door Rien Fraanje

De entree van Daan Heerma van Voss (1986) in de letteren mag gerust stormachtig worden genoemd. Hij debuteert in 2010 met de roman Een zondagsman, die behalve een goede ontvangst ook meteen een nominatie voor de Anton Wachterprijs krijgt, de prijs voor het beste debuut van het jaar. Aanvankelijk combineert hij zijn fictie met journalistiek werk. Zo schrijft hij voor De Groene Amsterdammer samen met Daniël van der Meer de interviewreeks ‘Het decennium’, waarvoor zij in 2012 de prestigieuze Tegel krijgen toegekend. Maar ook NRC Handelsblad, de Volkskrant, Vrij Nederland, The New York Times en de Israëlische krant Haaretz publiceren stukken van zijn hand.

Vanaf de publicatie van zijn tweede roman Zonder tijd te verliezen (2012) verschijnen in relatief korte tijd kloeke romans als De vergeting (2013), Het land 32 (2014), De laatste oorlog (2016) en Noem het liefde (2018). Tussendoor brengt hij het reisessay De verlate reis (2015) uit, een verslag van een bezoek aan Auschwitz. De kritieken zijn meestal positief en soms zelfs lovend, al snel krijgt Heerma van Voss het stempel van een beloftevolle stem van een nieuwe generatie schrijvers. Aan het begin van de zomer van 2020 is hij zo’n beetje de eerste schrijver die met Coronakronieken ervaringen met de eerste corona-lockdown uitbrengt.

In het voorjaar van 2021 verschijnt De bange mens. Daarin gaat de schrijver op zoek naar ‘de bron van onze angsten’ zoals de ondertitel vermeldt. In dit boek komen de schrijver en de journalist in Heerma van Voss samen in een boeiende verhandeling over waarom angst ons in zijn greep houdt. De auteur schuwt daarbij ook het zelfonderzoek niet. Want de angsten die hem bij tijd en wijle kwellen, zijn de aanleiding om aan zijn onderzoek te beginnen. Heerma van Voss duikt in zijn familiegeschiedenis en leert dat ook zijn overgrootvader, oma en moeder de last van angst met zich meedroegen en -dragen.

De bange mens plaatst zijn fictie in een nieuw perspectief. De hoofdpersonen in zijn romans zijn namelijk veelal mensen die een bepaalde vorm van levensangst hebben. Ze worstelen met zichzelf, hun huwelijk of in hun relaties met hun dochter, vriend of geliefde. Als ik Daan Heerma van Voss halverwege het gesprek die observatie voorhoudt, zegt hij: ‘Ik denk dat je daar gelijk in hebt; ik heb in zekere zin thematisch toegewerkt naar De bange mens.’

Al tijdens de e-mailwisseling die de opmaat is tot het uiteindelijke gesprek plaatst Heerma van Voss de kanttekening dat hij niet makkelijk over zijn werk praat. Dat blijkt hem er niet van te weerhouden erg boeiend te vertellen. Heerma van Voss spreekt langzaam en weloverwogen, over ieder uitgesproken woord lijkt hij zorgvuldig na te denken: ‘Ik voel zeker de noodzaak om de dingen te schrijven die ik schrijf, ik vind weinig belangrijker dan dat, maar ik voel totaal niet de noodzaak om daarover te praten. Ik snap dat het nodig is, maar ik vind het heel onprettig. Zeker als schrijver van non-fictie word je gedwongen te praten over jezelf, waarbij je moet zeggen wat autobiografisch is en wat niet. Eigen schuld, maar ik vond het lastig dat de gesprekken over mijn laatste boek zo expliciet over mij gingen.’

