door Gerda van de Haar, 22 september 2015

 

[Onderstaande bespreking is een voorpublicatie uit Liter 80; dit nummer verschijnt eind september 2015.]

 

De recente verschijning van De brieven van Frans Kellendonk (1951-1990) was een mooie aanleiding om Mystiek lichaam (1986) maar weer eens te lezen, zijn belangrijkste roman. Kellendonk gaf het boek de ondertitel Een geschiedenis mee. Die aanduiding slaat niet alleen op de vertelling over Leendert, de homoseksuele ‘Broer’ die van begin tot eind jaloers is op zijn zus Magda omdat zij de exclusieve aandacht van vader Gijselhart heeft en bovendien zomaar een kind baart. Dat laatste is iets dat Broer als man niet zal kunnen en waar hij gezien zijn seksuele praxis extra ver van verwijderd dreigt te raken. Die rasechte baarmoedernijd in combinatie met gepraktiseerde homo-erotiek en inclusief het noodlot van de aids, vormt inderdaad een hele geschiedenis. Uit alles blijkt echter dat hier ook een condition humaine wordt gepeild. In dat opzicht is het eveneens ‘een geschiedenis’, zij het geen eenduidige.

 

Binnen de roman duikt de figuur van de Geschiedenis op, als personificatie, met een hoofdletter. Zij voelt zich pas thuis als er kinderen komen, als haar voortbestaan geregeld is. Van homo’s moet ze niet veel hebben, die spuugt ze uit. Waarmee de ziekte die aangeduid wordt met een ‘bizar letterwoord’ een uitvinding van de Geschiedenis lijkt te zijn. Dit soort pijnlijke zelfspot van de schrijver – Kellendonk was homo, Broer is min of meer zijn alter ego – maakt het boek zo sterk. De schrijver verkent de homoseksuele positie tot in alle uithoeken. Op seksuele ruimtevaart gaan is het, laat hij Magda schamperen. Het vooroordeel van de kinderlijk jaloerse, zich miskend voelende ‘nicht’ wordt in dit boek niet ondergraven maar op alle manieren bevestigd. Leendert krijgt niet wat zijn zusje wel krijgt (onder andere de aandacht van de vader) en werkt zich muurvast in het afreageren van deze jaloezie op degene die er de aanleiding voor was. En hij heeft door dat hij dat doet. Dat laatste is – opnieuw – wat het verhaal spannend maakt. Zonder dat Broer zich overigens op enige manier van die jaloezie vrij weet te maken en dat maakt het boek realistisch.

 

Het blijft een prachtig boek, al moet je bestand zijn tegen een flinke dosis misogynie. Die maakt Mystiek lichaam tot een superrealistische ervaring voor elke vrouwelijke lezer, wellicht al te aanstekelijk voor de mannen. Zelfs antisemitisme krijgt stem (vader Gijselhart, Magda zelf) als de vader van Magda's kind joods blijkt te zijn.

 

Al deze niet erg gangbare formuleringen en invalshoeken maakten Mystiek lichaam direct bij verschijnen controversieel. Door literair geschoolde critici werd Kellendonk aangesproken op de visies van zijn personages, totdat er een zekere consensus ontstond in het zo ironisch mogelijk opvatten van het hele boek. Hoewel ironie een erg grote rol speelt en het boek even polyfoon is als een roman van Dostojewski, weet ik toch niet of Kellendonk de diverse gedachtenlijnen niet veel serieuzer uitprobeert dan de ‘ironici’ zouden willen. Kellendonk werkt naar mijn idee met vileine zelfspot, een beetje zoals Arnon Grunberg dat kan. De historische controverse over het lezen van Kellendonk kreeg een onverwacht vervolg tijdens een symposium over zijn werk juni 2015 aan de Leidse Universiteit. Daar werd door sommigen voorzichtig Kellendonks conservatisme voor het voetlicht gehaald, wat door anderen meteen werd bestreden. Het gebeurde naar aanleiding van de verschijning van zijn brieven. Die verschaffen inderdaad verdere helderheid op dit punt.

 

Tegen de banvloek van de schrijver in zijn deze brieven, vijfentwintig jaar na zijn vroege dood, bijeengebracht door Oek de Jong en Jaap Goedegebuure. Met Oek de Jong was Frans Kellendonk bevriend. Het is bijzonder om Kellendonk in een brief razend enthousiast te zien reageren op Cirkel in het gras van De Jong. Veel passages hebben hem diep geëmotioneerd, laat hij weten, zeker die over het huwelijk van de hoofdpersonen. In vele andere brieven, aan zowel zijn vaste kring van mensen als meer zakelijke relaties, moppert Kellendonk erop los, over ontwikkelingen in de cultuur, vaker over derden en heel regelmatig over de aangeschrevene zelf.

