door Gerda van de Haar

Over Jon Fosse, De andere naam, Ik is een ander en Een nieuwe naam |

Nooit eerder zoiets gelezen: negenhonderd bladzijden ritmisch proza dat steeds spannender wordt zonder dat er veel voorvalt. De Noor Jon Fosse (1959), internationaal gevierd toneelschrijver en getipt als Nobelprijswinnaar, keerde recent terug naar zijn oude liefde, de roman. Fosse wil met minimale middelen een zo intensief mogelijke beleving verwezenlijken. Dus gebruikt hij een beperkt idioom en toont hij zich niet bang voor de herhaling. Sterker, repetitie is waar zijn romancyclus Septologie op drijft. Kleine verschuivingen brengen adembenemend veel leven in het langsom prosa van deze zeven-delen-in-drie-boeken. Hoofdpersoon is Asle, een beeldend kunstenaar. We horen hem denken. Asle voert zichzelf steeds kijkende en denkende op:

‘En ik zie mezelf staan kijken naar het schilderij met de twee strepen, één lila en één bruin, die elkaar in het midden kruisen, een langwerpig schilderij, en ik zie dat ik die strepen langzaam heb geschilderd en met dikke olieverf, en die is uitgelopen, en waar de bruine en de lila streep elkaar kruisen is de kleur mooi vermengd en biggelt de verf langs het doek en ik denk bij mezelf dat dit geen schilderij is, en toch is het zoals het moet zijn, het is af, er hoeft niets meer aan te gebeuren, denk ik en ik bedenk dat het vandaag maandag is en ik denk bij mezelf dat ik het schilderij weg moet zetten bij de andere doeken waar ik aan bezig ben’

Het gaat heel langzaam. Het is dichtbij het denkproces, en, zodra er gepraat wordt vol van de herhalingen die alledaagse dialoogjes nu eenmaal bevatten. In het hele boek is geen punt te vinden, Fosse doet alleen aan komma’s. Septologie is op de ademhaling geschreven en door Marianne Molenaar ook overtuigend zo vertaald. De Nederlandse tekst brengt je langzaam in trance. Het mag dan geen toneeltekst zijn, je kunt hem uitstekend voordragen. Terwijl de gestage beeldenstroom tevens geschikt lijkt voor verfilming.

Er gebeurt iets raars, dat bijdraagt aan de spanning. De ik-persoon maakt zich voortdurend zorgen om een alcoholistische vriend die hij ongemeen helder voor zich ziet. Hij moet bij hem langs. Waarom heeft hij dat nog niet gedaan? Die vriend blijkt in alles zijn dubbelganger: hij heet eveneens Asle, ziet er precies hetzelfde uit, maakt (maakte) vergelijkbare schilderijen en deelt biografische details met hem, maar heeft toch een heel ander leven. We merken dat de denkende Asle (‘ik’) vroeger ook flink ingenomen heeft maar nu de drank heeft afgezworen. Denkende Asle heeft een grote liefde gekend, alomtegenwoordig in de hele reeks: Ales. Voor haar is hij ooit katholiek geworden (in het vanouds door en door Lutherse Noorwegen). Drinkende Asle daarentegen kijkt terug op twee verbroken huwelijken en heeft weinig of geen contact meer met zijn drie kinderen. Het leuke is dat deze twee versies van dezelfde persoon echt als vrienden met elkaar optrekken.

Denkende Asle is voortdurend onderweg. Hij rijdt in zijn kleine bestelauto heen en weer tussen zijn ‘fijne oude huis’ in het noordelijk gelegen gehucht met de fantasienaam Dylgja (het woord schijnt ‘verborgen’ te betekenen) en de stad Björgvin (wat middeleeuws Nynoors is voor Bergen), parkeert de auto bij zijn atelierhouder en dwaalt vervolgens door het kleine stadscentrum, waar hij de weg echter niet erg goed vinden kan. Een van de vele gimmicks is dat hij, eenmaal weer per auto op pad tussen stad en gehucht, eventjes de weg af gaat richting het ‘bruine huis’ waar hij ooit met Ales heeft gewoond. Daar ziet hij een jonge man en een jonge vrouw staan, dromerig maar hevig verliefd. Er is een scène bij de schommel en een andere keer een scène in de sneeuw. Asle stapt uit zijn bestelauto om een wandelingetje te doen, komt hen bijna tegen maar zij zien hem niet. Het zijn Asle en Ales. Later zien zij wel een kleine bestelauto langsrijden: hadden zij die net ook al niet gezien? Misschien is het in film wel eens gedaan, zo’n overrealistische flashback, maar in een roman? Het begrip levendige herinnering krijgt er een heel nieuwe betekenis door.