 

De narcistische epidemie kwam het bindend vermogen van de samenleving niet ten goede. Bindend vermogen hangt namelijk nauw samen met gedeelde normen en waarden. […] Maar dankzij de onstuitbare individualisering raakten onze opvattingen over moraal los van wat ooit de bronnen van onze moraliteit waren geweest. (De bange mens, 2021, p. 185/185)

 

‘Ik moest De bange mens schrijven. De eerste versie van dit boek was eigenlijk een soort encyclopedie met alle kennis die ik over angst had vergaard. Dat maakte het moeilijk leesbaar, de urgentie was niet voelbaar omdat ik volledig afwezig was. Het is uiteindelijk dus persoonlijker geworden, maar voor mij zijn dat niet de interessantste delen van het boek. Voor mij is de vraag ‘Waarom zijn we bang?’ veel belangrijker dan ‘Waarom ben ik bang?’

Hoe we moreel onze weg vinden in de wereld – dus wat goed en wat slecht gedrag is – hing lange tijd samen met oude teksten. Die gaven ons richting en houvast. We konden altijd wijzen naar die teksten en zeggen: zo hoort het. Omdat we niet meer geloven en minder weten over die oude teksten – misschien is het gebrek aan kennis nog wel een groter probleem dan dat we ongelovig zijn geworden – zijn we vanaf de jaren zestig, zeventig onze morele ijkpunten verloren. Dat zie je ook heel goed terug in hoe we met de coronacrisis omgaan. We kunnen de vanzelfsprekendheid van gevaar en dood niet meer aan. We overcompenseren dat in onze poging om controle te krijgen.

In mijn boek verwijs ik naar een onderzoek dat de vraag stelt of jonge mensen in deze tijd nog antwoorden hebben op morele vraagstukken. Wat blijkt: ze weten niet meer wanneer sprake is van ethische dilemma’s, ze herkennen ze niet eens. Ze zeggen in zo’n geval: je moet doen wat goed voelt, je moet je eigen waarheid volgen. Maar waar dat ‘goed voelen’ vandaan komt, weten ze niet meer. Terwijl ik dit zeg, denk ik: wat een conservatief verhaal! En ik ben helemaal niet conservatief. Een conservatief zie ik als iemand die terug wil en denkt te kunnen gaan naar hoe het vroeger was. Maar dat gaat niet. We moeten de nieuwe werkelijkheid als een gegeven accepteren.’

 

Over de complexe relatie tussen religie en angst kun je een bibliotheek volschrijven. Laat ik deze samenvatten met: waar God voor de één een antidotum is tegen angst, vallen anderen juist ten prooi aan godsvrees. God is dus zowel een angsttemmer als een angstmenner. (De bange mens, 2021, p. 126)

 

‘Deze twee zinnen zijn een samenvatting van wat ooit een hoofdstuk van dertig pagina’s was. Daarin onderzocht ik de complexe relatie tussen angst en godsdienst. Daarover heb ik met veel mensen gesproken en veel bronnen geraadpleegd. De helft zei: zonder mijn geloof zou ik doodsbang zijn, mijn geloof is mijn houvast. De andere helft zei: door religie heb ik voortdurend angstdromen over de hel en de duivel. Veel mensen zijn getraumatiseerd door de christelijke lessen over straf die ze in hun kindertijd hebben meegekregen.

Ik had dit hoofdstuk opgehangen aan Pasen en het oude gebruik van de passiespelen. Als je oude Middeleeuwse bronnen leest, wordt duidelijk dat passiespelen vrees moeten opwekken, het is shock and awe, en dat zou uiteindelijk moeten leiden tot een diepe compassie met Jezus. Ik dacht: dit moet ik zelf ervaren. In 2019 was ik in Dordrecht één van de twaalf mensen die tijdens ‘De Passion’ het kruis droeg. Maar uiteindelijk is het hoofdstuk gesneuveld. Juist omdat het onderzoek naar de relatie tussen geloof en angst zo’n dubbelzinnige uitkomst had die ook nog eens vertraagde, heb ik het er uiteindelijk uit gelaten.

