Over melancholie en vitaliteit in Vuurwerk zei ze van Stefan Hertmans

 

door Liesbeth Eugelink, 28 juni 2016

 

Het artikel 'Herinnering aan blauw' schreef ik (al) in juni 2004 voor het tijdschrift Literatuur, naar aanleiding van Stefan Hertmans dichtbundel Vuurwerk zei ze (2003). Literatuur ging echter datzelfde jaar (2004) ter ziele, en het stuk werd nooit gepubliceerd. De bespreking heeft haar actualiteit niet verloren; samen met mijn recente artikel 'De schoonheid van vernietiging' in Liter vormt het, na wat kleine aanpassingen, een mooi tweeluik over het veelzijdige werk van de Vlaamse schrijver.

 

Herinnering aan blauw

Lees essay

 

Herinnering aan blauw

Over melancholie en vitaliteit in Vuurwerk zei ze van Stefan Hertmans

 

1.  Sneeuwdoosjes
Een van mijn favoriete citaten van de auteur Stefan Hertmans staat in het vroegere werk Sneeuwdoosjes. In deze eerste essaybundel uit 1989 gaat Hertmans in op Walter Benjamins fascinatie voor wat wij vooral kennen als toeristische prullaria, maar die in de tijd van de Duitse cultuurcriticus ware kunstwerkjes waren. Hertmans heeft het óók over zijn eigen fascinatie, als hij tegelijkertijd lyrisch en afstandelijk schrijft:

 

Sneeuwdoosjes openen de mogelijkheid, als je er lang in kijkt, ruimtelijk beleven te laten primeren op chronologie. Het is de overwinning van het zuiverste gevoel dat denkbaar is: de beeldrijke melancholie die je als kind hebt gevoeld. Deze melancholie is de triomf van het allerintiemste, van de onuitsprekelijk en tijdloos lijkende extase die men verstrooidheid noemt. [...] Verstrooidheid is verdiepte aandacht, zweven in het water onder een hermetisch koepeltje, boven een gedroomd en herkend landschap. Het is opgaan in de onbeweeglijkheid zelf, en omdat we als levende wezens tot beweging verdoemd zijn, is deze verstrooidheid het ware paradijs […].

 

Het is gevaarlijk een auteur te confronteren met een citaat van veel vroeger; wellicht herkent de schrijver er zich niet meer in. Maar wat betreft de (vitale) melancholie, die de schrijver in bovenstaand citaat nadrukkelijk thematiseert, lijkt eerder het omgekeerde het geval: het onderwerp heeft, vanwege de haast vanzelfsprekende aanwezigheid ervan, eerder te weinig, dan te veel aandacht van de kritiek gekregen. Wellicht omdat het door de schijnbare eenvoud ervan, minder om uitleg lijkt te vragen dan de ‘moeilijkere’ postmoderne, intertekstuele facetten van Hertmans werk.

 

2. Lijden aan de tijd
In de recente bestseller Filosofie van de levenskunst. Inleiding in het mooie leven (2003) besteedt de Duitse filosoof Wilhelm Schmid een klein hoofdstuk aan de melancholie, dat hij vooral begrijpt als een uitschakeling van de levenskunst, als een stoornis in het tijdsbesef. ‘[…] de melancholicus (kan) niet in de tijd […]  leven’, schrijft hij streng.
Maar ondanks zijn negatieve waardering, verstaat Schmid het fenomeen wél. Hij geeft in feite een zeer accurate beschrijving van een tweetal houdingen die je tegenover het verstrijken van de tijd kunt aannemen. In de eerste plaats kun je dierbare herinneringen keer op keer in je geheugen oproepen, en ze daardoor in het nu laten voortbestaan. In de tweede plaats kun je proberen het verstrijken van de tijd te vertragen, stop te zetten, of, meest radicaal, de tijd helemaal doen verdwijnen.

