Ontmoeting met Jon Fosse, jubileumgastschrijver in 2023 |

door Machteld Siegmann

 

|  Over Jon Fosse Het gebruik van eindeloze herhalingen karakteriseert zijn proza. De woordkeus is minimalistisch, de opbouw meandert. Hoewel er maar weinig handelingen beschreven worden, krijg je het gevoel dat er heel belangrijke dingen gebeuren, zonder dat je er de vinger op kan leggen: Jon Fosse (1959) is een Noors schrijver van gedichten, romans, toneelstukken, essays en kinderboeken. Hij schrijft voornamelijk in het Nynorsk, de tweede taal in Noorwegen, die door een minderheid gesproken wordt. Fosse studeerde filosofie, sociologie en literatuurwetenschap aan de Universiteit van Bergen. Na vier romans brak hij in 1989 door met Naustet (Boothuis). Bij toeval ‒ hij was naar eigen zeggen niet zo gecharmeerd van toneel ‒ ontdekte hij zijn talent voor toneelschrijven. Tussen 1992 en 2009 schreef Fosse meer dan dertig stukken, die over de hele wereld zijn uitgevoerd. Vanaf 2009 legde hij zich weer toe op het schrijven van novelles en romans, waarvan er enkele in het Nederlands zijn vertaald. In 2014 ontving hij de European Prize for Literature ‘vanwege zijn krachtige, veeleisende en vernieuwende manier van schrijven in elk literair genre’. De laatste jaren vertaalt hij ook Duits literair werk in het Noors, zoals onlangs Het proces van Franz Kafka.

In Nederland verschenen twee van zijn novelles bij de Wereldbibliotheek (Ochtend en avond, 2005 en Slapeloos, 2010). Daarnaast was Jon Fosse in 2010 hoofdgast op Poetry International. Ook zijn er verschillende toneelstukken in Nederlandse theaters opgevoerd (zoals De nacht, Er zal iemand komen, Ik ben de wind, Moeder en kind). Bij uitgeverij Oevers verschenen in 2020 de twee delen van Melancholie, een roman over de Noorse schilder Lars Hertervig, vertaald door Edith Koenders en Adriaan van der Hoeven. Daarop volgde Septologie, een zevendelig werk dat door Fosse wordt omschreven als ‘langzaam proza’. Het is vertaald door Marianne Molenaar en bestaat uit drie romans: De andere naam, Ik is een ander en Een nieuwe naam.

De Septologie is Fosses grootste werk tot nu toe; alle delen gaan over de schilder Asle en zijn dubbelganger Asle die een parallel leven leidt gebaseerd op andere keuzes (klik hier voor een recensie van Gerda van de Haar in Liter). In oktober 2023 wordt de novelle Winterhanden uitgegeven, waarvan in Liter een voorpublicatie zal verschijnen.

 *

Het is een heldere ochtend in het centrum van Oslo. De hemel is Scandinavisch blauw en in de lucht zit een zweem vrieskou. Met onder de arm wat exemplaren van Liter steek ik de straat over naar café Kaffistova, dat over enkele minuten zal opengaan. Voor de deur staat een man met stoppelbaard en staart die ik meteen herken als degene met wie ik heb afgesproken: Jon Fosse, gastschrijver in 2023 – het jubileumjaar van Liter.

Fosse komt hier vaak, zegt hij, het café is op loopafstand van zijn huis Grottens, een ‘erewoning voor kunstenaars’ op het terrein van het koninklijk paleis, waar hij sinds 2017 woont. Ik volg hem naar een tafeltje achterin, zijn favoriete plek. Doel van het gesprek is kennismaking en een kort interview over zijn schrijverschap.

Ik ben een beetje zenuwachtig, merk ik. Fosses proza kwam zo dicht bij mijn eigen beleving dat ik het gevoel had een tijdlang met een heel goede vriend te zijn opgetrokken, en ik moet mezelf steeds voorhouden dat deze gevoelens niet wederzijds zijn, dat ik niet in de fout moet vervallen Fosses personages te verwarren met hemzelf (wat dat betreft maakt hij het de lezer niet gemakkelijk: na lezing van zijn Septologie is het moeilijk in Fosse geen derde Asle te herkennen). Daarnaast is me vooraf gezegd dat hij niet dol is op sociale verplichtingen, iets waar ik in meevoel, dus het kan alle kanten op. Goddank valt alles mee, Fosse blijkt spraakzaam en toegankelijk, het gesprek verplaatst zich moeiteloos van zijn schrijverschap naar Mark Rothko en van het Noorse koningshuis naar de Australische steppen.

Op een blaadje heb ik wat vragen opgeschreven, ik ben vooral benieuwd naar zijn gedachten over de aard van literatuur in relatie tot religie. Logisch, gezien het aandachtsveld van Liter, nog logischer als je zijn Septologie beziet — ‘Het woord ‘God’ komt soms zo’n tien keer op een pagina voor’ concludeert Sebastiaan Kort in de NRC van 3 maart 2022. En wel in positieve zin; als er getwijfeld wordt, dan niet zozeer aan zijn bestaan, als wel aan de woorden die hem recht doen.