 

In de brieven van de jonge Kellendonk staan weinig details, maar op enig moment wordt het ook zonder doorbladeren spannend om te lezen. Dan lees je wat mooi of verschrikkelijk was aan de film of expositie die hij heeft gezien. Frans Kellendonk neemt positie in in het kunstdebat en maatschappelijk ergert hij zich blauw aan alles wat politiek correct is. Over Mystiek lichaam meldt hij dat het verhaal mechanismen blootlegt: ‘Wanneer je, zoals ik, in je naaste omgeving met racisme te maken krijgt, dan ontdek je dat je het probleem niet de wereld uit helpt door heel hard foei! te roepen. Dat werkt meestal averechts. Veel belangrijker is het om de psychische en sociale mechanismen bloot te leggen die tot racisme leiden, om de mensen iets meer van zichzelf te laten begrijpen. […] Dat heb ik geprobeerd’, schrijft hij aan criticus Aad Nuis, ‘en dat is wat jij weerzinwekkend vindt.’

 

Een groot deel van de brieven is gericht aan medehomo’s (altijd man). In zo’n brief wordt meestal gehint naar erotische activiteiten of op z'n minst de erotische blik. Als Frans een vriend om huishoudelijke redenen het adres van zijn interieurverzorger Bruno doorgeeft, beschrijft hij niet zijn aanpak maar zijn lieve en grappige uiterlijk.

 

Het boek heeft een personenregister. Even lijkt het alsof Kellendonk ook met filmmaker Wim Wenders heeft gecorrespondeerd, maar dat blijkt gewoon een verwijzing naar een briefonderwerp. In ieder geval kun je dankzij het register bijvoorbeeld een serie culturele brieven aan Jacques Dohmen (‘Lieve Jacques’) achtereen lezen en daar omheen bladeren. Of tellen hoe zijn vaste geliefde Jan Duyx ongeveer vijfenzestig brieven mocht ontvangen. En kijken hoe hij zijn heftige maar grotendeels onbeantwoorde liefde voor Pieter Kottman belijdt. Kottman wordt flink onder druk gezet. In zijn verhalen portretteert Kellendonk bij voorkeur kleine manipulaties en alledaags machtsmisbruik, maar uit zijn brieven blijkt dat die praktijken hem zelf niet helemaal vreemd waren. Als Pieter Kottman hem kennelijk geantwoord heeft met een paar analoge redeneringen (‘dit doet me denken aan’), krijgt hij van Kellendonk te horen dat hij niet verantwoordelijk gemaakt wil worden voor Kottmans associaties. Oneerlijk vindt hij het, met een streep eronder. En het lijkt er deze keer niet op dat de schrijver zelf door heeft hoe manipulatief dat klinkt. De brieven geven een veel nauwkeuriger beeld van Frans Kellendonk als mens dan we tot op heden hadden. Het maakt extra nieuwsgierig naar de biografie die bij Jaap Goedegebuure in de maak is.

 

Als Kellendonk op het hoogtepunt van zijn literaire productie is, is zijn leven al bijna voorbij. Omdat de brieven dan vaak over het werk gaan, is wat mij betreft de tweede helft van het boek het meest de moeite waard.

 

Wat betreft religie is er een zeldzame brief aan theoloog Klaas Vos, maar de opvallendste uitspraken zijn te vinden in de correspondentie met Oek de Jong: ‘In bidden zit iets van gebieden. Wanneer ik het woord God neerschrijf of voor mij uit prevel, dan zeg ik: Besta!’ (15 maart 1987). De Jong heeft hem dan geschreven over een ‘ervaring van de eenheid van alles’ – een beleving die Kellendonk maar ten dele herkent. Frans en Oek koesterden samen een tijd lang een plan voor een literair tijdschrift, waarvan in ieder geval duidelijk wordt dat religie er een ruime plek in moest krijgen. De steeds verslechterende gezondheidstoestand van Kellendonk was er de oorzaak van dat het plan niet doorging. In de brieven lees je hoe het blad in oprichting Jakobsladder wordt gedoopt. De Jong pleitte hartstochtelijk voor Orewoet: het woord waarmee Hadewych haar extatische ervaringen aanduidde. Dat is Kellendonk echter te mistig en te intuïtief en veel te oer. Hij verwacht het eerder van de rede en de cultuur.

 

Zo'n brief werpt opeens een ander licht op Kellendonks beroemde typering van persoonlijke religieuze participatie als ‘oprecht veinzen’. Godsdienst is voor hem geen persoonlijke mystiek, dat is verdacht en gevaarlijk. Het is wel bij volle bewustzijn deel uitmaken van en deel hebben aan. Het mystiek lichaam van de romantitel kun je fysiek opvatten; maar ‘mystiek lichaam’ was tot aan het Tweede Vaticaans Concilie ook de vaste term voor de kerk, dit wil zeggen: voor de gemeenschap, verenigd rond het sacrament waarin de Christus present is. Om die gemeenschap draait het bij Kellendonk. (Lees zijn essay Geschilderd eten over Vondels lange gedicht Altaergeheimenissen.) Niet zonder rouw kenschetst Kellendonk de teloorgang die hij ervaart en blijft hij het verlangen beschrijven. Zo niet oproepen.

Gerda van de Haar

 

Frans Kellendonk, De brieven. Samengesteld, ingeleid en geannoteerd door Oek de Jong en Jaap Goedegebuure. Querido, Amsterdam, 2015. Gebonden, 479 blz., € 29,99. E-book € 17,99. Najaar 2015 verschijnt een nieuwe editie van het verzameld werk.

Submit to FacebookSubmit to Twitter