• door Levi Jacobs •
Sytse Jansma is dichter en beeldend kunstenaar. Hij publiceerde twee dichtbundels in het Fries. Zijn werk kenmerkt zich als exotisch, beeldrijk en experimenteel. Met zijn poëzie zoekt hij vaak cross-overs met andere kunstvormen: muziek, theater en beeldende kunst. Rozige maanvissen is zijn debuut in de Nederlandse literatuur. Voor speeldata en locaties van de voorstelling Rozige maanvissen zie www.sytsejansma.nl.
In Liter 119 (half december) gaat Levi Jacobs in gesprek met Sytse Jansma. We publiceren hier het beginfragment voor.
‘Iets lichamelijks heilig maken, zonder te idealiseren’
Toen ik Sytse Jansma (1980) een jaar geleden voor het eerst hoorde voordragen, maakte dat diepe indruk. Het publiek viel stil. Nu, in een café in Amsterdam, spreken we over zijn poëzie. Zijn enthousiasme is aanstekelijk. Opgewonden en gebarend springt hij van de ene naar de andere dichter, strofes citerend uit eigen en uit ander werk. ‘Poëzie begon voor mij bij de Vijftigers: Remco Campert, Jan Hanlo. Maar met name Lucebert. Ik las het en begreep er weinig van, maar juist dat prikkelde me. Ik wist dat er een code was die ik kon kraken, dat er iets besloten lag in de gedichten dat ik kon achterhalen. Die uitdaging gaf me energie. Wat ik heb meegenomen is die liefde voor spielerei, voor de melodie in de woorden.’
Sytse Jansma schrijft zowel in het Fries als in het Nederlands, en is beeldend kunstenaar. In 2008 bracht hij de dichtbundel Wa’t tate seit moat ek whisky sizze uit, en in 2015 volgde As nomaden yn tinten teplak / als nomaden in tenten terecht, een tweetalige poëziebundel. In januari 2024 verscheen bij uitgeverij Atlas Contact Rozige maanvissen, een bundel over het verlies van zijn geliefde. Dit werk – zijn Nederlandstalige debuut – werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs 2024 en de Poëziedebuutprijs 2025 en is genomineerd voor de Herman de Coninckprijs 2025.
‘De bundel bestaat uit vier cycli van elk twaalf gedichten: ‘lichaam I’, ‘lichaam II’, ‘post’ en ‘hiernamaalsvariaties’. Elk deel vormt een moment in het rouwproces en dat is ook terug te zien in de taal, die van het concrete en directe naar het extatische, spelende toe beweegt. Ik merkte dat ik in de eerste periode gewoon moest opschrijven wat ik voelde, dat het alledaagse overweldigend genoeg was, hard en rauw. Gaandeweg werd het alledaagse draaglijker en ontstond de ruimte om er poëzie van te maken. Pas toen kon ik taal vinden die het draaglijk maakte, zonder de betekenis te verzwakken. De vierde cyclus, ‘hiernamaalsvariaties’, staat symbool daarvoor. Het is het moment waarop ik mezelf weer een beetje terugvind. Na de stilte, het verdriet, de afstand, komt het spel terug. De spielerei, het plezier. Het getal twaalf in elk hoofdstuk suggereert het voortdurende verloop van tijd – de maanden, de uren, de seizoenen. Er zit structuur in, maar ook beweging. Vier keer twaalf: vier cycli van een jaar, een proces dat doorgaat, steeds opnieuw.’
Aan de hand van citaten uit Rozige maanvissen vervolgen we het gesprek.
*
dat dit tot de mogelijkheden behoorde, / konden we weten toen we aan elkaar begonnen
‘lichaam I’, 1.
‘Dit besef kwam pas achteraf: het verlies ligt in de liefde al besloten. Natuurlijk wéét je dat het eindig is, dat de dood ergens rondwaart, maar je houdt er nooit werkelijk rekening mee. Ik was vijfendertig, zij tweeëndertig. De dood was iets abstracts, iets voor anderen. En dan opeens is het er. In die zin is dat eerste gedicht bijna een schuldbekentenis: hadden we het kunnen weten? Misschien wel. Misschien niet. De liefde veronderstelt een blind vertrouwen, een niet-willen-weten. Toen ik ging schrijven, begon ik daar: bij dat ongeloof, bij het harde binnenkomen van wat niet te bevatten was.’
ze hebben je gebracht, regelrecht / uit het vrieshuis, op een bed, een offertafel
‘lichaam I’, 4.
‘Dat moment was onwerkelijk. Ze was donor, heel bewust, en er was geen twijfel over dat ze dat wilde. Maar de ervaring van het lichaam daarna – leeggehaald, koud, stijf – was iets wat ik niet had kunnen voorzien. Je neemt afscheid van iemand en even later van een lichaam dat niet langer haar lichaam, maar materie is.
Het moment waarop ik haar lichaam zag, voelde vreemd heilig, bijna religieus. Dat beeld van de offertafel kwam vanzelf. Ik moest denken aan het schilderij Bewening van de dode Christus van Andrea Mantegna; Christus onder een wit laken, gezien vanaf de voeten. Ik zag ineens hoe het sacrale en het aardse elkaar raakten. Haar lichaam was getransformeerd – niet meer intiem, niet meer nabij, maar verheven, afstandelijk, heilig. En juist daardoor werd de afstand ondraaglijk.
Toch gaf het donorschap ook troost. Haar organen hadden vijf mensen het leven gered, onder wie een kind.’