door Bert van der Kruk  
Over Thomas Mann en Koenraad Tinel, Mario en de magiër   |

 

In een kolossale boekhandel in Bremen is wel duidelijk wie op dit moment de grote Duitse schrijver is: Thomas Mann, honderdvijftig jaar geleden geboren in Lübeck. Heruitgaven van al zijn romans en novellen liggen er op hoge stapels, naast talrijke actuele studies over deze ingewikkelde man en zijn even gecompliceerde relaties tot zijn broer Heinrich, zijn zes kinderen en zijn homovrienden. Behalve een vuistdikke verse biografie vindt de literaire liefhebber er ook een quiz over Mann en een Playmobil-poppetje dat de successchrijver moet voorstellen, met in zijn hand een mini-exemplaar van Buddenbrooks. Heel geestig.

Misschien wel de aardigste uitgave in dit jubileumjaar ligt er in Bremen niet bij, maar ja, dat is dan ook een Nederlandse titel. Bovendien betreft het een graphic novel, en daar houden ze wellicht in Duitsland niet zo van. Maar man, man, wat een weergaloze vertolking maakte de Vlaamse tekenaar Koenraad Tinel van Mario en de magiër. In zo’n driehonderd indringende zwart-wittekeningen verbeeldt hij het dreigende, unheimische verhaal waarin Thomas Mann in 1930 het oprukkende fascisme beschrijft. Els Snick zorgde voor de vertaling en adaptatie van de tekst.

Vergelijking met het fascinerende en knap geschreven Duitse origineel (Mario und der Zauberer) leert dat vertaler Els Snick weliswaar veel heeft moeten weglaten – wat niet zo vreemd is voor een graphic novel – maar dat ze voor het overige heel dicht bij de fraaie zinnen van Thomas Mann is gebleven. Haar gelukkig niet al te korte en lekker vertaalde teksten begeleiden op een natuurlijke manier de tekeningen van Koenraad Tinel, die het verhaal met zijn expressieve, soms haast explosieve stijl een eigen draai geeft.

Daar heeft de tekenaar persoonlijke redenen voor. Koenraad Tinel (1934) groeide op in een Gents gezin van overtuigde nazi’s. Zijn vader was lid van Verdinaso, het Verbond van Dietsche Nationaal Solidaristen, en zijn broers zaten bij de nationaalsocialistische jeugdvereniging. ‘In uniform en gewapend met stokken marcheerden ze door Gent,’ zegt hij in de Vlaamse krant De Tijd. Tinel heeft er later met hen nooit over kunnen praten. ‘Ze waren het zogezegd allemaal vergeten, en intussen is iedereen dood. Dat is pijnlijk, daar zit ik nog altijd mee. Wat bezielde die mensen? Waarom waren ze zo overtuigd van hun gelijk? Waar kwam die haat vandaan?’

De sfeer van ‘trommels en vlaggen’ uit zijn jeugd trof hem in de novelle van Thomas Mann. Het verhaal speelt aan de Tyrreense Zee in Italië, in de badplaats Torre di Venere, waar een Duits gezin op vakantie is. Het is eind jaren twintig, het fascisme gedijt in Italië, en de gezinsleden ervaren dat aan den lijve. Ze voelen zich buitengesloten, tweederangs gasten. Het is heet en broeierig, er hangt een naargeestige, vijandige sfeer. Al snel wordt de verteller, de vader van het gezin, duidelijk dat het ‘iets met politiek te maken had, met nationalisme.’

Ondanks vervelende incidenten blijft het gezin in de badplaats. ‘Waren we maar vertrokken,’ klinkt het een paar keer in het verhaal. Thomas Mann bouwt de spanning langzaam op, subtieler dan in de weergave van de tekenaar, die het ongemak en de dreiging al vanaf de eerste pagina’s in donkere tinten en woeste lijnen vangt. Hoe dan ook wil je als lezer en kijker verder, je wilt weten waar dit op uitdraait. Dat blijkt de komst van Cipolla te zijn, een rondreizende magiër die het massaal uitgelopen publiek kleineert en schoffeert. Een enkeling roert zich aanvankelijk, maar de massa pikt opmerkelijk veel van de boosaardige entertainer op het podium, die doorlopend cognac drinkt en agressief met zijn rijzweep slaat.

Cipolla blijkt niet alleen illusionist, maar ook hypnotiseur. Hij manipuleert zijn publiek met demonisch genoegen, brengt mensen in trance en laat ze dingen doen tegen hun wil. Tussen zijn wonderlijke acts door filosofeert hij wat over de wilsvrijheid van de mens. ‘Vrijheid bestaat en wil bestaat, maar wilsvrijheid bestaat niet, want een wil die zijn vrijheid nastreeft is zinloos.’ En over bevelen en gehoorzamen, die volgens hem een onverbrekelijke eenheid vormen. ‘Wie in staat was te bevelen, was ook in staat om te gehoorzamen, en omgekeerd. De ene gedachte lag besloten in de andere, zoals volk en leider in elkaar besloten liggen.’

Het publiek lijkt inderdaad geen vrije wil te hebben, het ondergaat de vernederingen en in plaats van zich te verzetten, moedigt het de magiër juist aan. Niemand vertrekt, ook de bezorgde vader met zijn Duitse gezin niet. Pas nadat ene Mario het lef had op te treden, op fatale wijze trouwens, omdat hij door de illusionist en public vernederd was, verlaat het publiek de zaal, geschokt, maar misschien ook wel met een gevoel van bevrijding. Maar dan zitten we al in de laatste pagina’s – Thomas Mann heeft de spanning erin gehouden.

De tekeningen van Koenraad Tinel worden hier nog indringender, ze spatten van het papier af. Ze tonen zijn persoonlijke interpretatie van een tekst die met de huidige opkomst van extreemrechts uiterst actueel is. Tinel: ‘Alles wat ik erbij heb gevoeld, zit erin. Daarom is mijn stijl zo grillig. De ene tekening is abstract en chaotisch, de andere gedetailleerd en natuurgetrouw, en de volgende compleet zot, à la James Ensor. Daar gaat weinig voorbereiding aan vooraf, het welt spontaan in me op. Ik ga zitten en denk: wat wil je hier vertellen, klootzak? En tsjak, ik begin. Meteen met water en inkt. Ik wil niets verbeteren of uitgommen. Het moet van de eerste keer juist zitten.’

 

 

Thomas Mann en Koenraad Tinel, Mario en de magiër. Vertaald door Els Snick. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam/ Uitgeverij Oogachtend, Heverlee 2025, 336 blz., € 34,99