Menno van der Beek over Hotel Eden, 16 januari 2014

 

De tekst achter op Hotel Eden van Huub Beurskens begint in de tweede zin al enigszins te ronken: ‘Het banale en het alledaagse verstaan zich met het hogere en vloeien er in over. Eenvoud en complexiteit zijn veeleer bondgenoten dan tegengestelden.’ Nu hoop ik dat niet de door mij hooggewaardeerde Benno Barnard, vriend van deze dichter, of de dichter zelf deze tekst heeft opgeleverd – bij mijn eigen debuut moest ik mijn eigen flaptekst schrijven, dus bij zuinige uitgeverijen gebeurt het, ik beloof het u – want ik beledig liever een anonieme bureauredacteur dan één van deze twee mannen. Sinds die in samenwerking met Wiel Kusters dat mooie boek met Auden-vertalingen Nee, Plato Nee hebben geproduceerd loop ik graag voorzichtig en met de loftrompet in de aanslag om hen heen. Niet dat na lezing van de bundel bovenstaande bewering onwaar blijkt te zijn, maar de formulering is niet die van een poëzieliefhebber. Meer die van een flaptekstenschrijver.

 

 

Intussen weerklinkt de heel eigen toon van Beurskens – winnaar van de VSB Poëzieprijs, vertaler, en essayist – door de diverse stijlen die hij in deze bundel hanteert. Van eenvoudige, rijmende terzinen uit ‘Het weer was goed en de zee was kalm’: ‘Er is geen beest met uit zijn zeven koppen walm, / maar clematis valt niet meer op te binden. / Het weer is goed en de zee is kalm’ tot haast in poëzie gestorte brokken proza uit ‘Onze vaders in de dood’: ‘[...] / Na een jaar en een seizoen mis ik opeens mijn vader, / zijn stem, zijn blijdschap – god, wat zou hij blij geweest zijn. / Ik moest het even opschrijven; jij was een makkelijk doelwit. // De dood van mijn vader is een blijvende schande, Benno. / Om daar tranen van verdrietige woede van te krijgen, / hoef je niet eens zelf een zoon te hebben, weet ik uit ervaring.’

 

En niet alleen bedient de dichter zich soepel van allerlei vorm, ook inhoudelijk is de inspiratie breed. Een pagina achterin leert dat sommige gedichten losse pols vertalingen van Nabokov zijn, maar ook de dichters Ezra Pound en William Wordsworth, de romanschrijver Witold Gombrowicz, één van de betere albums van Kuifje en een optreden met een jazzband zijn aanleiding geweest tot gedichten. Waarin dan, om op de flaptekst terug te komen, inderdaad rechtstreekse taal, oude galmende psalmentaal, kale constateringen en makkelijk lopende zinnen door elkaar heen staan, zonder dat de gedichten uit elkaar vallen of de taalregisters elkaar in de weg zitten.

 

Op het gevaar af hem in een nis te duwen waar hij zich niet thuis voelt, zou ik na enkele lezingen van deze bundel de dichter een Europees dichter willen noemen. Een Europees dichter die, met wat een eeuwenlange christelijke beschaving heeft achtergelaten gemengd met een dosis desillusie, blijft proberen zijn vader en zijn moeder en zijn herinneringen en zijn voorkeuren en zijn vrienden en zijn continent in een zinvol verband bij elkaar te zingen.

 

Mooi en veelzeggend is de scène uit het gedicht ‘Eerste vraag’, waarin een blijkbaar versleten negentigjarige dame steeds de vraag blijft stellen ‘Waartoe ben ik eigenlijk hier?’, en niet reageert op concrete antwoorden of opmerkingen, anders dan met een herhaald stellen van de vraag: ‘Waartoe ben ik eigenlijk hier?’ De spreekstem in het gedicht denkt dan uiteindelijk een poging te doen aan te sluiten bij haar belevingswereld, door de vraag als een cathechismusvraag te interpreteren en te antwoorden: ‘om God te dienen en daardoor hier en hiernamaals / gelukkig te zijn’, maar de dame kijkt hem bij haar weerwoord niet eens aan: ‘Dat jij nog gelooft in dat gezemel’. Liet hij zich even in de kaart kijken, en dat moment draagt het gedicht.


De oude dame is natuurlijk niet Europa, maar ze had het kunnen zijn. De dichter wil de onbenulligheid en de tijdelijkheid in één moeite door te lijf, zoals in het derde couplet van de klaagzang voor het Avondland en haar dreigende onverschilligheid: ‘Ach, Europa: [...] Katten spreken vanaf de tomben / van Montparnasse de mens toe / die er slechts loopt te lanterfanten in de zon: / dat het zo weemoedig maakt de ooit / befaamde namen boven eeuwen gebeente / te moeten zitten lezen, wetende dat, / gekomen is wat komen moest, / hardsteenbarst, grafkettingroest. / De mens echter laat zich met / zulke gedachten niet in, hij lacht / zo onbekommerd als bomen ruisen / en is voor altijd geschikt voor de uitvinding / van de draaimolen en de korte broek.’

 

Europese schoonheid en vermoeidheid, de woorden en de beelden van het christendom, en de steeds beter geformuleerde vragen van het kind. Daar is de dichter al jong mee begonnen, zie het slot van ‘Kindervragen’: ‘Nog naar het uit en in van de late zwaluwen gekeken, de kippen / op stok zien gaan, voordat ik bij mijn vader achter op de fiets moest / klimmen, want het was nog ver en over de Maas. Van hem kon ik / in alles op aan: ‘Maar blijft de poolster eeuwig noordelijk staan?’’

 

Als ik het me goed herinner, is het antwoord op die laatste vraag overigens Nee. Shakespeare laat in zijn stuk over Ceasar, meen ik, de Romein de poolster in het noorden posteren, maar door de veranderde stand van de aardas was dat in de dagen van Gaius Julius niet de feitelijke situatie. Ik stel me zo voor dat de dichter tijdens een donkere rit achter op de fiets zoiets kreeg voorgeschoteld. Of misschien zei zijn vader ook gewoon wel Ja, want dat wilde de jongen wellicht liever horen.


‘Weet je hoe je kunt zien of iets goed geschilderd is?’, laat de dichter een kunstschilderende oom in het slotgedicht vragen. ‘Als er geen licht meer door het linnen dringt.’ Dat effect kan ook eenvoudig met een verfroller bereikt worden, lijkt mij, en dat weet de dichter ook wel, want anders had hij niet de hele Europese schatkamer voor ons overhoop hoeven halen of zijn brede techniek in hoeven zetten in deze sterke dichtbundel. Maar hij zou het wel fijn vinden, denk ik, als het zo makkelijk was. Draaimolen en korte broek, en vol vertrouwen rond.

 

Huub Beurskens, Hotel Eden. Nieuw Amsterdam, Amsterdam 2013, 64 blz., € 17,50.

Submit to FacebookSubmit to Twitter