• door Bert van der Kruk •
Deze recensie verscheen in Liter 116 (maart 2025). Een recensie over Marita Mathijsen, Een vrije geest. Het uitzonderlijke leven van Betje Wolff. Uitgeverij Balans, Amsterdam, 504 blz., € 29,99.
Bemoeial uit de Beemster
Op oudejaarsdag 2023 legt cultuurhistorica Marita Mathijsen de laatste hand aan haar biografie over Betje Wolff. Om 15.47 uur. ‘In tranen.’ De laatste maanden van het leven van de vrijgevochten achttiende-eeuwse schrijfster waren ronduit ellendig geweest. Ze ‘schreeuwde, kermde en brulde’ van de kankerpijnen in haar lichaam. Negen dagen nadat ze in de armen van Aagje Deken was bezweken, stierf ook deze vriendin met wie ze een hecht schrijversduo had gevormd. Aan zinkingskoorts, zei de arts. Nee, aan een gebroken hart, zegt de biografe, die haar pen neerlegt en geroerd is door zoveel dramatiek.
Zoiets mag in een ‘emobiografie’, de term die Marita Mathijsen (1944) gebruikt voor haar beschrijving van het uitzonderlijke leven van Betje Wolff (1738-1804). Veertig jaar geleden verscheen de laatste biografie, maar ja, die was geschreven door een man, en de tijden zijn veranderd. Veel meer dan haar voorganger kruipt Mathijsen in de huid van Betje. Ze gebruikt haar verbeelding, interpreteert en stelt voortdurend vragen. Zou Betjes dertig jaar oudere echtgenoot al zijn tanden nog hebben gehad op het moment van de ontmoeting? ‘Was hij kalend, pruimde hij tabak?’
Mathijsen is vol bewondering voor de vrouw die ze portretteert, maar dat stoort niet. Wat een vrouw! roept ze op een gegeven moment uit. Die jubel neem ik graag over, niet alleen als het om Betje Wolff gaat, maar ook om haar biografe. Mathijsen schreef met kennelijk plezier een heerlijk boek, dat een boeiend leven blootlegt en een interessant tijdsbeeld schetst.
Want wat wist ik nou helemaal van Betje Wolff? Bar weinig, ondanks enkele jaren studie Nederlands. Op weg naar die opleiding fietste ik weliswaar over de Sara Burgerhartsingel en wist ik vaag dat die straatnaam iets uitstaande had met twee stoffige literaire dames, maar dat was het dan. Nooit geweten dat Betje Bekker – zoals ze toen nog heette – zich op haar zeventiende in Vlissingen in een liefdesaffaire stortte die haar op censuur van de Nederduitse Gereformeerde Kerk kwam te staan. Ook nooit geweten dat ze zich wegens laster een paar jaar later genoodzaakt zag de stad te ontvluchten met een 52-jarige predikant die zojuist weduwnaar was geworden. En zo kan ik nog wel even doorgaan.
De straf van de Vlissingse kerkenraad – ze mocht niet meer aan het avondmaal en dreigde te worden ‘afgesneden’ – en het daarop volgende ontsnappingshuwelijk hadden grote gevolgen, betoogt Mathijsen. ‘Haar afkeer van de orthodoxe geloofsgenoten en haar bespottingen van degenen die ze de ‘fijnen’ noemt, zie ik als reacties op haar ervaring met de berispende Vlissingse kerkenraad. Die had haar eer bezoedeld, die moest haar zo nodig onder censuur plaatsen, die had zo aanmatigend over haar geoordeeld.’
De afkeer van orthodoxen kwam tot volle ontwikkeling in Middenbeemster, in haar ‘agressieve periode’. Betje droeg inmiddels de naam van haar man Adriaan Wolff, een brave, verdraagzame en weinig ambitieuze ‘boerendominee’. In de sobere pastorie, die in niks leek op haar statige geboortehuis in Vlissingen, had het linnengoed nog de initialen van de overleden echtgenote. Betje was er in de winter eenzaam, maar stortte zich ’s zomers, als rijke Amsterdammers hun buitenhuizen in de polder betrokken, in het societyleven. Ze gaf zich helemaal over aan lezen en vooral schrijven: gedichten, brieven, verhandelingen, pamfletten.
Het huwelijk bracht niet de zielsverwantschap waarnaar ze verlangde, maar Adriaan Wolff bood haar wel rugdekking. De pastorie werd voor haar een veilig podium om uit te halen naar het zware deel van de kerk – en daarin ging ze volgens Mathijsen verder dan welke andere vrouw ook in haar eeuw. Toen rechtzinnige predikanten in de brand in de Amsterdamse Schouwburg (1772) een straf van God zagen, dichtte Betje: ‘Ontaarde menschen… durft gy wel zo liefdloos wezen? Schynheiligen, hebt gy dan harten hard als staal?’ Vervolgens kreeg ze een hoop bagger over zich heen – waar bemoeit nota bene een vrouw zich mee!? – waarop zij uiteraard weer reageerde. Ook zonder X konden mensen er wat van.
Betje was voor een verdraagzame, verlichte vorm van religie. Ze was de patriotten goed gezind en dus voorstander van democratisch bestuur. Ze was tegen slavernij en de onderdrukking van vrouwen. ‘Wij schrijvende vrouwen worden als onnutte leden van de maatschappij gezien,’ vertaalt Mathijsen. ‘Kunnen wij soms geen dichteressen, schilderessen, wiskundigen en filosofen worden? Willen de heren ons veroordelen tot onkunde of duistere onwetendheid? Een vrouw heeft de vrijheid én de plicht zich te ontdoen van het juk der mannen.’
Als Betje 39 is, overlijdt haar man en rond diezelfde tijd doet Aagje Deken haar intrede. De nieuwe levenspartner heeft als doel Betje een beetje te temmen en dat lijkt te lukken. Het boek gaat vanaf dat moment – we zijn halverwege – ook wat kabbelen, met te veel beschrijvingen van allerlei vriendschappen. Maar dan opeens ontvluchten de vrouwen Nederland vanwege hun politieke stellingname, belanden in Frankrijk waar de revolutie losbarst, raken hun rijkdom kwijt, keren berooid terug in Nederland en gaan ongelezen en roemloos ten onder. Hoezo kabbelen? Weinig andere schrijfsters hadden zo’n noodlottig leven als Betje Wolff, weet de biografe. En nu weet ik het ook, dank je wel Marita.