 

Van de eerste tactiek om je te onttrekken aan het verstrijken van de tijd, treffen we in het eerder genoemde essay van Hertmans een mooi voorbeeld:

 

[…] de tijdeloosheid van die middag ergens aan het eind van de jaren vijftig, toen de wereld ’s winters nog naar kerosine, bieten en stro rook, naar dingen die ik vergeten ben ook, geteerd hout misschien, de geur van de ouderwetse wasserij in de grauwe stofjassen, die we moesten dragen op school, of de halfzure melk die we dronken om tien over drie.

 

Dit is nostalgie zoals we nostalgie meestal begrijpen: als een herinnering die zich nestelt in het middenrif – de plexus solaris, de plek van het heimwee en het verlangen –, waarbij het herbeleven altijd gepaard gaat met het (pijnlijke) besef dat het verleden voorgoed voorbij is. In die zin is deze tactiek om het verstrijken van de tijd te ondermijnen dus weinig succesvol: de herinnering houdt in leven wat men probeert teniet te doen.
Het autobiografische Steden (1998) toont misschien wel het best die ambigue ervaring van de melancholie. In deze essays waarin de schrijver een tiental steden beschrijft, wordt niet alleen de stad geëvoceerd, maar tevens, in de herhalingsdwang waarmee het voorbije keer op keer opgeroepen wordt, de ervaring dat het bezoek aan die stad in het verleden ligt. Zoals in het essay ‘Intercity’, waar het geluid van de klikkende trede van de Amsterdamse trams keer op keer in het geheugen wordt geroepen, als de enige manier om de ervaring even opnieuw te laten bestaan. Het zijn dit soort herinneringen waar emigranten met heimwee onder wegkwijnen. In die zin is melancholie inderdaad, zoals Schmid schrijft, een ziekte. (Iets waar ook Hertmans in zijn dichtbundel Vuurwerk zei ze (2003) gewag van maakt. ‘Kun je verdrinken in herinnering aan blauw?’, begint het gedicht ‘Les Salettes’ bijvoorbeeld, over de herinnering aan een verblijf aan een meer. De herinnering aan het blauwe water is bijna kwellend, getuige de slotregels: ‘Ik raak niet bij/ Dat meer vandaan.’)

 

Op het eerste gezicht lijkt een dergelijke evocatie van herinneringen de meest eenvoudige, want minst ‘gesublimeerde’, strategie voor een schrijver om zich te onttrekken aan het verstrijken van de tijd. Maar juist daarin schuilt een risico. In de directe gerelateerdheid aan de persoonlijke ervaring kan de lezer zich licht buitengesloten weten. Om bij Hertmans te blijven: het klikkende geluid van de treden van de Amsterdamse trams ken ik, en kan ik dus ‘navoelen’. Maar de combinatie van bieten, kerosine en stro heb ik bijvoorbeeld nooit geroken. Ik moet mij een andere, voor mij betekenisvolle geur te binnen halen, om iets van die ervaring mee te beleven. Ik heb het idee dat precies dat aspect van de prestatie die Hertmans met Steden heeft geleverd weleens onderschat is; dit proza rekt het persoonlijke sentiment van de melancholie zo ver als mogelijk op, zonder dat het, zoals de auteur het zelf noemt, klef wordt.

 

3. Eeuwig nu
Beter dan het verleden te doen herleven, is het de tijd te vertragen, te stoppen, of helemaal te doen verdwijnen. Het is een tactiek die we bijvoorbeeld terugzien bij een hedendaagse schrijver als J. Voskuil voor wie alles even belangrijk is en dus opgeschreven moet worden, of bij A.F.Th. van der Heijden, met zijn poetica over ‘het leven in de breedte’.
In Vuurwerk zei ze, om me even tot deze bundel te beperken, zien we iets soortgelijks. In een behoorlijk aantal gedichten wordt een ervaring beschreven waarin de tijd lijkt stil te staan. Vaak is het de kou (van de winter) die die ervaring oproept. Zoals in ‘Kerstmis in Lancié’, waar net als het kraanwater, de tijd bevriest: ‘Al dit – het water aarzelt in de kraan –/Vloeit niet, de dag staat stil’. Of zoals in het openingsgedicht ‘Foz, 11 januari 2000’: ‘Zo troont een golfslag op een tij/ Dat keert terwijl we slapen,/ Poel van zwart bloed’. 
Extreme hitte kan er ook voor zorgen:

 

Bloedheet is het asfalt
In de vallei.
Een kind drijft in de lucht voorbij
En droomt van heden dat beklijft.
(‘Pra-Loup’).

