door Teunis Bunt • 

Over Maarten Buser, Opgeslagen locaties   |

 

De wereld in de gedichten van Maarten Buser is niet gemakkelijk te doorzien. In zijn nieuwe bundel, Opgeslagen locaties, gebeuren er dingen die moeilijk te duiden te zijn, die je ziet vanuit je ooghoeken, die verband houden met elkaar zonder dat je precies weet welk verband dat is.
Veel gebeurt in de digitale wereld. De titel van de bundel verwijst er al naar, maar er wordt ook eindeloos gescrold, er worden foto’s aangetikt, anderhalve levens schuilen achter schermen, er is een bevende cursor, er zijn geruchten dat alles bewaard blijft. Het begint al in het eerste gedicht:

Een toevallig vreemd profiel / deelt jouw laatste schoolfoto, // dezelfde grijswitte achtergrond / waaruit ik kon weglopen

Je ziet de anonieme profielfoto voor je. Het heeft iets verontrustends dat er ‘een toevallig vreemd profiel’ is dat zich bemoeit met je leven. Maar misschien is dat ook wel wat de ‘ik’ wil: ‘Ik wil geloven want dat geeft vorm’. En in een van de gedichten is er zelfs een Hij, met hoofdletter. Maar hoe je je die Hij moet voorstellen, is dan weer minder duidelijk:

Hij zou een lichtgevende rechthoek zijn / Vraag het mij, en ik denk steeds vaker / aan een lap grond, omkaderd door een sloot // waar ik omheen kan lopen, in het midden / een schatkist waar ik tegenaan kijk / Ik weet niet meer wie mij dit laat denken

De lichtgevende rechthoek lijkt op het computerscherm. De Hij blijft op een afstand: je kunt er omheen lopen, maar de schatkist in het midden kun je niet bereiken. En hoe zeker ben je eigenlijk van het beeld dat in je wordt opgeroepen, en waar die gedachte vandaan komt?
Buser heeft niet de zekerheden, maar de vragen, de twijfel. Die houden hem gaande, die laten hem naar de wereld kijken met maar een half begrip, een vermoeden. Ook als er rust lijkt, kan er van alles gebeuren: ‘Onder aangeharkte bladeren slaapt // een wolf’.

Opgeslagen locaties is opgebouwd uit vijf afdelingen (‘Ruwe wereld’, ‘Kijkgeschiedenis’, ‘Ruim’, ‘Generator’ en ‘Eindeloos scrollen’), vooraf, als een soort proloog, is er het gedicht ‘Bol (1)’. In elke aflevering komt er een gedicht voor met de titel ‘Bol’, waaronder ook ‘Bol (0)’. In al die gedichten is er sprake van een ‘jij’ die er niet meer is. Het zou een vader kunnen zijn, maar zoals altijd bij deze gedichten is er ruimte voor andere interpretaties. De bol kan het hoofd zijn, maar misschien gaat het niet om een voorwerp, maar is ‘bol’ een bijvoeglijk naamwoord.

Bol (5)

‘Je was voor mij de eerste die niet langer, / dus begon ik je te extrapoleren / Je bent de vastgeklonken man aan de overkant // geweest, je was een ochtend / degene die me rijles gaf / Je was soms familie, flitslang // op wachtruimdagen / Ik wou dat je weer vlezig was / Je werd al mijn pogingen // tot je ze binnenstebuiten keerde / en wegduwde. Ik wou dat je iemand / was bij wie ik op bezoek ging, // met je afsprak dat je twee keer zou / knipperen als ze je gegijzeld hielden, / kamer verlicht door testbeeld

De aangesprokene is er niet meer en dat was voor de ‘ik’ de eerste. Dus begon hij de ‘jij’ te extrapoleren, om hem (of haar) op die manier aanwezig te houden. Het zijn pogingen om contact te maken, om in contact te blijven, om de aangesprokene niet helemaal te laten gaan.
Maar de afstand blijft, zoals de afstand tot iemand die alleen digitaal aanwezig is. In het gedicht net voor ‘Bol (5)’ tikt de ‘ik’ ‘het gesprek aan zoals / ik even haar arm aan zou raken’. Ook daar is er een poging tot contact, maar het kan niet het fysieke contact zijn. Ook in deze situatie kan iemand niet ‘vlezig’ zijn.

Veel van de gedichten in de bundel geven zich maar moeilijk prijs. Ook de lezer moet zoeken, ziet zinsgedeelten oplichten, heeft zijn vermoedens. Maar misschien is ook een gedicht wel een lap grond met een schatkist in het midden waar je alleen maar omheen kunt lopen, omdat het omkaderd is door een sloot.
Dat is misschien wel genoeg. In alle gedichten proef je de zorgvuldige formulering, de scherpe observatie, maar ook de afstand. Daarbij is het niet altijd duidelijk of de gedichten je op een afstand houden of dat jezelf degene bent die niet genoeg gedaan heeft om de gedichten te naderen. Achter in de bundel is een hele lijst opgenomen met mensen naar wie de gedichten verwijzen. De sporen en beelden zullen zich in de gedichten bevinden, maar zijn moeilijk te traceren.

Doordat de gedichten zich niet zomaar laten vatten, is ook de dichter niet vast te pinnen. Dat is ook wat hij wil: ‘Ik ben het zat om te leven als / een opgeprikte vlinder’. Dit gedicht eindigt met ‘Ik ben een begin / Dat is in orde’.
Dan zal het ook wel in orde zijn als de gedichten zich slechts openen op een kier. Je kunt er doorheen kijken, je ziet een boeiende wereld. Het is een begin.

 

Maarten Buser, Opgeslagen locaties. Vleugels 2025, 64 blz., € 23,95