Door Raymond Carver, vertaald door Astrid Staartjes

Als ongelovigen zijn we hier deze ochtend 
aangekomen met een lege maag
en een leeg hart.
Ik vouw mijn handen open om hun stompzinnige
gesmeek te beëindigen, maar
ze beginnen te druppelen
op de stenen.
Een vrouw naast me glijdt uit
op diezelfde stenen, stoot
haar hoofd in de grot.
Achter me legt mijn lief met de camera
alles tot in het kleinste detail
op kleurenfilm vast.

Maar kijk nou!
De vrouw kreunt, staat langzaam op,
hoofdschuddend: ze zegent
diezelfde stenen terwijl wij ontsnappen
door een zijdeur.
Later spelen we de hele film keer op keer
af. Ik zie de vrouw alsmaar weer vallen
en opstaan, vallen en
opstaan, terwijl Arabieren vuil kijken
naar de camera. Ik zie mezelf de ene 
na de andere pose aannemen.

God, ik zeg u
ik ben zonder doel hier
in het Heilige Land.
Mijn handen rouwen in dit
felle zonlicht. 
Ze lopen met een dertigjarige man
langs de kust van de Dode Zee
heen en weer.
Kom, God. Vergeef me mijn zonden.
Te laat hoor ik dat de camera loopt,
alles vastlegt.
Ik kijk in de lens.
Mijn grijns verandert in zout. Zout
waar ik sta.