Door Stevo Akkerman

– Voordracht van schrijver en journalist Stevo Akkerman op 23 juni 2021 bij de presentatie van het boek ‘Primo Levi na God’ van theologe Joyce Rondaij (voorheen verhalenredacteur van Liter)

Een paar jaar geleden bezocht ik de Portugees-Israëlietische synagoge in Amsterdam, ook wel aangeduid als ‘de Snoge’. Ik trof er een oudere man, die me vertelde dat de synagoge een ankerplaats was in zijn leven, de bevestiging van zijn plaats in de geschiedenis, hier, op deze plek, in de wetenschap dat dat niet vanzelf sprak. ‘Ik zat ondergedoken, ik heb het overleefd, maar de rest van mijn familie is vermoord.’ 

Vijftig jaar lang was hij lid was geweest van het bestuur van de orthodox-joodse gemeente.

‘Gelooft u in God?’ vroeg ik hem.

‘Welnee,’ zei hij.

Hij kwam voor de traditie, uit historisch besef en saamhorigheidsgevoel. En vooruit, voegde hij na enige aarzeling toe, toch ook uit enige twijfel. Misschien bestond er ergens toch een hogere macht.

Joyce Rondaij noemde haar boek Primo Levi na God, wat toch weer neerkomt op ‘God na Auschwitz’ – de grote kwestie. Groter nog dan ‘God na Lissabon’, oftewel de aardbeving van 1775 die het godsbesef van velen al had doen schuiven en schudden: waar was hij toen wij hem nodig hadden?

Wat mij bij Rondaij weer trof, is hoe Auschwitz ons alle existentiële, religieuze en theologische vragen in hun meest naakte vorm voor de voeten gooit; er is geen ontsnapping. Al helemaal niet als het Primo Levi is die deze vragen stelt: hij was compromisloos in zijn behoefte bloot te leggen wie de mens is, ook als die mens spreekt van een God. En dan formuleerde Levi ook nog eens ongenaakbaar lucide.

Aan het feit dat Auschwitz alles op scherp stelt, valt niets af te doen. Tegelijkertijd bestaat het gevaar van trivialisering als we het Lager te vaak of te snel van stal halen. De vernietiging van het Europese jodendom – nee, van de Europese joden – leent zich niet als metafoor voor het lijden dat elk mens uiteindelijk ten deel valt: er is wellicht in ieders leven een Lissabon, maar er is zeker niet in ieders leven een Auschwitz.

Dit neemt niet weg dat het onmogelijk is theologie te bedrijven – al is het maar als mens die naar de sterren kijkt – zonder Auschwitz erbij te betrekken. Rondaij beschrijft hoe ze met een gezelschap kerkgangers Levi’s Is dit een mens bespreekt – tot haar verbazing brengt niemand het geloof ter sprake. Als ze tenslotte vraagt waarom dat zo is, zegt een jonge vrouw dat als ze ‘als gelovige na zou denken over Levi’s boek, er niets overeind zou blijven van haar geloof, en het leven te moeilijk zou worden’. Een juist en verstandig antwoord. Over sommige dingen moet je niet nadenken als je je verstand niet wilt verliezen. 

Voor Levi zelf was deze optie echter niet weggelegd, hij zat in het Lager en ondervond hoe de ene mens de andere mens kon reduceren tot stof of as, zonder dat een hogere macht ingreep – daar moest hij het mee doen. ‘Auschwitz bestaat,’ zegt Levi, ‘daarom kan God niet bestaan.’ Vervolgens, zo laat Rondaij zien, grijpt hij veelvuldig terug op de taal van de religie om te beschrijven, misschien ook te begrijpen, wat hij heeft gezien. Hier Kaïn, daar Job. Hier chaos, daar schepping. Hier het einde van elk gebod, daar de opdracht ‘te bedenken dat dit geweest is / Ik beveel u deze woorden / Grift ze in uw hart’ – Levi’s versie van het Sjema, het centrale joodse gebed.