 

Een mooi, hiermee samenhangend motief in de bundel is de gave van de geliefde om met een aanraking de tijd stil te zetten: ‘Plots sliep de tijd,/ De dag kwam zomaar vrij –// Lag je hand heel licht/ Eenvoudig op mijn schouder.’ (‘Fontaine-de-Vaucluse’).
Maar de meest radicale manier is om de tijd, als een van de vier dimensies waarin wij leven, teniet te doen. Een van de manieren daartoe is wat Hertmans noemt de ‘mythologisering van de ruimtelijke beleving’. ‘Benjamin moet haarscherp hebben aangevoeld dat de mythische en problematische dimensies van de tijdsbeleving in de late twintigste eeuw vervangen zouden worden door een mythologisering van de ruimtelijke beleving’, schrijft hij in het eerdergenoemde Sneeuwdoosjes. Schmid wijst op hetzelfde: ‘[…] in een cultuur die enorme vooruitgang in de tijd heeft geboekt, is melancholie ook de herinnering aan een andere cultuur waarin het leven nog in de ruimte geborgen was.’ Het ‘sneeuwdoosje’ is niets anders dan een prachtige metafoor voor precies die mythologisering van de ruimte.
In het werk van Hertmans treffen we vele ‘sneeuwdoosjes’. Plaatsen die vooral ruimtelijk aan ons verschijnen, waaruit de tijd lijkt weggezogen, en die juist daardoor een mythische betekenis krijgen.
Dit geldt voor de beschreven steden in het gelijknamige boek, waarbij het, net als in Vuurwerk zei ze, vaak de tijdelijke (!) weersomstandigheden zijn die de gewenste tijdloosheid weten te creëren: hitte, een bepaalde lichtval, schemering, mist. De betekenis van de ruimte blijkt ook uit Naar Merelbeke (1994). Deze roman wordt wel genoemd als Hertmans eigen – ironische – À la Recherche du Temps Perdu, maar het verschil in titel verraadt eigenlijk al de onjuistheid van die vergelijking. De Franse schrijver worstelde op een andere manier met de dimensie van de tijd, dan de auteur van Naar Merelbeke, die juist de ruimte uitgebreid en lyrisch beschrijft.
In de bundel Vuurwerk zei ze is het niet anders. Dat blijkt alleen al als je naar de titels kijkt waarin uitzonderlijk vaak plaatsnamen voorkomen: Foz, Pra-Loup, Fontaine-de-Vaucluse, Mont Noir, Bois du Défends, La Mochatte, Les Salettes, Col de l’Homme Mort, La Plane, Stellenbosch, Lancié, P., Leipzig, Vincennes, Durban, Grensstad. De ruimte kan ook kleiner en beslotener zijn, zoals een kamer, een keuken, een bushalte, een klein paadje (Herisemwegje), een kerk (Thomaskirche). Maar welke plek of landschap ook beschreven wordt, de tijd lijkt er uit weggezogen, alsof de beschreven ruimte onder een stolpje geplaatst is. Dit effect wordt verstrekt door het consequente gebruik van hoofdletters aan het begin van elke nieuwe regel, en, in sommige gedichten, door het weglaten van de werkwoorden, die tenslotte tijd en dynamiek in een zin brengen. Zoals in ‘La Plane’: ‘Loeiharde wind, verblindend vroege zon,/ De maan een bleke made op een rots./ Een jonge marter bij je voet./ Extase van de kluizenaar.’ (‘La Plane’). Of in ‘Tulpen en as’: ‘De tulpen op de tafel,/ De vlammen op het boek,/ Het puin dat door het open/ Raam gevallen komt’.