Fosse begon als 12-jarige te schrijven, korte verhalen en gedichten. Het schrijven schiep naar eigen zeggen een veilige ruimte, helemaal voor hemzelf. Zoals veel Noren werd hij gedoopt in de Lutherse Kerk, al behoorde zijn moeder tot de quakers, een groepering die wars is van institutionalisme en gelooft dat God door elk mens ervaren kan worden, als een innerlijk licht. Zelf heeft Fosse zich altijd als een quaker beschouwd, ook toen hij zich op zijn zestiende uitschreef uit het kerkregister en zich een tijdlang atheïst noemde. Voor hem is het schrijven voortdurend verbonden geweest met het goddelijke, met dat innerlijke licht, zonder dat hij daar uitleg aan kan geven. Hij herinnert zich de keer dat hij, op een vraag naar de aard van zijn schrijverschap, tot zijn eigen verbazing antwoordde: ‘Schrijven is als bidden,’ om later te ontdekken dat dit helemaal niet zo’n gek antwoord is; Franz Kafka heeft ooit hetzelfde gezegd. Atheïstisch is hij overigens niet gebleven; een tijdlang noemde hij zich protestants, alvorens zich in 2013 aan te sluiten bij de Katholieke Kerk.

Fosse laat het godsgeloof dus onbekommerd mee-ademen in zijn werk. Daarmee doel ik niet enkel op het gegeven dat elk deel van de Septologie eindigt met een Ave Maria, een Onzevader en een Kyrië, maar ook op wat een van de twee Asle-personages het goddelijke noemt in alles. Een aanwezigheid in afwezigheid, zoals licht in het duister: ‘[…] toen ik op de Kunstschool zat zeiden [ze] dat je nooit met zwart moest schilderen, want dat was geen kleur, zeiden ze, maar zwart, ja, hoe zou ik mijn schilderijen ooit hebben kunnen schilderen zonder zwart te gebruiken? nee, dat begrijp ik niet, want in het donker woont God, ja, God is duisternis, en die duisternis, Gods duisternis, ja, dat niets, dat straalt licht uit […] en al het zichtbare is gewoon zichtbaar, of het nu goed of slecht is, mooi of lelijk, maar dat wat waarde heeft, dat wat oplicht, dat wat licht uitstraalt in het donker, ja, dat is het onzichtbare in het zichtbare’ (De andere naam, p.346-347). Deze uitspraken doen denken aan het werk van Meester Eckhart, de middeleeuwse mysticus die naast Heidegger en Wittgenstein van grote betekenis is geweest voor Fosses schrijverschap. In een van zijn preken stelt Eckhart: ‘[…] leeg en ontdaan zijn van al het geschapene is vol zijn van God, en vol zijn van al het geschapene is afwezigheid van God’* iets waarover ik het graag wil hebben met Fosse. Wat betekent dat leeg zijn voor hem wanneer hij plaatsneemt achter zijn bureau om aan iets nieuws te beginnen? ‘Dat je geen missie hebt,’ zegt hij, ‘geen agenda of vooropgezet plan. Dat je bereid bent je eigen ideeën opzij te zetten en te gehoorzamen aan de stem die je hoort.’ Tijdens het schrijven aan Septologie had hij een sterk besef dat het verhaal er al was, dat het ergens klaarlag, dat hij enkel hoefde te luisteren. Het kwam zo duidelijk naar hem toe dat hij het nauwelijks hoefde na te lezen. De paar keren dat hij aan het redigeren sloeg waren geen succes, het werd er beroerd van, als een slecht dagboek.

Wat deze ontvankelijkheid oplevert zijn prachtige romans vol grote thema’s als kunst, liefde, ouderdom en daar doorheen die aanwezigheid, God dus, in een mate die je bij weinig andere schrijvers terugziet. Omdat ze niet religieus zijn, of zich niet willen branden aan iets waarop voor velen nog een taboe rust. Heb je er moed voor nodig, vraag ik hem daarom, je romans zo te laten doordrenken van religiositeit?’ Zijn antwoord is kort: ‘I don’t give a damn what others think.’ Ik geloof hem, al denk ik ook: makkelijk praten als je verhalen al ergens klaarliggen en je enkel hoeft te luisteren! Hoewel dat vast ingewikkelder is dan het lijkt, want hoe uitputtend kan luisteren niet zijn?

Aan het eind van het gesprek vraag ik Fosse mijn exemplaar van De andere naam te signeren. In het Nynorsk uiteraard. ‘Dank voor het fijne gesprek,’ schrijft hij. Zijn handschrift is beroerd, net als dat van de twee Asles.

 

*Meester Eckhart, Over God wil ik zwijgen; preken en traktaten. Groningen 2014, p. 350