Ons gedeelde sterfelijke weten

 

door Ruben Hofma, 19 februari 2015

 

‘De liefde voor de onuitputtelijke mogelijkheden van taal in poëzie is de constante in haar werk. […] Met kennelijk genot (her)gebruikt Brassinga bijna vergeten of in onbruik geraakte woorden, die in haar gedichten opnieuw worden geproefd en gesmaakt.’ Het is opgemerkt door de jury (o.a. Wim Brands) van de P.C. Hooft-prijs 2015, de prijs die in mei dit jaar aan Anneke Brassinga zal worden uitgereikt voor haar poëzie-oeuvre. Haar onlangs verschenen tiende dichtbundel bevestigt dit nog eens.

 

 

Het wederkerige heeft een in het oog springende compositie; behalve de afsluitende vijf vertalingen (waarvan vier emotionele en symbolische gedichten van Deborah Digges), staan alle gedichten in de afdeling ‘Romantisch’. Het romantische is het hoofdbestanddeel van het wederkerige waar Brassinga (1948) op doelt – (menselijke) relaties, de liefde – en de kleur waarmee ze de gedichten schreef. De dichter zoekt onder meer naar wederkerigheid in communicatie en dat doet zij in poëzie geschreven voor en over levenloze zaken en overleden naasten. Zo staan in de bundel veel nagedachtenissen, zelfs reeksen in memoriams. Niet opmerkelijk in deze context is Brassinga’s frequente hantering van het woord ‘nu’, soms een ritmetoevoegend woord, vaak een benadrukking.

 

Met de levenlozen en overledenen kun je niet wederkerig zijn. De zee, die Brassinga vanaf de kust mooi omschrijft als ‘een lichaam van albast’ – treffend, dat laatste woord – ‘dat als wolk vermomd komt aangedreven’, zal nimmer horen of antwoorden op wat Brassinga heeft te zeggen. En een overledene zal niet vertellen of zij ‘daarginder wel net als hier de gamma-uil en jotavlinder’ heeft, hoezeer de dichter het antwoord ook verlangt. Zo slaan de romantische gedichten van Het wederkerige voor je het weet om in glans- en klankrijk, melancholisch gestamel, hoewel de dichter het niet in eerste instantie om die melancholie te doen is. Brassinga verwondert zich namelijk over de waarde van wederkerigheid en memoreert op voornamelijk een positieve toon de wederkerigheden die waren.

 

Brassinga’s gedichten vragen vaak om close reading, ook in deze bundel. De dichter ontwijkt nu en dan voor de hand liggende woordvolgordes en gebruikt, zoals bovenaan opgemerkt, taal die al enige tijd onder het stof ligt. ‘Kortstondig’ is wat mij betreft een van de makkelijkst doorgrondbare gedichten uit Het wederkerige. De eerste regel levert wel genoeg denkstof op. Het gedicht is kernachtig, gevoelig, effectief geënjambeerd en stemt ondanks de feiten hoopvol.

 

Kortstondig

Lees gedicht

 

Kortstondig

 

‘Alleen de atomen en de leegte zijn onsterfelijk,’
zei Lucretius. Wat ons bindt, is dat wij
zullen worden afgebroken tot op de atomen.

 

Wat ons bindt, is vluchtig te zijn en elkaar te beminnen,
meer te voelen voor ons gedeelde sterfelijke weten
van elkaars sterfelijk wezen, dan voor die

 

verdomde atomen. Dood is te klein
en te groot, maar leven is sterker, bestaat
in de kortstondige kracht van het zwakke,

 

in de bijzondere toevalligheid
van deze stoffelijke samenkomst, in vreugde
die alle atomen te boven gaat.

 

Anneke Brassinga

Woorden, regels en leestekens zijn zo precies neergezet dat de dichter het vertrouwen wekt dat haar niets ontgaat bij het ontstaan van een gedicht. Overal in de bundel vind je, zoals steeds bij Brassinga, regels en zinsconstructies waar zorgvuldig aan is gewerkt, er is gewikt en gewogen, van begin tot eind moest het goed zijn.

 

Toch betekenen een tiende dichtbundel en de toekenning van de P.C. Hooft-prijs niet dat een dichter niet nóg beter werk kan afleveren. Het tweede gedicht bijvoorbeeld, ‘Het ware leven’, opent met het kwatrijn ‘Hoe mensen erin slagen vast te houden aan / de nergens op gestoelde onderstelling dat zij spreken / om belangrijke, zinvolle zaken bij te dragen / vond Novalis al in 1797 bewonderenswaard.’ Hier is de uiteindelijke boodschap van het gedicht belangrijker dan de taal en dat resulteert in matige poëzie. In de laatste strofe voegt de dichter er enige speelsheid aan toe, maar die redt het gedicht niet. Bovendien: hoewel het te prijzen is dat Brassinga vergeten taal oprakelt, zorgt haar gebruik van vele bijvoeglijke naamwoorden af en toe voor onoverzichtelijkheid, waardoor de woorden die voor extra waarde moeten zorgen, juist de kracht van het gedicht verminderen.

 

In de meeste gevallen is er echter sprake van meerwaarde. Met de details die de dichter toevoegt, voegt ze ritme toe en allerlei soorten rijm. Ook bevordert ze de statige, strijdlustige, speelse en opgewekte toon van haar poëzie. Neem bijvoorbeeld het volgende fragment: ‘Zeldzaam, in ’t florale – / zo ook deze grijs berijpte, tweekleppige beursjes / waarin krimpend van minne wij ons proppen / op zoek naar de nectariën.’ en: ‘Afblijven met die vuile vingers – wat het is, / bestaan, hoort ondoorgrond te zijn, hoezeer ook / alom overweldigend present bijvoorbeeld zoals // nu in het geboomte daalt gesmeerd een bom / van licht’.

 

Poëzie is te vatten als de meest hechte samenwerking van taal. Brassinga laat dat goed zien. Ze lijkt even graag te streven naar de samenwerking van woorden met van elkaar verschillende klanken als die van woorden met overeenkomstige klanken getuige de vele soorten klinkers per (enkele) regel(s). Brassinga maakt beide samenwerkingsvormen aantrekkelijk, ze streeft naar een ultieme wederkerigheid tussen woorden. Zo creëert ze prachtig klinkende, vitale poëzie die de (verdwenen) wederkerigheid waar het haar om gaat op een knappe manier vervangt.

 

Anneke Brassinga, Het wederkerige. Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2014, 72 blz., €18,50.

Submit to FacebookSubmit to Twitter