 

4. Vegetatiemythen
De melancholie zoals ik die hierboven beschrijf staat niet op zichzelf. Het ‘zuiverste gevoel’ waar Hertmans over spreekt in het 'sneeuwdoosjes'-citaat aan het begin van dit artikel, is in zijn eigen werk heel vaak juist niet zuiver. Vaker wel dan niet wordt de melancholie ondermijnd, bespot, doorkruist of vernietigd. Het vitale verzet zich tegen de eigen sentimental journey, die de nostalgie in één gebaar wil vernietigen. In Steden wordt bijvoorbeeld herhaaldelijk het verlangen geuit naar een nieuw leven: ‘[…] zanderige paadjes die voorbijflitsen als evenzovele uitnodigingen om uit je leven te stappen en iets anders te beginnen, iets zinloos, en vandaar aanzuigend en grotesk.’ In de roman-in-verhalen Als op de eerste dag verkeert de sentimentaliteit voortdurend in wreedheid. Het verlangen naar de (absolute) ervaring van de eerste keer, leidt daar tot de vernietiging van het dierbare. Het eigen leven is niet gevrijwaard van die vernietingsimpuls. Na voltooiing van Als op de eerste dag werd de roman-van-daarvoor de vernietiging toegewenst met de woorden: ‘Napalm over Merelbeke’. (Niet een klein beetje weg dus, nee, het moet ganz kaput).
Van alle zaken die behoren tot het domein van het vitalisme – de roes, de grenservaring, de seksualiteit, het lichamelijke, het verlies van het zelf, de waanzin (als je het rijtje zo achter elkaar ziet, ga je je afvragen waar dat beeld van Hertmans als een intellectueel, postmodern dichter toch vandaan komt) – lijkt eigenlijk meer het vernietigende dan levensscheppende aspect benadrukt te worden. Een vernietiging die echter niet zozeer gericht is tegen het leven als wel tegen de melancholie, die weliswaar het leven koestert, en bewaart, maar het tevens lamlegt.
Die strijd tussen de melancholie en het vitalisme lijkt onbeslist, want in zekere zin kunnen de twee levenshoudingen niet zonder elkaar. Alleen daar waar de ervaring van het nu intens beleefd wordt, kan er weemoed ontstaan over het onvermijdelijke voorbijgaan daarvan. En andersom: pas door het willen opdoen van nieuwe ervaringen, ontstaat er ruimte voor de melancholie.

 

In Vuurwerk zei ze lijkt echter een ander evenwicht tussen de melancholie en de vitaliteit te bestaan. Net als bij de eerdergenoemde werken zijn alle elementen van de vitaliteit hier prominent aanwezig. Zo zien we het reizen en de grenservaring terug in de klassieke mythe van Persephones afdaling in de onderwereld; de instabiele identiteit zien we terug in de vele metamorfoses van het lyrisch ik, in onder meer een sneeuwvlok, een opstandig mijmerend boompje, een zenuwachtige hagedis, een dubbelganger, en ook de andere bekende ‘vitale’ thema’s seksualiteit, wreedheid, vernietiging en waanzin zijn nadrukkelijk aanwezig in veel van de gedichten. Het vitale lijkt zich hier evenwel niet te richten tegen de eigen melancholie, waarbij het vitale omslaat in het tegendeel (de vernietiging), maar staat juist bijna uitsluitend in het teken van vernieuwing. Dit wordt onder meer gesymboliseerd in het nieuwe leven: de zoon, het gedicht, en de slang. In de christelijke betekenis is de slang een symbool van de onderwereld, en dus van de ‘duistere’, onbewuste krachten. Aansluitend bij D.H. Lawrence’s persoonlijke mythologie, waarbij de slang een seksueel symbool is: de kop is het vrouwelijk geslacht, het lijf het mannelijk, klinken bij Hertmans juist die – voorchristelijke – betekenissen mee. (Anders dan bij Lawrence brengt de slang het er bij Hertmans niet levend vanaf.)

