door Len Borgdorff, 24 juni 2016

 

De titel van elk stukje in deze serie is een citaat uit een gedicht. Daarmee gaat Len Borgdorff vervolgens vrijelijk aan de slag.

 

Het regent. De bus staat wat langer stil bij de halte dan ik gewend ben. Er stapt niemand in, maar er komt pas iemand uit als ik, op de fiets, naar binnen kan kijken. Er plopt een zichtbaar opgeluchte vrouw naar buiten die zich blijkbaar met moeite de uitgang wist te bereiken. Ik zie een volle bak achter haar en ik moet spontaan grijnzen om de gezichten van lachende scholieren. Die lach zal ongetwijfeld met de bevrijde vrouw te maken hebben.

Liever kletsnat in de regen, dan vloeibaar worden in dat rollend gevaarte naast me, denk ik.

 

De bus trekt nog schokkerig op en je hoeft geen fantasie te hebben om voor je te zien wat dat voor gevolgen heeft voor de staande passagiers. Gelukkig maar dat er niemand in stapte. Soms, als opmars of als afronding van een flinke wandeltocht neem ik de bus en laveer dan met mijn rugzak in de hand naar een plaats. Nare momenten zijn dat.

 

De bus rijdt verder van Utrecht naar Maarssen en ondertussen vraag ik me al fietsend af of het nu Rob Schouten is die daar ooit een gedichtje over schreef of Anton Korteweg. Korteweg, besluit ik. Het is van Korteweg. Een gedicht als beeld van het lot dat iemand kan treffen in het leven, want het heette 'Zo'. En eindigt het ook met ‘Zo.’

 

Zo

Lees gedicht

Zo

 

Zoals je, optornend tegen het op-

trekken van een streekbus, je

schrapzettend, schuddend, zwalkend,

zwaaiend met armen en tas, be-

landen moet waar je neerploft. Zo.

 

Intussen neem ik vrolijk en kletsnat de afdaling van een brug waarvan ik, afgeleid door de bus, niet eens gemerkt heb dat ik er tegenop gefietst ben.

 

Anton Korteweg, Geen beter leven. Gedichten. Meulenhoff, Amsterdam 1985.

Submit to FacebookSubmit to Twitter