door Leendert van der Sluijs

 

Hoogmoed, hebzucht, gulzigheid, de negatieve klank van zulke woorden 
is als een onheilspellend geëcho, alsof ze met elkaar corresponderen, 
en dat doen ze natuurlijk ook. Ze leunen achterover en laten als uit één mond
het woord luiheid horen, met een gapende leegte. En ze tellen af tot zeven.
Hoogmoed begint: één ben ik, ga aan alles wat hierna komt vooraf, en wellust
zal mij bij de arm nemen, want wij rekenen met niemand dan slechts onszelf.
Maar luister nu naar hebzucht. Ja, zegt hebzucht, als nummer twee. Wij geven
elkaar de hand. Is wellust de derde man van Greene, jaloezie is wat ons drijft
– die wil als vierde, terwijl ook gulzigheid een plek opeist. Wij geven toe aan jaloezie
en zie, gulzigheid de vijfde, zij wordt quintessens: hoogmoed en hebzucht, ze kennen
geen maat.
Nu alles echoot, hoogmoed rijmt op hebzucht, en gulzigheid ten laatste
luiheid wordt, naar haar aard zichzelf genoeg als de rode gloed van een open haard,
zal ten zesde woede zich roeren: al het heftig rood van jou laat mij blauwblauw.

 

Liter 108 – 114 hebben de zeven hoofdzonden tot thema: hoogmoed, hebzucht, wellust, jaloezie, gulzigheid, woede en luiheid