Later in mijn boek wijs ik wel naar ontkerkelijking en het wegvallen van een goddelijke vader- of moederfiguur als mogelijke oorzaak voor onze angsten en betoog ik dat ons dat eenzaam heeft gemaakt. Maar ik heb dat niet te groot willen maken, omdat ik wilde waken voor een al te positief beeld van religie. Het is zeker waar dat we met religie het voornaamste anker dat we hadden hebben verloren, maar ik geloof ook dat religie in de loop van de eeuwen verschrikkelijk veel kwaad heeft gedaan. Voor je het weet, wordt mijn betoog verkeerd geïnterpreteerd en lijkt het of ik een pleidooi voor godsdienst houd. Dat is niet wat ik wil. Mijn grootvader van moeders kant was katholiek. Mijn moeder is katholiek opgevoed, maar is rond haar twaalfde haar geloof verloren. Ik ben totaal onkerkelijk en a-religieus opgevoed.’

 

Daan Heerma van Voss (foto: Fjodor C. Buis)

 

 

Net als elke gezonde relatie is het een verzameling van momenten en leemtes. Ik herinner me enkele korte, heldere momenten van pijn of geluk, maar de ruimte ertussen is opgevuld met de stopverf van het dagelijkse. (Een zondagsman, 2010. p. 64)

 

‘Met het schrijven van De bange mens heb ik iets uit de weg geruimd. Er is een tijd voor en een tijd na dat boek. Voor mijn gevoel ben ik niet meer degene die de romans heeft geschreven die voor De bange mens verschenen; ik sta er niet meer mee in verbinding.

Schrijven gaat bij mij om het schrijven zelf, om het proces van taal vinden voor iets waarvan je niet weet wat het precies is. Dat vind ik het mooiste wat er is, dat je iets schept en tegelijkertijd getuige bent van wat ontstaat. Dat is iets magisch, iets alchemisch, niets komt daarbij in de buurt. Alleen als ik aan het schrijven ben, voel ik mij helemaal op mijn plaats. Dan vraag ik mij niet af: Waar ben ik mee bezig? Wie ben ik? Doe ik het wel goed? Dat valt allemaal weg.

Voorheen werkte ik toe naar het eindproduct. Dat is niet meer waar het mij om gaat. Ik ben mijn schrijverschap heel anders gaan benaderen. Publiceren vind ik inmiddels een jammerlijk onderdeel van schrijven. Als je schrijft, val je nog samen met wat je schrijft. Dat is geweldig. Daarna ga je afstemmen en boetseren en dan wordt het steeds minder van jezelf. Een schrijver leest zijn eigen tekst wel vijftig keer voordat het verschijnt. Als je gaat redigeren, kun je uiteindelijk je eigen tekst niet meer zien. Geen enkele tekst wordt daar leuker van. Uiteindelijk ben je gewoon blij dat je ervan af bent. Ik ga minder van mijn werk houden naarmate de publicatiedatum dichterbij komt. Dan kijk je op den duur naar zo’n tekst en denk je: Waarom heb ik hier in hemelsnaam voor gekozen? Kan ik het eigenlijk wel?

Als mijn uitgever zou zeggen: we zorgen ervoor dat je tot het einde toe elke maand genoeg krijgt om te eten, drinken en wonen en jij schrijft gewoon door en hoeft niets te publiceren, dan zou ik dat onmiddellijk doen. Ik heb de laatste jaren manuscripten van romans geschreven die ik nooit heb opgestuurd naar de uitgever. Dat vind ik eigenlijk heel prettig. Er was dan altijd wel iets wat niet werkte. Ik heb nooit gedacht: dit manuscript is fantastisch en ik ga het met niemand delen. Ik dacht altijd: het werkt niet helemaal, maar ik heb geen zin om er weer helemaal in te duiken. Ik heb hier inmiddels een paar manuscripten liggen die dit huis nooit zullen verlaten.’

 

We hadden aan één woord genoeg, een fenomeen dat zinnen op den duur overbodig had gemaakt. Xander en ik trokken met elkaar op zoals dieren dat doen, simpelweg omdat het met z’n tweeën minder gevaarlijk is dan alleen. (Zonder tijd te verliezen, 2014, p. 91)

 

‘Dat klinkt bijna als een bezweringsritueel. In plaats van ‘minder gevaarlijk’ had ik ook avontuurlijker, spannender of rijker of een ander positief geladen woord kunnen kiezen. Maar zo was het hoofdpersonage niet en zo ben ik ook nooit geweest. De keuze van dat woord verraadt veel. En ik denk dat voor veel van mijn vriendschappen gold dat die dienden om mijzelf te behoeden.

