door Len Borgdorff, 17 november 2016

 

Iedereen vindt het een prachtig gedicht, Every Riven Thing en daarom moet de maker ervan, Christian Wiman, het die middag in Kampen vooral voorlezen. Ik doe daarna de vertaling die Menno van der Beek ervan maakte. ’s Avonds, aan tafel, komt het gedicht weer ter sprake. We zijn met z’n zessen, drie van ons eten mosselen. Willem Jan Otten, een mosselman, vraagt Wiman, voor hem geen mosselen, wat het woord ‘riven’ nu precies betekent. Zelf zou hij voor kiezen gebroken, ‘a riven heart… a broken heart.’ Dat zou kunnen, vindt Wiman, maar 'riven' is… Hij denkt na en concludeert dat 'riven' vooral 'riven' betekent. Het is een ook in het Engels zelden gebruikt woord, zegt hij om ons te troosten, passend in een bijbels context.

 

De twee theologen in het gezelschap zijn geen mosseleters, dus zij kunnen zonder eerst hun handen af te vegen naar hun mobieltje grijpen. Via een concordantie moet het woord zo te vinden zijn. Het is een prachtige avond, want er ging een prachtige middag aan vooraf, het gezelschap is aangenaam, we vinden een woord in een gedicht een kwestie van mondiale betekenis, en zo hoort het ook te zijn, en wij mogen ons ongegeneerd met onze vingers aan de mosselen te goed doen. ‘Alleen dat al is een reden om mosselen te eten,’ zegt Willem Jan. Hij blijft bij 'gebroken' als vertaling voor 'riven'. Ik vind het door Menno gebruikte ‘gespleten’ markanter, maar ook wat hard en eenzijdig van betekenis. Maar Wiman zou ‘split’ of ‘cloven’ ook wel aardige synoniemen vinden. Wiman is namelijk niet alleen een goede dichter, hij is ook inschikkelijk.  Toch blijft  ‘riven’ het beste woord. Ach ja, we zijn in Kampen, maar ook daar hoeft een verschil van inzicht de eenheid tussen broeders niet te verstoren.

 

De theologen intussen kunnen het woord niet in een concordantie vinden. Trouwens, de regel waarom alles draait in het gedicht in kwestie is: ‘God goes belonging to every riven thing he’s made’ en daarvan is niet de crux dat ene woordje maar de wisselende betekenis van deze telkens herhaalde reeks van woorden.

 

EVERY RIVEN THING

Lees gedicht

 

EVERY RIVEN THING  (2010)

 

God goes, belonging to every riven thing he’s made

sing his being simply by being

the thing it is:

stone and tree and sky,

man who sees and sings and wonders why

 

God goes. Belonging, to every riven thing he’s made,

means a storm of peace.

Think of the atoms inside the stone.

Think of the man who sits alone

trying to will himself into a stillness where

 

God goes belonging. To every riven thing he’s made

there is given one shade

shaped exactly to the thing itself:

under the tree a darker tree;

under the man the only man to see

 

God goes belonging to every riven thing. He’s made

the things that bring him near,

made the mind that makes him go.

A part of what man knows,

apart from what man knows,

 

God goes belonging to every riven thing he’s made.

Menno maakte daarvan dus een vertaling die mijn bewondering afdwong.

 

ELK GESPLETEN DING

Lees vertaling van gedicht

 

ELK GESPLETEN DING

 

God gaat, voor elk gespleten ding dat hij maakte

blijft over het simpele zingen en het zijn

van elk ding wat het is:

de steen, de lucht, elk ding,

de mens die zingt en vraagt waarom

 

God gaat. Voor elk gespleten ding

betekent dat stormen van vrede.

Denk aan de atomen in de steen,

hoe een man daar zit, alleen,

proberend de stilte in zichzelf te vinden waar

 

God voor gaat. Elk gespleten ding dat hij maakte

kreeg precies één schaduw

exact op maat voor het ding zelf:

onder de boom een donkerder boom,

onder de mens de enige mens om te zien dat

 

God gaat voor elk gespleten ding. Hij maakte

de dingen die hem dichterbij brengen en

de geest die hem wegstuurt.

Al weet de mens waar hij van afziet,

afgezien van wat de mens weet,

 

God gaat voor elk gespleten ding dat hij maakte.

 

Tussen onze mosselen door vertelt Willem Jan dat hij ook een vertaling van het gedicht op zijn bureau heeft liggen, maar dat hij er niet goed uitkomt: die verschuivingen binnen de herhaalde eerste regel maken het erg moeilijk. Vanwege de mosselen, bevalt het woord ‘gespleten’ me steeds beter. Ik eet liever gespleten dan gebroken mosselen. De schelpen staan open, uitnodigend, alsof zij het zeediertje als  een hostie aanreiken. Dat soort associaties krijg je als je mosselen eet in vroom gezelschap terwijl er een gedicht door je hoofd zingt waarin God altijd herkenbaar en steeds weer iets anders aanwezig is.

 

Twee dagen later komt het gedicht weer ter sprake, nu in Amsterdam. Marjoleine de Vos veronderstelt dat Wiman wel heel lang met dit gedicht bezig moet zijn geweest. Maar Wiman zegt dat hij het gedicht in één beweging heeft geschreven. Er was een melodie en een cadans en daarmee kwam het gedicht tevoorschijn. Daar valt niet tegenop te vertalen. Ik stel me een lading schelpen voor die op de vloedlijn achterblijft, een gedicht in einem Guss, zogezegd.

 

De woorden van Wiman zingen intussen al weken door mijn hoofd, bij alles wat ik zie. De bladeren vallen van de bomen en ik mompel ‘God goes, belonging to every thing he’s made.’ De zon valt op het geel en rode blad. Ik zing dat God daar gaat, en dat elk deel van elke splinter van elk ding zijn wezen moet bezingen, simpelweg, door er te zijn. Een soort zingend geloven. Met deze vertaling ben ik trouwens best tevreden: ‘deel van elke splinter van elk ding,’ de eenheid van klank bevalt me wel. Maar om daar ook nog Wimans syntactische trucjes mee uit te halen, voert te ver. Zou dichten eigenlijk makkelijker zijn dan vertalen? En scheppen, is dat dan ook makkelijker dan onderhouden?

 

Christian Wiman, Every Riven Thing, Farrar, Straus & Giroux, 2011.

http://www.onbeing.org/program/christian-wiman-a-call-to-doubt-and-faith-and-remembering-god/extra/every-riven-thing/7552

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter