• door Derek Meijers •
Deze recensie verscheen in Liter 116 (maart 2025). Een recensie over Weersomstuit en 80 andere klimaatgedichten, Ria Borkent en Alfred Valstar (red.). Uitgeverij Anderszins, 124 blz., € 25,00.
Hij was van groene pudding, bloot en nat
Al zeker zolang het klimaat in crisisstemming verkeert, zijn er dichters die met de bange hoop gedichten schrijven tegen wassend water, stormwind en bosbrand. De dichtbundel Weersomstuit en 80 andere klimaatgedichten, samengesteld door Ria Borkent en Alfred Valstar, biedt een rijke verzameling van eenentachtig gedichten over klimaat, natuur en vooral de relatie tussen mens en dier, de aarde en haar bewoners.
Als onderwerp zit klimaatverandering in de – zeer – gepolariseerde hoek. Maar de samenstellers hebben van Weersomstuit geen pamflet gemaakt. De lezer blijven moraliserende regels bespaard. Van de vier afdelingen, Het weer, Natuur, Vervuiling, Licht is alleen het voorlaatste negatief. Er is juist vooral plaats voor verwondering en beschouwing. Voor overpeinzing en hoop. De dichters sporen je aan om scherp naar de natuur en jezelf te kijken. Zoals Hilbrand Rozema in ‘Het paard’:
Vreemd roerloos zoals paarden / soms verstenen: boekensteunen / bijna. Voorhoofden neigend lang / en benig, leunend tegen / lucht hele dagen.
Weersomstuit bundelt de gevoelens, perspectieven en ervaringen van verschillende auteurs in de vier harmonieuze afdelingen. Alle schrijvers geven blijk van een enorme liefde voor de wereld, de mensen, de dieren, de bomen, bloemen en planten. Liefde die, zoals zo vaak, gepaard gaat met zorgen. Die bezorgdheid krijgt op vele pagina’s vleugels, zoals in ‘Dagroos voor een leven’ van Lenze L. Bouwers:
Bekijk de dagroos in de zomer / om de kinderlijke verwondering / niet te doven in de wintertijd. / Wat is de mens? / Een momentopname, / bloesem op Gods akker
Dat de mens niet alleen is, klinkt overal krachtig door. We zijn niet aan onszelf overgelaten. Dat stemt hoopvol. Daarnaast moeten we rekening houden met de wereld om ons heen. Rekenschap geven van onze invloed op het leven van wereldse metgezellen die zo te lijden hebben onder onze onnadenkendheid. Doe goed en breng de moed op om moeilijke keuzes te maken. Doe het voor die ander, voor de weerloze schoonheid van die eerste vlinder. Zoals Henk Knol lijkt uit te drukken in ‘Vlugschrift’:
Verdrogers van het waterschap in uw geborgde / zetel: dit afgewaterd land vergeelt. Want kwel // nam af en kloven lopen door de bedding van / uw sloten. Nog zaaien ingelanden mengsels // in de berm, maar van vlinders rest alleen de naam / die met het stipwerk van hun vleugels al lyriek // was, Gods zachte poëzie: zandoogje, atalanta, / klein geaderd witje.
De veelstemmigheid van Weersomstuit biedt een ritmisch geheel van liefdevolle gedichten waarin je wordt uitgenodigd voorbij je eigen leven en gedrag te kijken. De afzonderlijke gedichten zijn samengebonden in een elegant boeket waarin grillige distels de wulpsheid van een boterbloem nog mooier uit laten komen. Zoals het wonder van de kikkers in ‘Amfibisch’ van Liesbeth Goedbloed:
Hij was van groene pudding, bloot en nat. / Hij had twee bleke handjes om zich mee te krabben / en wangen, als ballonnen opgeblazen. /Hij liet aanstellerige boertjes, / hij moest zich zien te redden /met zijn kouwelijke ziel.
Grady van den Bosch heeft de bundel prachtig geïllustreerd. Nu Weersomstuit weer in de kast staat, borrelen vanzelf belangrijke vragen op. Zullen we, als we oud worden, kunnen vergeten wat we tijdens ons leven zijn verloren? Hoe verhoudt ons eigen handelen zich tot de andere bewoners van deze kwetsbare wereld? Als individuen onderhouden we een heel eigen band met de aarde. Tegelijkertijd hebben we individueel en gezamenlijk een verantwoordelijkheid naar de zwakkeren, de aan ons overgeleverde stemlozen in de lucht, op het land en in het water. Zijn we onnozel genoeg om de aardbol stuk te gooien? Zullen we door hem met kracht worden afgeworpen? Of kunnen we er – nog – voor kiezen de aarde te bewonderen en te eren met goede zorgen? Zoals in ‘Zonnebloem’, van Robert Roth:
Dichtbij de aarde hoor ik / ze zoemen, de hommels, / de bijen, en rennende / pootjes van eekhoorns, / ze eten je zaden, vlinders / zijn vinders van rust op / jouw hart en vogels doen / zich aan jou tegoed. Dichtbij / de aarde kijk ik naar jou. Je /reikt naar de hemel en volgt / waar de zon staat. Je / wijst me waar licht is, bent / bron van mijn vreugde.