door Suzanne van Putten, 2 juni 2015

 

Het zoeken naar christelijke boeken waaraan je je literaire hart kunt ophalen is niet eenvoudig. Na het lezen van Lila weet ik weer dat ze wél te vinden zijn. Marilynne Robinson schrijft prachtig, zoals we ook al in haar eerdere boeken Gilead en Thuis zagen. Boven alles weet ze in Lila de worstelingen met identiteit, met God, met liefde en met geloof door en door menselijk te maken.

 

In mijn tienerjaren las ik Gilead voor het eerst en de verstilde sfeer van de roman is me altijd bijgebleven. Het verschijnen van Robinsons nieuwste roman, Lila, was aanleiding tot een herlezing. Samen met Thuis en Gilead vormt Lila een drieluik over een aantal personen in het Amerikaanse dorpje Gilead. Zodra ik Gilead opnieuw las ter voorbereiding op het lezen van Lila, nam de intensiteit van de vertelling me meteen weer in bezit. Zowel voor Lila als voor Gilead geldt dat je als lezer gedurende een kleine driehonderd pagina’s in het hoofd kruipt van de hoofdpersoon, en daar eigenlijk niet meer uit komt. Thuis is wat dat betreft heel anders: het boek staat vol dialogen en trekt je daardoor van het ene personage naar het andere.  

 

Lila en Gilead blijven bij de verteller, die terugziet op het leven dat achter hem of haar ligt. In Gilead is het de predikant John Ames die zijn leven overziet en in dagboekvorm een brief schrijft aan zijn zeventig jaar jongere zoon. In Lila lezen we over Lila, Ames’ veel jongere en zwangere vrouw, die na een rondtrekkend bestaan langzaam haar thuis vindt bij haar man. Ik ben weinig personages tegengekomen die zoveel ruimte krijgen om zich te ontwikkelen als Lila. Ze blijft in mijn hoofd, ook als ik de laatste pagina’s gelezen heb. Nadat ik het boek uit heb, blijf ik regelmatig terugbladeren: omdat ik terugdenk aan scènes die ik eerder heb gelezen, omdat ik wil weten of ik Lila’s gedachten goed heb begrepen. 

 

Lila’s vertelling is vol zware gedachten. Ze zoekt naar haar plek, naar woorden en naar haar identiteit. We lezen hoe ze na een zwervend bestaan aankomt in het dorpje Gilead, waar ze woont in een schuurtje en spaart om verder te trekken. Ze doet huishoudelijk werk voor verschillende dorpelingen, zorgt voor het graf van John Ames’ eerste vrouw die in het kraambed stierf, en voor de bloemen in Ames’ voortuin, zich onbewust van zijn groeiende liefde voor haar. Onconventioneel als ze is zegt ze, wanneer Ames aangeeft niet te weten hoe hij haar moet terugbetalen: ‘Dan zou je met me moeten trouwen’. ‘Ja,’ zegt hij, ‘je hebt gelijk. Dat zal ik doen.’ Ze antwoordt hem: ‘Goed. Dan zie ik je morgen.’ Zo kordaat en gehard als ze van buiten oogt, zo aarzelend en onzeker is ze van binnen. Wie is ze? Wie is ze als mevrouw Ames, wie als moeder van het kind dat ze in zich draagt?

 

Haar voornaam, Lila, is slechts een aangenomen naam: niet haar ouders noemden haar zo, haar ouders heeft ze namelijk niet echt gekend. Doll, de oudere vrouw met wie ze samen reisde, die ze als moeder is gaan beschouwen, gaf haar de naam Lila. Lila poogt de twee werelden van haar verleden als zwerfster en haar heden als domineesvrouw met elkaar in verbinding te brengen. Robinson weet deze denkprojecten inlevend te verwoorden. Moet Lila haar man haar ernstige gedachten vertellen, de dingen die ze heeft gedaan en meegemaakt? Doll en zij, maar ook de andere mensen uit Lila’s vroegere reisgezelschap, leefden niet zo keurig. Wat voor gevolgen heeft dit voor Ames’ liefde voor haar? Maar ook: hoe moet ze in het licht van haar nieuwe werkelijkheid als predikantsvrouw en kerkganger de mensen uit haar verleden zien? En wat voor gevolgen heeft Ames’ eigen verleden, met een andere vrouw en een ander kind? Voor lezers van Gilead is deze laatste onzekerheid onverwacht, omdat in dat boek al duidelijk is geworden dat juist Lila de grote liefde is van John Ames, en niet zijn eerste in het kraambed overleden vrouw. 

 

Lila weet door alle vragen die ze heeft niet of zij ook gelooft. Vragen over predestinatie die ook in Gilead soms aan bod kwamen, worden in dit boek weer vanuit een heel ander perspectief besproken. Waar zulke vraagstukken in Gilead eerder dogmatische kwesties waren, bezien vanuit de theoloog Ames, zijn het in Lila vooreerst existentiële vraagstukken: voor Lila zijn het kwesties van leven en dood. Lila denkt veel, soms uren achter elkaar, stil in een stoel. Dit doet ze in de wat platte taal van een onontwikkelde vrouw en dit contrast draagt bij aan de kracht van het verhaal. Lila heeft een heel leven te overdenken voordat ze zich kan wijden aan haar nieuwe leven als mevrouw Ames. Daar is ruimte voor, zo blijkt uit de laatste pagina’s.

 

Dus veel kon het er niet toe doen, hoe het leven er ogenschijnlijk uitzag. De ouwe man zei altijd dat we onze aandacht moeten richten op de dingen die we mogen hopen enigszins te kunnen begrijpen, en de eeuwigheid is er daar niet één van. Meestal dacht ze dat ze de dingen beter begreep als ze het niet probeerde. De dingen gebeuren zoals ze gebeuren. Waarom? Dat was een domme vraag. In een liedje volgt de ene noot de andere op omdat het dat liedje is en niet een ander. Op een keer probeerden Mellie en zij alle liedjes te tellen die ze kenden. Hoe was het mogelijk dat het er zoveel waren? Omdat elk liedje gewoon zichzelf was. Het was door de eeuwigheid dat ze zo ging denken. In de eeuwigheid konden mensenlevens helemaal zijn wat ze waren en geweest waren, niet alleen het ergste wat ze ooit gedaan hadden, en ook niet alleen de beste dingen. Dus besloot ze dat ze erin ging geloven, of dat ze het al geloofde. 

 

Een liefdesgeschiedenis, zo zou je Lila kunnen typeren. Een aarzelend zoeken naar de liefde tussen man en vrouw en de liefde tussen God en mens.

 

Marilynne Robinson, Lila. Vertaald door Janine van der Kooij. Mozaïek / De Arbeiderspers, Zoetermeer, 2015, 268 blz., €19,99.  

Submit to FacebookSubmit to Twitter