Zonder tijd te verliezen is een sterk autobiografische roman. Het is een boek waar ik niet graag op terugkijk. Eigenlijk vind ik het achteraf niet goed genoeg. Volgens mij wist ik nog niet wat ik precies wilde vertellen. Ik denk dat het boek beter was geweest als ik het een jaar had laten rusten en opnieuw had opgepakt en mijzelf de vraag had gesteld: waar gaat het nu precies over?

Ik was echt jong toen ik met Een zondagsman debuteerde. Ik studeerde geschiedenis. Voor mijn studie schreef ik steeds essays die mij eigenlijk niet interesseerden. Het waren imitaties van wat ik dacht dat goede geschiedenis-essays zijn. Ik haalde hele hoge cijfers, maar ik schreef op waarvan ik dacht: dit willen ze horen, nooit: dit wil ik vertellen. Ik ben tijdens mijn studie een onopgemerkte charlatan geweest.

Daardoor ontstond de behoefte om te schrijven over wat ik zelf boeiend vind. Daarop schreef ik iets dat groeide tot een redelijk serieus lang verhaal. Dat stuurde ik naar een uitgever en die zei: dit gaan we doen. Aanvankelijk was ik zo verguld dat er eindelijk iets was dat vanzelf ging. Daarna schreef ik voor De Groene Amsterdammer een interviewreeks. Daarvoor won ik in 2012 een journalistieke prijs. Voor het eerst in mijn leven ervoer ik een hele sterke wind in de rug. Het was een euforisch gevoel. Ik zag het leven als een bron van gevaar en nu ervoer ik voor het eerst in mijn leven iets waarbij gevaar niet leek te bestaan.

Ik denk dat ik Zonder tijd te verliezen schreef om die wind in mijn rug te behouden. Wind werkt alleen als je voor de wind staat, dus ik moest blijven rennen om ervoor te blijven staan en om het te blijven voelen. Ik wist nog niet dat windrichtingen veranderen, dat er soms zijwind is, tegenwind of windstilte. Dat weet ik nu wel. Maar goed, ik was vierentwintig toen ik debuteerde, had nog betrekkelijk weinig meegemaakt. De wereld leek veel warmer en veiliger dan ik altijd had gedacht. Dat gevoel wilde ik gewoon behouden.’

 

Ik voel en bedenk niets wat iemand anders die hier liep niet eerder heeft gevoeld of bedacht. Maar dat is niet erg. De behoefte origineel te zijn in Auschwitz is een vorm van grootheidswaan. De stilte die op 4 mei wordt opgelegd, komt hier van binnenuit. (Een verlate reis, 2015, p. 47/48)

 

‘Als ik Een verlate reis opnieuw moest schrijven, zou ik het precies weer zo doen. Ik vind dit een geslaagd boekje, het voelt voor mij het meest dichtbij. Ik heb helemaal geen onrust gekend toen ik dat schreef. Ik voelde ook niet de druk om de essentie van zoiets onvoorstelbaars als Auschwitz te vangen of te laten zien dat ik me kan verhouden tot de lange reeks van grote schrijvers die hier over hebben geschreven. Het is in die zin een heel bescheiden boek. Het was bedoeld als een klein monumentje voor mijn goede vriend en peetoom Daan de Jong. Ik vind het fijn dat elke lezer nu weet wie hij is. Ik zou de reis ooit met hem maken, maar zover is het nooit gekomen omdat hij overleed.

