• door Désanne van Brederode •
Over Gerda van de Haar, De affectieve plot. Over de vroege romans van Marcel Möring.
Deze recensie verscheen in Liter 121 (juni 2026).
| Daar ligt het boek dan, als een baksteen op tafel. Geen roman, geen biografie, geen hoogst actuele non-fictie over, ik noem nu maar wat, de rol van het christendom in Poetins Rusland en in het Amerika van Trump. Nee, dit is de handelseditie van een proefschrift. Met als titel: De affectieve plot. Over de vroege romans van Marcel Möring, geschreven door Gerda van de Haar. Komt later wel, denk ik.
Want erin lezen stel ik me voor als huiswerk. Interessant huiswerk, daar niet van, maar om er nou warm voor te lopen? Als ik eerlijk ben, heb ik al een beetje spijt dat ik de redactie van Liter heb toegezegd er een recensie over te schrijven. En nog meer eerlijkheid gebiedt me te bekennen dat ik zo’n kwart eeuw geleden wel een paar maal met andere schrijvers, onder wie Marcel Möring, optrad, maar geen van zijn romans las. Ze stonden in mijn toenmalige huis allemaal in de kast. Mijn toenmalige man, Arjan Peters, was en is immers literair criticus: we woonden in een uit zijn voegen barstende bibliotheek. Vol romans waarover ik destijds dus ook al kon denken: komt later wel.
Het was al een hele kunst om toe te komen aan het schrijven van eigen werk, buiten de abominabel betaalde opdrachten en de gedeelde zorg voor onze zoon om. De kraamverzorgster had ooit verzucht, terecht naar mijn idee: ‘Al die boeken… Een walhalla.’ Was het ook. En dan was ze nog niet eens bij onze gesprekken erover, soms tot diep in de nacht. Gesprekken die hij en ik zijn blijven voortzetten, ook nog na de scheiding, gezegend met een alweer ruim volwassen zoon die er niet per se baat bij heeft dat zijn ouders meer dan ‘on speaking terms’ met elkaar zijn. De liefde voor kunst, muziek, poëzie en literatuur overleeft kennelijk alles. Of maakt het laten overleven van schoonheid, zachtheid, dierbare herinneringen aan kleine, alledaagse momenten, sferen en stemmingen mogelijk. Geen mediator of therapie bij nodig. Hoogstens een goed geoefend zintuig voor het wonder dat schuilgaat in de details.
Het was precies dat zintuig, dat we zo zelden terugzagen bij academische literatuurwetenschappers, en ikzelf overigens ook bij filosofen en theologen, die de geschreven en beleefde wereld te lijf gingen met theorieën, structuren, abstracties.
Verpletterend dorre taal, meer letter dan geest. Hoewel Arjan zelf ook Neerlandistiek had gestudeerd, had hij er altijd moeite mee gehad. Ikzelf werd in die jaren wel eens gepolst of ik geen zin had om een proefschrift te schrijven, bijvoorbeeld over het religieuze stadium in het werk van Søren Kierkegaard, maar hoe eervol het aanbod ook klonk: geen haar op mijn hoofd moest eraan denken. Alleen al die voetnoten!
En dan? Dan had je zoiets na jaren van nog meer nachtwerk, van schrappen, herschrijven, van weer nieuwe onderzoeken tot je nemen en verwerken en van heimelijk verdriet om het verbod op verbeelding en creativiteit tot een goed einde gebracht… En dan verdween zo’n promotieonderzoek na de feestelijke dag in een lade of er werd je gevraagd, in het beste geval, er een handelseditie voor een iets groter lezerspubliek van te maken, waarna je gefrustreerd zou moeten vaststellen dat de aandacht ervoor hoogstens een paar weken duurde: want ook op de levensbeschouwelijke ‘markt’ werd de omloopsnelheid nog almaar opgevoerd. Maar het ergste van alles leek me het moment, vermoedelijk al ruim voor de laatste punt, waarop mijn liefde voor Kierkegaards literaire, vaak ook heel geestige spel met stijlen en heteroniemen, zou verdampen – iedere keer dat ik een citaat diende te analyseren binnen een secuur afgebakende context: alsof je een levend corpus onder zware verdoving brengt om er de volgende operatie op uit te voeren, de scalpel fijn geslepen, en het snijden, het fileren, zodanig geconcentreerd, dat je niet eens meer merkte hoeveel bloed er al was weggevloeid, hoeveel levenskracht. Dat nooit.
