek stemmetje dat Lio moet stoppen met huilen en lekker moet gaan slapen. Maar de baby vindt het niet grappig en ik leg de knuffel weer weg. Wat moet ik doen? De baby oppakken en ermee rondlopen? Lauren heeft daar niets over gezegd en eigenlijk beloon ik dan slecht gedrag.
Ik loop de kamer uit en sluit de deur. Beneden zet ik het volume harder. Het valt niet mee mijn aandacht bij de serie te houden. Klonk daar opnieuw een bons? Opnieuw loop ik naar boven. De baby zit naast het ledikant en probeert zich eraan op te trekken, maar het slaapzakje zit haar in de weg. Als ze mij ziet, begint ze nog harder te huilen. Sorry hoor, denk ik. Zonder een woord leg ik haar terug in bed en ga weer naar beneden. Dit herhaalt zich verschillende keren: huilen, gevolgd door een bons, baby terug in bed, enzovoort. Het is doodvermoeiend. Aan de serie kom ik amper toe.
Om vijf over elf word ik gebeld. Het duurt even voor ik doorheb dat het geluid van mijn telefoon komt. Het is mijn vader, hij zegt geen hallo, hij vraagt niet: alles oké? Hij zegt: Wat hadden we afgesproken, zonder vraagteken. Ik had tegen Lauren moeten zeggen dat ik om elf uur thuis moest zijn. Dat ben ik vergeten, nou ja, het is ook raar om te zeggen, elf uur is wel heel vroeg! Hij zegt: Je stelt ons erg teleur. Hij zegt dat ze mij niet kunnen vertrouwen als ik zulke dingen doe. Hij zegt ook: Je komt nu onmiddellijk naar huis.
Dat kan echt niet, zeg ik, ik kan die baby toch niet achterlaten?
Dat is dan jouw probleem, zegt hij. Had je dat maar met die mevrouw moeten afspreken. Bel haar maar en zeg dat je weg moet.
Ik knijp mijn handen dicht en doe ze weer open.
Het gaat niet papa, zeg ik. Ik ben het vergeten te vragen, maar ze komt vast zo thuis, ik weet het zeker. En ik zeg dag en wacht of hij iets terug zegt, maar hij vindt niet dat ik een dag verdien of iets van begrip, ik druk hem weg en voel mijn buik samentrekken van ellende.
Hij belt opnieuw. Boven klinkt gehuil. Ik zet mijn telefoon op stil en kom overeind.
De baby ligt naast het ledikant, maar ik pak haar niet op, ik ga naast haar liggen. Haar gekrijs raast over me heen als een aanzwellende storm. Ik voel haar klamme warmte en de kracht waarmee ze haar lichaampje spant om al haar woede en angst eruit te gooien en ik kijk in het licht van het Nijntje-nachtlampje dat ons koel en blauw verlicht terwijl mijn telefoon steeds oplicht en dooft, oplicht en dooft. En dan wordt de baby stil en komen er van die hoge zuchten want de baby is zo moe, ze heeft zich helemaal binnenstebuiten gekeerd. Ik denk: Dus dit is verlatingsangst. Ik pak het gebalde vuistje van de baby en aai met mijn wijsvinger over de rug van haar handje en langzaam ontspannen haar vingertjes zich en krullen zich om mijn duim.