• door Gerda Blees •
Dit essay verscheen in Liter 118 (september 2025). Gerda Blees is dichter en schrijver. Vorig jaar schreef zij in de Kakkerlakjes-reeks Kom in beweging, een poëtische aanmoediging met het oog op de verkiezing van de Tweede Kamer. In 2022 was Gerda Blees gastschrijver van Liter.
Een opening en niets daarbuiten
Essay
Het zwarte ding is 16 centimeter lang, 7,5 centimeter breed en 0,9 centimeter diep en weegt 242 gram. Als ik met een pen op papier de omtrek van het ding volg, ontstaat er een kader met afgeronde hoeken waarin ik met diezelfde pen ongeveer honderd woorden kan noteren. Trek ik nog zo’n kader, dan kunnen daarin weer nieuwe woorden verschijnen, en zo verder. Zo zou ik kunnen nadenken over het zwarte ding, analoog, zonder mijn zwarte ding te gebruiken, of mijn grijze ding, dat groter is, maar ook een glanzend zwart oppervlak heeft dat licht gaat geven als ik het gebruik. Ik wil even zonder die dingen denken, al weet ik dat ze er uiteindelijk toch aan te pas zullen moeten komen om mijn analoog geproduceerde gedachten naar andere denkers te vervoeren.
Ik kan in het park denken met mijn pen, zittend tegen een boom bij het water, niet helemaal comfortabel, maar het bankje dat ik in gedachten had bleek in de volle zon te staan. Schuin tegenover me, aan de andere kant van het water, zitten een visser en zijn vrouw, allebei zonder zwart ding in hun handen, starend naar het water, ook een donker glanzend oppervlak, maar levender, bewegender. Een fuut duikt op en duikt weer onder. Een vliegtuig vliegt over, hoog genoeg om er niet zenuwachtig van te worden, het gras ruist.
Al een tijdje probeer ik mezelf te bevrijden van het zwarte ding. Ik heb regels gesteld – geen e-mail lezen op het zwarte ding, het ding op gezette tijden in een la leggen, routes thuis op mijn computer opzoeken – en ze weer losgelaten, want ik ging op vakantie. Het zwarte ding weet altijd de weg. Het kan foto’s maken, berichten versturen naar reisgenoten aan de andere kant van een beregende camping, betalingen verrichten, muziek afspelen. Het bewaart zwart-wit geblokte rune-tekens die andere zwarte dingen kunnen lezen, zodat je gratis Zwitserse musea kan bezoeken en in treinen, bussen en boten kan zitten. Met het zwarte ding kan ik ’s avonds nog snel een e-mail versturen die niet later dan morgen verzonden had moeten zijn.
Dus wat is het probleem? Precies dat: dat ik niet meer zonder lijk te kunnen. Ik wil dat het ding me helpt, maar zonder me gevangen te houden. Ik wil dat het me de weg vertelt zonder dat ik Google voed met data over waar ik ben, ik wil iemand een vraag kunnen stellen zonder langs tien vragen van anderen aan mij te moeten scrollen, met als gevolg dat ik de vraag die ik zelf had vergeet. En ik wil vooral – ik wou, zou ik bijna zeggen, ik wou, ik wou, en dan kwam de toverfee, net als vroeger op televisie, die fee die door Loes Luca gespeeld werd en de wensen van de ik-wou-zeggers altijd veel te letterlijk interpreteerde – ik wou dat het zwarte ding niet zo veel voor me betekende, dat ik hem niet zo vaak als fopspeen zou gebruiken, het eerste wat ik pak als ik me ongelukkig voel, om mijn ogen op schermlicht en mijn geest op willekeurig welke informatie te laten sabbelen.
Op een boeddhistische retraite heb ik een verhaal gehoord over een wensvervullend juweel. Ik was van plan geweest geen apparaten met lichtgevende schermen te gebruiken bij het nadenken over het zwarte ding, maar voor het juweel heb ik een kleine uitzondering gemaakt, de verteller van het verhaal een bericht gestuurd met het zwarte ding om te vragen in welk boek ik het juweel terug zou kunnen vinden. Binnen vijf minuten had ik antwoord: Boeddha’s dichterbij. Ik bestelde het boek, betaalde met het zwarte ding. Vanochtend lag het boek op mijn deurmat. Nu zit het in mijn tas, die naast me in het gras staat. Er zit ook een boek over machines in en een verzamelbundel van Wislawa Szymborska waar een gedicht over de hemel in staat. Dat gedicht heb ik eerder al opgezocht, er steekt een boekenlegger uit de bundel met de verduidelijkende tekst: ‘U bent hier’.
‘Hiermee had ik moeten beginnen: de hemel. / Een raam zonder vensterbank, kozijn of ruiten. / Een opening en niet daarbuiten, / maar wijd open.’ Ik weet niet zeker waarom ik dacht dat ik dit gedicht moest hebben om over het zwarte ding na te denken. Misschien door dat beeld halverwege: ‘Een ding dat in de afgrond valt / valt van hemel in hemel’. Dat past bij hoe ik soms het zwarte ding ervaar, als een afgrond waarin ik val, van de ene wereld in de andere, al zou ik die werelden geen hemels noemen. Terwijl dat in alle eerlijkheid wel is waar ik uiteindelijk heen wil, de hemel, of in boeddhistische termen: verlichting, complete bevrijding van het lijden. En zou het kunnen dat ik denk dat het zwarte ding me bij die hemel weghoudt, door mijn verlangens te voeden, mijn aandacht op te slokken, onder de streep meer verlichting weg te nemen dan toe te voegen, met zijn altijd beschikbare kortetermijnvervullingen die de grote, ultieme vervulling aan het zicht onttrekken? Maar Wislawa zegt in al haar wijsheid: ‘De scheiding tussen aarde en hemel / is niet de juiste manier / om aan het geheel te denken.’
Zo kom ik bij het andere boek in mijn tas, dat geen poëzie bevat maar filosofie. Alles is een machine, heet het, want volgens de schrijver, Arjen Kleinherenbrink, zijn alle dingen, niet alleen zwarte dingen, maar ook levende mensen en bloemblaadjes en huiswerkinstituten, machines: actieve entiteiten die ieder op hun eigen manier inwerken op alle andere dingen. Maar voor hij dit idee begint uit te leggen, zegt hij al iets belangrijks over dualisme, een woord dat ik altijd losjes interpreteerde als verwijzend naar het idee dat dingen altijd óf dit óf dat zijn. Aarde of hemel. Arjen zegt het zo: ‘De dualist stelt dat de hele realiteit onderworpen is aan één of slechts enkele dingen waaruit alles kan worden afgeleid.’ Daar zit inderdaad een ‘dit of dat’ in, maar ook een hiërarchie, waarbij ‘alles’ ondergeschikt is aan de ‘enkele dingen’ waar alles uit wordt afgeleid. En dan schrijft hij een zin die bij mij licht tussen de dingen door laat kieren: ‘Het is ijdele hoop om nog een actief opperding te lokaliseren waarvan de volledige diversiteit aan popsterren, satellieten, doodsangsten, laboratoria, condooms, tulpenbollen, voetbalelftallen, geheimen en bontkragen slechts een passieve afspiegeling zijn.’
Dat hebben poëzie, filosofie en boeddhisme, op hun best, met elkaar gemeen: ze laten ruimte ontstaan. Een versleten beeld, maar ik kan geen ander beeld vinden dat beter aansluit bij wat er gebeurt als ik zoiets tot me neem: de dingen in mijn hoofd, de voorstelling die ik heb van wat ze zijn en hoe ze in elkaar grijpen, laten een klein beetje van elkaar los. Er komt licht tussendoor, en lucht. Mijn borstkas wordt ruimer, mijn keel opent zich.
En ik begin buiten de getrokken kaders in mijn tekenblok te schrijven. Mijn gedachten passen niet meer binnen de omtrek van een of meer zwarte dingen.
Ik wou, ik wou dat ik dat vaker had.
Natuurlijk is het wensvervullend juweel bij Vessantara, de westerse boeddhist die Boeddha’s dichterbij geschreven heeft, een zandkorrel. Hij heeft William Blake gelezen, een populaire dichter onder de westerse boeddhisten tussen wie ik me begeef, met zijn wereld in een zandkorrel. Maar traditioneel hoort het juweel bij de archetypische boeddha Ratnasambhava, de boeddha van rijkdom en voorspoed. Een vrijgevig figuur, die vaak wordt afgebeeld met de ene hand geopend naar de wereld gevouwen en de andere hand voor zijn buik, met daarin het wensvervullend juweel, dat symbool staat voor de bodhicitta, ‘het mededogen dat ons aanspoort om de verlichting te bereiken voor alle levende wezens’.
Niet degene die ontvangt, maar degene die wil geven, die de hemel niet alleen maar voor zichzelf wil maar voor iedereen, is dus de oneindig rijke. Je wou, zegt Ratnasambhava, dat je niets meer wou, en alle andere wezens met jou. Ha. De anderen. Ruimte. Licht.
Ik pak het zwarte ding uit mijn tas, het gewicht voelt goed in mijn hand. Hallo, zwart ding, zeg ik, en mijn eigen vervormde gezicht kijkt terug.
Ik had besloten dat het ding macht had en dat ik die macht moest bedwingen. Alsof het het een of het ander was. Het ding de baas over mij, of ik de baas over het ding. Terwijl we twee dingen zijn die zich op allerlei manieren tot elkaar kunnen verhouden. Nu bijvoorbeeld, nu ik in de juiste ontvankelijke stemming ben, kan ik zien hoe in het oppervlak het middaglicht tussen de zwarte bladeren van een in werkelijkheid groene boom wordt weerkaatst. Het golft een beetje aan de randen. Ruimte. Lucht.
Het zwarte ding is hemel noch aarde, het is een ding onder de dingen. Een uitzonderlijk ding, met alle mogelijkheden die het biedt – mogelijkheden die ik in wijsheid moet gebruiken en waarbij ik de verborgen machtsverhoudingen die erachter zitten niet moet onderschatten, het lijden dat daardoor wordt veroorzaakt, lijden dat ik zou moeten adresseren, voor mezelf en anderen – maar overschatten wat het zwarte ding nu, in elk moment, met mij kan doen, hoeft evenmin. Ik kan altijd besluiten over de randen van mijn zelfgemaakte kaders heen te schrijven, een stap te zetten in de richting van de hemel: ‘Een opening en niets daarbuiten, / maar wijd open.’