Wanneer ik aan het einde van de dag de baksteen op tafel toch maar even oppak, met het plan het boek alleen maar een beetje door te bladeren, blijkt ‘even’ een buitengewoon rekbaar begrip. Sterker nog, ook dat wat ik dacht dat een strikt wetenschappelijke aanpak was, of diende te zijn, wordt door Gerda van de Haar subtiel, verbeeldingsvol en toch met uiterste precisie opgerekt, zachter, levendiger, elastischer gemaakt. Ik kan niet stoppen met lezen over de passages in Mörings werk waarin kou, sneeuw en regen betekenis krijgen – niet eens alleen symbolisch, waardoor er een legenda zou zijn aan te leggen als in: dit staat ‘eigenlijk’ voor dat, maar innig verbonden zijn met de waarneming en zelfwaarneming, of liever: de meerstemmige zelfbeleving van een personage.
Van de Haars boek nodigt uit tot herlezen, met heel andere ogen
In ieder hoofdstuk licht Van de Haar weer méér toe wat ze met het (volgen van) de affectieve plot bedoelt, maar zonder te zwichten voor even pretentieuze als kille theorievorming. Integendeel: we zien iemand die werkelijk leeft met en zelfs in een deel van het oeuvre van iemand anders, het werk leest en blijft herlezen, en decors, uitzichten, tijdsbeleving, herinneringen, stemmingen, sferen, verlangens en angsten minstens zo ernstig neemt als de ontwikkeling van de verhaallijn en van de karakters. De beelden, de zintuiglijke impressies en dat wat ze oproepen in de personages, de muziek, het ritme en de stiltes in een verhaal, de ordening of het gebrek daaraan, de chaotisering zelfs: het is geen opvulmateriaal, niet te reduceren tot achtergrond of soundtrack, en zogenaamde slordigheden of regelrechte onmogelijkheden zijn geen omissies van de auteur, nee, ze dragen wezenlijk bij aan de leeservaring en die ervaring gaat boven het lezen uit. Waardoor lezen geen uitgesteld leven meer is, maar geïntensiveerd, vertraagd leven wordt. Zelfs aan al te nadrukkelijk empathisch, zogenaamd inlevend lezen voorbij – want daarin kan een lezer onbedoeld toch vooral op zoek zijn naar al die gebeurtenissen en emoties die o, zo herkenbaar voor hem of haar heten te zijn: ‘Ik moest opeens zo huilen, want het deed denken aan wat ik zelf voelde toen…’ Natuurlijk toont Van de Haar ook voorbeelden van beroepslezers die, wat haar betreft, onvoldoende oog hadden voor de affectieve plot in Mörings werk.
Niet eens om ze de maat te nemen, maar om te tonen waarin hun wijze van lezen afwijkt van de lijn, nee, stroom, die zij zelf volgt. Het is niet eens mindful lezen, maar soulful lezen. Inderdaad blijkt uit de vele citaten dat de romans van Möring zich daar bij uitstek toe lenen. Maar zelf had ik de indruk dat Gerda van de Haar een wijze van lezen aanreikt die we kunnen oefenen bij ieder literair werk, zelfs bij de romans die we allang uit hebben en menen van kaft tot kaft te kennen, aangezien we nog weten hoe de protagonisten heten, wat ze meemaken, in welke tijd en op welke plek en hoe het verhaal begint en afloopt. Van de Haars boek nodigt uit tot herlezen, met heel andere ogen. Om dode letters weer tot leven te wekken en er niet slechts de geest in te hervinden, maar ook het kloppende, bloedende hart. Wonderbaarlijk, maar net die innige, bezielde wijze van lezen, kan je ook zelf zodanig bezielen dat je niet alleen de tijd volkomen vergeet: je vergeet ook dat woorden niet alles zeggen. En dat je niet slechts personages, maar ook de mensen om je heen soms pas leert kennen in hoe ze spreken over de regen buiten, in hun beleving van de temperatuur, in de manier waarop ze bewegen, om zich heen kijken, in wat ze zien en niet zien, horen en niet horen, en in wat ze raakt en bijblijft. Ver weg van de informatieve, therapeutische bekentenissen waarin gezocht wordt naar begrip (en naar oplossingen!) is er ook de alledaagse taal van de anekdote die misschien nergens over gaat, die we al zo vaak hoorden dat we de inhoud ervan kunnen dromen… Maar waarin een unieke ziel zich uitdrukt, zonder enige bedoeling, zonder hoop op een ontwikkeling of uitkomst, maar om de nabijheid zelf. En dit geldt zelfs voor de ziel van relaties zelf – ook als er sprake is van verwijdering, van afstand, dan nog kent die uitdijende tussenruimte een tint, een lichtval, een temperatuur, een stemming, getijdenwisselingen of kleine trillingen, schommelingen.
Wat een kunst, luisterkunst, om van een academisch proefschrift iets te maken dat op heldere fluistertoon zeer heilzaam morrelt aan de beperkende blinde vlekken van de geesteswetenschappen – en gaandeweg het ontvankelijke gemoed ontdooit.
• Gerda van de Haar, De affectieve plot. Over de vroege romans van Marcel Möring. Gompel&Svacina 2026, 473 blz., € 39,90

Gerda van de Haar gepromoveerd