door Els Meeuse, 30 juni 2014

 

In de schitterende dichtbundel Archaïsch de dieren (2014) balanceert Hester Knibbe opnieuw op het snijvlak van leven en dood. De bundel is te karakteriseren als een meesterlijk zoeken naar de diepte van de dood en een zich virtuoos verwonderen over het leven.

 

 

In het eerste deel, met de volgens de achterflap ‘provocerende titel’ ‘Vrijspraak voor Kaïn’ bezoekt Knibbe allereerst het paradijs, daar waar de dood zijn intrede heeft gedaan. In de reeks ‘Pro domo’ zien we de twijfel bij de mens binnensijpelen. Hebben we hersens gekregen om niet te willen weten? De storm die door de tuin gaat levert op dat we ons eigen lichaam gewaar worden. ‘Ook de dieren ontwaakten gromden / kenden plots een geluid voor gevaar!’ En: ‘We kregen / een zwart soort kracht en gedachten die / als vlammende dolken in onze borst / kolkten. Hadden we dáár om gevraagd?’

 

‘Pro domo’ betekent letterlijk ‘voor het huis’. De Romeinse redenaar Cicero heeft ooit een pleidooi gehouden met deze titel voor teruggave van zijn in beslaggenomen bezit. Houdt Knibbe hier dus een pleidooi voor de mens? Voor zijn bezit dat in het paradijs van hem afgenomen is? Frappant is dat de gedichtenreeks niet zozeer benadrukt wat van de mens is afgenomen, maar vooral wat de wereld te veel heeft kregen. ‘Al die woorden die we erbij kregen: woede / angst wens afgunst slacht honger slaaf / meester hoer heiligenleven vuil ziek tijd / zwanger eeuwig windbuil zwaard gesel / en weemoed niet te vergeten.’

 

Een tijdje geleden begon ik met het herlezen van Genesis. Tijdens het lezen kwamen veel vragen bij mij op en ik verwonderde mij over verhaallijnen waar ik nooit eerder over nagedacht had. Een aantal van mijn gedachtenspinsels verwoordt Knibbe treffend in een aantal gedichten. Zo is er het titelloze gedicht over de naamloze dochters van Adam: 

 

Lees gedicht

 

Wij waren de naamloze dochters van Adam

werden in stilte geboren, baarden

 

geen opzien, deden verstomd

onze plicht bij het vuur. Zonder ophef

 

raakten we zwanger, baarden en zoogden

onnozele wichten, poogden ze ampel

 

voor ramp te behoeden.

Stierven geruisloos.

 

Hester Knibbe

De gedichten ‘Vrijspraak voor Kaïn’ raken mij nog meer, vooral het gedicht over ‘de zoon’. Nadat ik opnieuw het verhaal van Kaïn en Abel tot mij genomen had, realiseerde ik mij plotseling hoe negatief Kaïn vaak wordt afgeschilderd. Als een slechte man die uit woede en jaloezie zijn broer doodsloeg. Ik realiseerde mij dat Kaïn moeilijk geweten kan hebben wat hij deed, toen hij Abel doodsloeg. Hij wist immers niet wat dood was, laat staan wanneer iemand zou kunnen sterven. Ik stelde mij voor hoe verbijsterd hij was toen hij Abel stil op de grond zag liggen. Voor het eerst beving mij de ontzagwekkende omvang van Kaïns eerste kennismaking met de dood. Ik las het verhaal op een totaal andere manier.
Ook Knibbe stelt zich in de bundel de vraag wat er in Kaïn omgegaan is toen hij slaag raakte met zijn broer. Zij denkt een andere kant op:

 

Vrijspraak voor Kaïn

Lees gedicht

 

Vrijspraak voor Kaïn

 

de zoon

 

Schuld is een afspraak. Ondanks
alle heimweeverhalen van onze ouders
over hoe vrede o vrede eruitziet moest hij
het lam grijpen en slachten om zelf hoger

 

te stijgen. Het zwerk, hoger en sterker dan alle
op aarde gemaakte goden, is mijn getuige.

 

Restte as + rook die wegdreef met zijn geprevel

 

waarvan ook geen syllabe bleef hangen.
Offer: een leven voor een gedachte.

 

Dacht: schuilt er dan een belofte
in dood? Ik, zijn hoeder, zal hem uit erbarmen
van zijn povere staat hier op aarde
verlossen.

 

Hester Knibbe

Knibbe wijst erop dat Kaïn niet geweten kan hebben wat dood zijn precies inhield. Ze dicht in het volgende gedicht: ‘Van eigen sterfelijkheid wisten we / hoegenaamd niets. Ook hij niet.’ Maar zij denkt en dicht nog een stapje verder: heeft Kaïn juist daarom Abel doodgeslagen? Heeft hij gedacht dat er een belofte in de dood schuilging?

 

Belangrijk onderdeel van de bundel is de reeks over Thebe. Knibbe is in april 2012 drie weken in de buurt van Thiva geweest, het oude Thebe. In de buurt van deze ‘dodenstad’ die in veel klassieke mythen en verhalen een belangrijke rol speelt, heeft Knibbe inspiratie opgedaan voor een flink aantal gedichten in de bundel. Zo ook voor het gedicht waaraan de titel van de bundel, ‘archaïsch de dieren’, ontleend is:

 

Lees gedicht

 

*

 

Onder de Melkweg zonovergoten
archaïsch de dieren. Maar laat

 

de kinderen met rust, zij moeten nog
komen te weten. Zoenoffer desnoods
de Redelozen je haren zaligheid nagels
of joker voor de mug doodgemept, de mier
onder je voetzool geplet of strooi

 

op hun Doorluchtige Hoofden een handvol
graan voor het brood dat je eet en zorgzaam
geeft aan het kind dat speels de muis aan
de kat voert, luid zingend de spin een poot
de duif een slagpen ontvreemdt.

 

Hester Knibbe

Kinderen komen meerdere keren voor in de bundel, altijd op een dubbele manier. Ze zijn nog onnozel, ze moeten nog komen te weten, dus laat de kinderen met rust. Maar binnen de kortste keren zijn ze groot en bovendien: ook als ze klein zijn blijken ze al te ‘weten’. Het kind dat muizen aan katten voert, spinnen poten uitrekt en duiven slagpennen ontvreemdt – wéét dat nog niet?

 

Knibbe gaat in deze magnifieke bundel terug naar het eerste begin, naar het verhaal over de plaats waar alle ellende begon: de woede, twijfel, huiver, de angst en het missen. Ze gaat terug naar het paradijs, terug naar de dodenstad Thebe. En toch is de bundel geen Ciceroniaanse rede voor herstel en teruggave van het oorspronkelijke bezit van de mens. Knibbe probeert de onpeilbare dood te peilen en van daaruit verwondert ze zich over het ijle en unieke leven. Haar zoeken naar een eventuele belofte in de dood heeft geen einde en daarom is ook het laatste gedicht nog niet geschreven. De vraag die misschien ook de vraag van Kaïn geweest is blijft staan: schuilt er dan een belofte in dood?

 

Hester Knibbe, Archaïsch de dieren. Uitgeverij De Arbeiderspers, Utrecht 2014, 80 blz., € 18,95. 

Submit to FacebookSubmit to Twitter