 

In de klassieke mythe over het verblijf van Persephone, godin van alles wat bloeit, bij haar oom Hades, god van de onderwereld, heeft Hertmans een mooie metafoor gevonden waarin de schaduwzijde van het vitalistische – de grenservaring, de wreedheid, de seksualiteit (‘de kleine dood’) – het aflegt tegen het leven, dat uiteindelijk alles overwint. Persephone keert na haar verblijf in het dodenrijk tenslotte weer terug op aarde – voor de moderne mens het begin van de lente.
De gehanteerde alchemistische symboliek versterkt die betekenis waarin de dood slechts een noodzakelijke overgangsfase is naar nieuw leven. De alchemie, de middeleeuwse, esoterische kunst van het maken van het goud, bediende zich vaak van duistere beeldspraak om de handelingen, die uiteraard geheim moesten blijven, te beschrijven. Zo onderscheidden de alchemisten van oudsher het chemische proces in drie fasen: het wit, het rood, en het zwart worden. Het zwart worden werd omschreven als het sterven, of werd verbeeld aan de hand van de afdaling van Persephone in de onderwereld, of aan de hand van de oude vegetatiemythe van de stervende koning, opgevolgd door zijn zoon. (Een belangrijke mythe onder meer in het werk van Hugo Claus, en als zodanig uitgebreid beschreven door Paul Claes.) De menging van verschillende chemische stoffen werd steevast omschreven in termen van de seksuele eenwording van man en vrouw – vaak incestueus van aard. En het gevonden goud, dat bovendien vaak minder in letterlijke dan in spirituele zin begrepen moest worden, stond bovendien voor het levenswater, de steen der wijzen of het nieuwe leven.
In Vuurwerk zei ze treffen we veel van deze esoterische verwijzingen. De alchemistische kleuren rood, wit, zwart, en het goud, en verwijzingen naar de oude vegetatiemythen als de gulden tak, het dodenrijk, de zoon, de slang, bloemen duiken zo veelvuldig op dat het geen toeval meer kan zijn. Uit het titelgedicht: ‘Vuurwerk zei ze,/ Ik zie zwart vuurwerk in de nacht.’ Of uit een van de zoon-gedichten: ‘Zijn handen gaven mij/ Een vorm, een geur,/ Het druipen van het goud’ (‘Hij die verlangt’). En dat zijn maar enkele van de vele.
De verwijzingen geven de bundel een enorme betekenisdichtheid. Maar vooral zijn ze veel meer dan louter een ‘exercitie in postmoderne intertekstualiteit’, zoals Piet Gerbrandy suggereerde in zijn Volkskrant-bespreking bij het verschijnen van de bundel destijds. Ze leiden noodzakelijkerwijs de melancholie en het vitalistische in nieuwe banen. Alleen al daarom vraagt deze bundel om meer aandacht dan voor de àl te bekende aspecten van Hertmans poëzie.

 

Liesbeth Eugelink

 

 

Bronnen
-Gerbrandy, P., ‘Alleen het beeld bleef tochten. Hertmans denkt na over wat anderen al over het leven dachten’ (de Volkskrant, november 2003).
-Hertmans, S., Sneeuwdoosjes. Essays over literatuur, Meulenhoff/Kritak, Amsterdam/Leuven, 1989.
-Hertmans, S., Steden. Verhalen onderweg, Meulenhoff, Amsterdam, 2002.
-Piryns, P., ‘De verbeelding komt nooit aan de macht’, Knack, 18 april 2001.
-Schmid, W., Filosofie van de levenskunst. Inleiding in het mooie leven, Ambo, Amsterdam, 2003.
-Willockx D., ‘Een verblindend tegenlicht en oorverdovende stilte. Stefan Hertmans’ zoektocht naar de eerste dag (red. Harry Bekkerning en Jos Joosten)’, in Jan Campert-prijzen 2002, Uitgeverij Vantilt, Nijmegen, 2002.

Submit to FacebookSubmit to Twitter