Na die reis heb ik Een verlate reis in enkele weken geschreven. Ik heb het naar de uitgever gestuurd en schreef: Ik zou het heel fijn vinden als het wordt uitgegeven, maar ik ga er niks over zeggen, geen interviews, geen gedoe. Het verscheen een beetje tussen neus en lippen door. Het werd wel opgepikt en heel mooi gevonden. Maar ik heb daar goddank nooit over hoeven praten. Dat had ik heel ongemakkelijk gevonden, alsof ik aanspraak maak op een verhaal dat niet echt van mij is. Misschien dat het daarom ook zo zuiver aanvoelt: omdat ik het nooit heb hoeven verkopen of zoiets. De structuur van een reis is heel fijn. Dat past goed bij wat ik kan en wat ik wil, met een duidelijk begin en eind en ondertussen ruimte voor uitweidingen.’

 

‘Het gaat erom dat ik bang ben dat ik […] keuzes maak die mijn leven voor altijd veranderen. Daar ben ik nog niet klaar voor. Ik wil alleen maar keuzes maken die niet onherstelbaar zijn.’ ‘Dat recht is voorbehouden aan kinderen.’ (Noem het liefde, 2018, p. 207)

 

‘Jong zijn is: het gevoel hebben dat je keuzes kunt maken zonder dat er echt iets op het spel staat. Als je jong bent en je maakt brokken, dan ruimt iemand anders de rotzooi op. Noem het liefde gaat over een liefdesrelatie tussen een man van begin dertig die iets ouder lijkt dan hij werkelijk is en een meisje van nog geen twintig die zich juist jonger gedraagt. Door het leeftijdsverschil kon ik de verschuivende opvattingen over liefde goed weergeven. Tegenwoordig gaat het niet vaak over ‘geven en nemen’ maar over nemen en etaleren, anderen laten zien wat je hebt. De liefde in dit boek is een illustratie bij wat ik in De bange mens betoog: de vraag ‘Wie moet ik zijn?’ heeft de vraag ‘Wie ben ik zelf?’ verdrongen zonder dat we dat eigenlijk door hebben.

Overigens geldt dat niet alleen voor mensen van twintig. De ik die iets deelt via sociale media is een versie van mijzelf die een bepaald effect teweeg moet brengen. Vijf jaar geleden deelde ik dingen die moesten etaleren dat ik aan het slagen was. Sowieso deel ik heel weinig meer en eigenlijk weet ik ook niet wat posts nu teweeg moeten brengen, misschien wel niks.

In sommige boeken staat een vorm van bravoure die uitspreekt: laat het leven zich maar aanpassen aan mij. Dat heb ik niet meer. Ik denk dat mijn werk zonder die bravoure beter is geworden. Ik heb dat wel eens als verwijt voor mijn voeten geworpen gekregen: dat ik mijn bravoure en mijn zelfvertrouwen ben verloren. Maar voor mij zijn dat twee verschillende dingen. Je kunt ook zeggen: je hebt meer zelfvertrouwen als je geen bravoure meer nodig hebt.

Ik ben helemaal klaar met over mezelf schrijven. Ik wil fictie schrijven waarbij ik niet meer de hoofdpersoon ben. Ik wil het hebben over andere mensen die ik niet dagelijks tegenkom. Hoe dat er precies uit gaat zien, weet ik nog niet. Ik dacht dat ik heel ver was met een manuscript waaraan ik in 2013 begon. Ik heb het inmiddels bijna elk jaar wel een keer herschreven. Volgens mij is dat nu wel af. Maar ik vermoed dat dat zo’n boek is dat het huis niet uit gaat, iets weerhoudt me.

Het volgende verhaal waarmee ik bezig ben, gaat over een familie van vier erg verschillende mensen. Niet mijn eigen familie, wees gerust. Ik kon eerder niet over familieverbanden schrijven omdat ik niet naar families kon kijken zonder dat ik mijn eigen familie zag. Nu kan ik dat wel. Hoe moet je houden van mensen die je eigenlijk niet begrijpt? Het wordt heel anders dan wat ik tot nu heb gedaan. Daar heb ik meer zin in. En die zin, die is leidend.’

 

 

Interview door Rien Fraanje, voorzitter van Liter en tevens redactielid