Rondaij benadrukt terecht dat het verkeerd zou zijn van Levi een religieus mens te maken omdat hij put uit de erfenis van de religieuze taal. Haar boek vraagt wat de theologie van Levi kan leren, niet andersom, postuum. Toch kan ik het, zelf onzeker over wie of wat God zou kunnen zijn, niet laten op te merken dat er een geloof is dat aan de vraag naar zijn bestaan voorbijgaat. Ik denk aan wat de beroemde theoloog Gerard Reve zei: ‘Bestaan? Bestaan? Ach jongen, dat heeft God helemaal niet nodig.’ Of anders aan John Caputo, die in zijn Theology of Perhaps stelt dat ‘God does not exist, but insists’.

Zelf heb ik in mijn boek Donderdagmiddagdochter beschreven hoe juist Auschwitz mij op het spoor zette van God, al viel er over die God verder niet veel te zeggen. Je kunt alles relativeren, dacht ik, maar Auschwitz niet, Auschwitz is altijd het kwaad, nooit iets goeds. En dit besef leek me te wijzen naar iets absoluuts, iets van buiten: ‘Als dat niet zo is, als het gaat om een opvatting die wortelt in de mens zelf, terwijl de mens een willekeurige samenklontering van cellen is, dan hebben we het over een interessant idee, maar zonder eeuwigheidswaarde. Dan kun je er ook anders over denken, als de toevallige constellatie van jouw toevallige cellen je dat toevallig ingeeft. Adolf Hitler dacht er anders over.’

Als Primo Levi de teloorgang van de Auschwitz-gevangenen beschrijft, heeft hij het over ‘niet-mensen, in wie de goddelijke vonk is gedoofd’. Ze zijn ‘tot de bodem toe omlaag gegleden’. Dat was voor Levi de grootste misdaad van de nazi’s: ze beroofden hun slachtoffers van het leven, maar daarvoor al van hun mens-zijn. En deze ontmenselijking uitte zich in de onmogelijkheid een moreel wezen te zijn, er was in het Lager geen onderscheid meer tussen goeden en kwaden, alleen nog tussen verdronkenen en geredden. De nazi’s vernietigden de moraal – wat in elk geval betekent dat er zoiets als een moraal bestaat, anders kon het niet vernietigd worden.

Vernietigden ze ook God? Inderdaad. De God die door het gordijn tussen aarde en hemel heen stapt om op het laatste moment het kwaad voor zijn geliefden weg te nemen. Als in de barak de oude Kuhn God dankt omdat hij niet geselecteerd is voor de gaskamer, concludeert Levi dat Kuhn niet wijs is. Ziet hij naast zich niet Beppo de Griek liggen, die twintig is, en wél naar de gaskamer gaat? ‘Als ik God was,’ zegt Levi, ‘zou ik Kuhns gebed uitspuwen.’ Het is een dubbele oorvijg. God bestaat niet, en als hij wel bestond zou hij toch niet degene zijn die jou uit de mierenhoop van de verdronkenen zou redden.

Binnen de theologie – of sommige theologieën – probeert men zich na Auschwitz een andere God voor te stellen, kwetsbaar, machteloos, onaanwijsbaar. Een heilige vreemde, noemt Rondaij deze God in haar boek. Ze behandelt natuurlijk veel meer dan ik hier aan kan stippen, maar laat ik zeggen dat de voorstelling van een God die zich ontledigt om ruimte te geven aan zijn schepping mij wel wat lijkt. Het schijnt dat ik daarmee zelfs de kabbala volg, dat is niet niks.

Eigenlijk, dat besefte ik al langer, moet ik hoognodig naar Turijn. Er is daar, schrijft Rondaij, een Piazetta Primo Levi, en dat plein ligt voor de synagoge, het schurkt tegen het heiligdom aan. Rondaij noemt het een tussenruimte: ‘Tussen de straten van de stad en de tempel, tussen de religieuze en de seculiere wereld.’ Op dit tempelplein of pleintje ‘komen het heilige en het profane samen, maar kunnen ze niet worden vastgepind, grenzen worden bevraagd en nieuwe betekenissen gecreëerd’.

Misschien zou ik me er wel thuis kunnen voelen.