door Menno van der Beek  
Over Jon Fosse, Ales bij het vuur   |

 

Dit is geen dik boek van de vroegere gastschrijver van Liter alsmede de Nobelprijswinnaar van 2023 – voor de afwisseling, waarschijnlijk, want Jon Fosses magnus opus Septologie beslaat zeven delen, uitgewerkt in drie boeken van elk honderden pagina’s. De stijl van Ales bij het vuur doet denken aan Septologie, komma’s en vraagtekens ja, punten en hoofdletters vrijwel niet. Ook hier lijken de namen van allerlei hoofdpersonen zo op elkaar dat het wel een teken zal zijn. En de inhoud doet denken aan Ochtend en avond, een ander kort werk van Fosse: de haast bezwerende combinatie van alledaags taalgebruik en voor de hand liggende conversatie met magisch-realistische taferelen, tijdlijnen en werelden die door elkaar lijken te lopen en samenkomen, vlak achter de voordeur van de lezer.

Voor een indruk van de leeservaring een wat langer citaat uit dit verhaal, te vinden op pagina 18:

ook hij stond vaak zoals zij nu zichzelf ziet staan, ook hij stond toch zo voor het raam, zoals zij nu zichzelf ziet staan, tot hij verdween, voor altijd verdween, stond hij daar vaak zo voor zich uit te staren, en het donker buiten voor het raam was zwart en hij was nauwelijks te onderscheiden van het donker daarbuiten, of het donker daarbuiten was nauwelijks van hem te onderscheiden, zo herinnert ze hem, zo was het, zo stond hij daar, en toen zei hij dat hij een tochtje op zee ging maken, denkt ze, maar nooit, of bijna nooit ging ze met hem mee, de zee was niet voor haar, denkt ze, en misschien had ze vaker met hem mee moeten gaan?

Strak volgehouden, de hele vertelling door, deze stijl, en al moet de lezer er misschien even aan wennen, het is alsof Fosse – en met hem de fijngevoelige Vlaamse vertalers Vanhee en Maertens – een ritme weet te vinden, zo dat de eigenaardigheden niet meer opvallen, meer nog, dat de naadloos van de ene in de andere persoon overvloeiende gedachtestromen de lezer meenemen het verhaal in, om het van alle kanten maar vooral vanuit de hoofdpersonen zelf, nu en een paar generaties terug, mee te maken. En dan wordt het verhaal bijna vanzelf tragisch, ontroerend en beeldend tegelijk.
Een pittig citaat van een andere, stilistisch begenadigde schrijver is hier misschien op zijn plaats, ‘Er is niets tegen geoudehoer, zolang er maar Gods zegen op rust,’ schreef Gerard Reve in een brief aan Nop Maes in 1983, en al is die kwalificatie van de volksschrijver van weleer zeker te ongenuanceerd voor deze even vaardig als poëtisch getimede gedachtestroom, het is enigszins relevant: als men het kabbelen zo precies weet te beheersen als Fosse hier doet, als de lezer zich mee laat wiegen, dan gebeurt er misschien wel een klein wonder.

Zoals al gezegd, de vertaling lijkt de magie vastgehouden te hebben. Alleen betekent de titel in het Noors waarschijnlijk ‘Dit is Ales’, naar een later in het verhaal opgevoerde hoofdpersoon, zie verder ook Asle en Ales uit de Septologie, en in het Nederlands is dan het vuur, dat zeker ook een rol speelt, de titel binnengekomen. Moest misschien van de afdeling marketing. Kleinigheden, natuurlijk, het is een geheel eigenzinnig geschreven klein meesterwerk.

Durft Fosse dit haast experimentele boek uit 2004 nu aan het publiek te laten zien omdat de Nobelprijs, en waar moet hij daarna nog op hopen, toch al binnen is? Nee, want hij schreef dus al geweldig toen hij nog niet voor de hoogste lauweren genoemd werd. En gelukkig mag hij het blijven doen, en misschien kan alleen hij dit wel met deze middelen voor elkaar krijgen. Tellen we het uitbrengen van dit vroegere werk voorlopig als een ereronde, die op zich alweer een medaille waard is.

 

Jon Fosse, Ales bij het vuur. Vertaling Sofie Maertens en Michiel Vanhee van Det er Ales, 2004. Oevers 2025, 100 blz., € 19,00