Honger ervaren door erover te lezen

Door Rien Fraanje

In De canon van Liter wordt een klassieker of een actueel werk uit de literatuur onder de loep genomen. Eén thema springt eruit. De rubriek omvat een introductie en drie gespreksvragen die geschikt zijn voor gebruik op de leesclub en in het onderwijs. 

De Noorse schrijver Knut Hamsun begint zijn debuutroman Honger (in het Noors: Slut) met de volgende woorden: ‘In die tijd zwierf ik met een hongerige maag door Kristiania, die vreemde stad, die niemand verlaat zonder erdoor getekend te zijn.’ 

Kristiania is wat nu Oslo is en Knut Hamsun leefde daar halverwege de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Toen in 1888 de boot waarmee hij vanuit Amerika terug naar Europa reisde Kristiania aandeed, besloot hij niet van boord te gaan maar begon hij zijn ervaringen uit die periode op te tekenen. Het leverde in 1890 een roman op die in 2002 werd opgenomen in de lijst van honderd belangrijkste boeken van de wereldliteratuur. 

Eigenlijk is dat wel opmerkelijk omdat Honger een atypische roman is. Ook Knut Hamsun wees er nadien op dat er geen sprake is van een plot in het verhaal, bovendien maakt de hoofdpersoon nauwelijks een karakterontwikkeling door. in vier delen lezen we over de strijd van de verteller tegen de honger, de pogingen om geld te verdienen als schrijver en de wens om ondanks de voortdurende honger en armoede met trots en als integer mens door het leven te gaan. Deze drie lijnen grijpen natuurlijk ook in elkaar. 

De eerste en meest dominante lijn is de voortdurend aanwezige honger van het ik-personage. Hamsun beschrijft met stilistische precisie hoe allesomvattend honger bezit van je neemt: ‘Ik huilde niet, ik was te moe; volledig uitgeput zat ik daar, zonder in staat te zijn iets te doen, zat er onbeweeglijk en hongerig. Mijn borst was er het ergste aan toe, ik had het gevoel dat de vlammen er vanbinnen in knaagden. Het kauwen op de houtspaanders hielp ook al niet meer; mijn kaken waren moe van dit vruchteloze werk en ik gunde ze rust. Ik gaf me over.’ 

Telkens weet Hamsun een andere formulering of metafoor te vinden die duidelijk maakt hoe pijnlijk honger is. Honger van Hamsun lezen, is honger ervaren. Ik besef nu dat de opmerking van mijn ouders (die ik inmiddels ook naar mijn kinderen maak), ‘Wij hebben geen honger, wij hebben alleen af en toe trek’, een belangrijke waarheid verkondigt. 

De verteller heeft geld nodig om brood te kunnen kopen en daarom probeert hij verhalen te schrijven en verkopen aan tijdschriften, de tweede lijn in het verhaal. Aan het einde van het eerste deel ontvangt hij een brief dat een tijdschrift een verhaal van zijn hand heeft geaccepteerd. Daar is hij euforisch over: ‘Het was alsof er een lichtstroom door mijn borst ging en ik merkte dat ik een zacht geluid slaakte, een zinloze kreet van blijdschap. (…) Ik lachte en huilde tegelijk, zette het op een lopen, bleef staan en sloeg me op de knieën, vloekte in alle toonaarden. (…) De hele nacht door tot het licht begon te worden, liep ik joelend door de straten, verdwaasd van blijdschap en herhaalde: Talentvol gedaan, dus een meesterwerkje, de hand van een genie. En tien kronen!’ 

Dit hierboven beschreven succes is in deze roman uitzonderlijk. In de hierna volgende drie delen is de verteller doorlopend aan het tobben met ideeën voor verhalen, maar hij ontbeert een plek om rustig te schrijven en belangrijker nog: de honger verhindert hem om helder te denken en formuleren. Hamsun beschrijft hoe de honger de ik-persoon in een soort delirium laat verdwijnen van waanbeelden: ‘Ik had duidelijk geconstateerd dat iedere keer als ik een tijdje te lang honger had geleden het net was alsof mijn hersenen stil uit mijn hoofd vloeiden en me leeg achterlieten. Mijn hoofd werd licht en afwezig, ik voelde het gewicht ervan niet langer op mijn schouders drukken en ik had de indruk dat mijn ogen veel te wijd open stonden als ik naar iemand keek.’ 

De roman krijgt een verdiepende laag omdat Hamsun – in wat ik als de derde lijn herken – laat zien dat je eigen brood verdienen en (lichamelijk) goed voor jezelf zorgen niet alleen praktische noodzaak is, maar ook staat voor iets groters dan de bevrediging van een primaire levensbehoefte. Het verschaft je trots en zin. De verteller in Honger is permanent in gevecht met zichzelf over hoe hij ondanks zijn honger en armoede zijn waardigheid en integriteit kan behouden. Er komen mensen op zijn pad die hem willen helpen, zoals een redacteur van een tijdschrift die hem aanbiedt een voorschot te betalen voor een nog niet bestaand verhaal of artikel dat later wel mag komen. Maar trots belet de hoofdpersoon dat aanbod te aanvaarden om daar kort daarna, als hij weer met honger over straat zwerft, enorme spijt van te krijgen. 

Die innerlijke strijd maakt hem onberekenbaar en in het contact met andere mensen soms onredelijk. ‘Naarmate de tijd verstreek werd ik geestelijk en lichamelijk hoe langer hoe verder uitgehold, en iedere dag verlaagde ik me tot nog oneerlijker handelingen. Ik loog zonder een spier te vertrekken, lichtte arme mensen op voor de huishuur en moest strijd leveren tegen zulke afschuwelijke gedachten als het stelen van andermans dekens, en dit alles zonder er spijt aan over te houden of een slecht geweten. In mijn binnenste openbaarden zich rotte plekken, zwarte zwammen die zich uitbreidden.’ 

Knut Hamsun neemt en passant met zijn verhandeling over honger stelling tegen de suggestie – met een impliciete verwijzing naar het bijbelboek Job – dat ‘zijn voortdurende plagerijen’ hem een geloviger mens zouden maken. Het tegendeel is eerder waar, het stemt hem juist bitterder jegens God: ‘Als hij soms dacht me dichter naar zich toe halen of een beter mens van me te maken door me te kwellen in hindernissen op mijn pad te leggen, dan had hij het mis, dat kon ik hem verzekeren. En ik keek omhoog, huilde bijna van hoogmoed en zei hem dat stil in mezelf eens en voor al.’ 

Het boek eindigt als de verteller vrij impulsief zijn diensten aanbiedt op een boot die op het punt staat te vertrekken naar Leeds en daarna naar de havenstad Cadiz in Spanje. Het is een uitweg uit het uitzichtloze leven dat hij in Kristiania leidt. Tijdens de korte stop in Kristiana in 1888 realiseert Hamsun zich hoe schrijnend zijn leven daar was en begint er op de bootreis naar Kopenhagen als een bezetene over te schrijven. Het vormt het begin van een indrukwekkend oeuvre dat hem in 1920 de Nobelprijs voor de Literatuur oplevert. 

In gesprek

Denk

Bent u het eens met de vaststelling in de bespreking dat de hoofdpersoon geen ontwikkeling doormaakt? 

Discussieer

Wat maakt dit volgens u – meegewogen dat er geen uitgewerkte plot in zit – een grootse en belangrijke roman in de wereldliteratuur? 

Overweeg

Met welke beschrijving roept de schrijver volgens u het beste het gevoel van honger op?