En intussen word je meegetrokken, de beleving van Asle en zijn alter ego in. Hoe moet het verder als drinkende Asle ligt te sterven in het ziekenhuis? Asle de denker heeft subiet geen zin in schilderen meer. Hij heeft een buurman die wat voor hem zorgt, de enige mens met wie hij regelmatig optrekt, en die natuurlijk ook een naam met een A draagt: Åsleik. De man is in veel dingen Asles tegendeel, hetgeen hilarische scènes oplevert. Ze kletsen en ze kibbelen. Maar is Åsleik niet in zijn geheel gemaakt van Asles tegenstem, zo vroeg ik me op enig moment af. Het maakt niet uit, het verhaal is erop gebouwd, en het is nog herkenbaar ook.

Ook de vrouwengestalten worden verdubbeld, op de even etherische als doortastende Ales na. Geen van die andere vrouwen komt echt uit de verf: Asle vermag niet goed tot hun bestaan door te dringen en eigenlijk weet hij dat ook wel.

Minimalistische literatuur is er wel meer. Stream of consciousness is evenmin een nieuw fenomeen. Maar in De andere naam, Ik is een ander en Een nieuwe naam worden beide verschijnselen opnieuw uitgevonden. Er gebeuren vooral heel alledaagse dingen en je maakt ze mee van binnenuit. Het is allemaal gezien en innerlijk beleefd, visioen, denken en binnenkant. Als het toch nog reflectief wordt, is het stamelend. Denkt Asle echt iets stevigs, over de kunsten of over God, dan zegt hij bij zichzelf: wat een dwaze gedachten heb ik.

Al op de tiende bladzijde bedenkt Asle dat hij misschien moet gaan bidden. Dat doet hij dan ook veelvuldig, met rozenkrans en al, tot hij in slaap valt. Je leest het met verbazing, het trage proces waarin hij kraal voor kraal tussen zijn vingers neemt en het Paternoster bidt, in het Latijn en in een eigen Nynoorse vertaling. Of Salve Regina zegt (zingt?), maar dat alleen in het Latijn, het is niet te vertalen, denkt hij. Wat niet geldt voor het Ave Maria, met het krachtige einde ‘nu en in het uur van onze dood’.

Asle heeft op zulke momenten altijd wel even aan zijn schilderijen gedacht, en zelfs dat maakt het spannend. Hij wil iets schilderen wat je normaal gesproken niet kunt zien. Het komt het best tot uiting op een donker schilderij – ‘want in alles wat er is is stilte verborgen, en die stilte dat is de diepste innerlijke kern van alle werkelijkheid, denk ik, en die stilte is Gods scheppende stilzwijgen […] en ik ervaar toch ook dat de zwarte duisternis Gods licht is’.

Dit is een roman die ook een aantal andere schrijvers vermoedelijk wel graag geschreven had: experimenteel, pakkend, innerlijk, mystiek, beschouwend, met onmiskenbaar autobiografische trekken bovendien. Het voelt net zo essentieel als Mystiek lichaam van Frans Kellendonk destijds (1986), of In Babylon van Marcel Möring (1997), of Gilead van Marilynne Robinson (2004). En dat op de schaal van Dostojevski’s De gebroeders Karamazov.

 

Jon Fosse, De andere naam (I-II) / Ik is een ander (III-V) / Een nieuwe naam (VI-VII). Uit het Noors vertaald door Marianne Molenaar. Uitgeverij Oevers 2019-2021, resp. 357/296/241 blz., resp. € 21,95/ € 24,50/ € 22,50. Oorspronkelijke uitgave: Septologien. Det andre namnet / Eg er ein annan / Eit nytt namn (2019-2021)

Dit is een voorpublicatie van de recensie die binnenkort in Liter 106 verschijnt.

Gerda van de Haar is hoofdredacteur van Liter