door Ruben Hofma, 29 april 2015

 

Al in oktober 2013 zou Arnoud van Adrichem zijn derde dichtbundel publiceren: Geld. De publicatie is uiteindelijk opgeschoven naar januari 2015, wat – vast niet toevallig – overeenkomt met de verschijning van Dit kan niet waar zijn, Joris Luyendijks schrikbarende boek over de financiële wereld. Geld is de poëzie van diezelfde financiële wereld, en ook Geld is een beetje schrikbarend.

 

 

Geld is qua stijl volledig in lijn met Van Adrichems vorige bundels, Vis (2008) en Een veelvoud ervan (2010), bundels waarmee de dichter zijn originaliteit heeft bewezen. In het Nederlandse taalgebied vertonen de poëzie van Marc Kregting, Jan Lauwereyns, Guido Utermark en Tonnus Oosterhoff enige stijlovereenkomst met die van Van Adrichem. De overeenkomst lijkt te zitten in het observerende, het stellige, het zakelijke en het gebruik van de tegenwoordige tijd. Deze poëzie moet weinig hebben van gevoel, des te meer van verstand.

 

Het is verwant aan de Noord-Amerikaanse stroming van ‘language poetry’ waartoe onder anderen Ron Silliman en Barrett Watten worden gerekend, schrijvers van wie Van Adrichem de poëzie  geconsumeerd heeft. Klik hier voor een artikel over ‘language poetry’ en Ron Sillimans poëzie. Bij 3:AM Magazine vertelt Van Adrichem onder meer over zijn interesse in ‘language poetry’.

 

De bundel opent en sluit met een langgerekt, kortregelig gedicht. Daartussen staan drie afdelingen met enkele haiku’s, en vier afdelingen met de gedichtvorm die typerend is voor de dichter: een gedicht dat met een korte regel opent en sluit, met daartussen tien ongeveer even lange regels. Een voorbeeld:

 

*

Lees gedicht

 

*

 

Wij kunnen u helpen.
Met ontduiken, met ontwijken. Geld: god in circulatie.
Ook op zondag zijn onze geurige wasserettes geopend.
Dit is de manier waarop wij iets leren, wij geloven niet
in belastingen, in het plukken van gelukkigen. Zoals u.
Wij kennen het genot van contant betalen, alles ineens,
een slordige stapel bankbriefjes op tafel. Glaasje wijn?
Schrijf vijfhonderd keer op het schoolbord: adverteren
is existeren. Terwijl het krijtje kleiner en kleiner wordt,
groeit de regel in uw hoofd. Neonverlicht, knipperend.
Elkeen verdient een brievenbusfirma. Dat geloven wij.
Zo barmhartig kan de hemel zijn.

 

Arnoud van Adrichem

Zinnen als ‘Geld: god in circulatie’ en ‘Terwijl het krijtje kleiner en kleiner wordt, groeit de regel in uw hoofd’ zijn prachtig en blijven je bij, al zijn de regels van dit gedicht tamelijk vrij bij elkaar geassocieerd. De ruime associaties getuigen van enthousiasme en passen goed bij wat engagementdichter Van Adrichem belangrijk lijkt te vinden: het blootleggen van de overtuigingskracht van taal, en van overtuigingen en ideologieën.

 

In deze bundel proberen schijnbaar alwetende ‘wij’ anderen – ‘u’ – te overtuigen. Natuurlijk voel je je als lezer soms aangesproken door de ‘wij’, die te ontmaskeren zijn als belangrijke personen uit de financiële wereld. Deze bundel te lezen als aangesprokene maar niet te behoren tot de doelgroep van ‘wij’, is een grappige belevenis. ‘U’ is in deze bundel niet alleen de lezer, maar evenzeer de ondernemer die snel geld wil verdienen. Geld leest zo als een cursus optimisme over geld.

 

Niet altijd hebben ‘wij’ het tegen ‘u’. De gedichten waarin dat gebeurt, worden afgewisseld met gedichten waarin ‘wij’ Rijkman becommentariëren, een personage dat Van Adrichem regelmatig in gedichten aanhaalt. Hij is een baas der bankiers en wordt gevolgd van opkomst tot afgang. In de Rijkman-gedichten zijn ‘wij’ duidelijker alwetend, wat de vraag oproept wie ‘wij’ dan eigenlijk zijn, wat de gedachte oproept dat ‘wij’ misschien de dichter zijn die zich niet meer kon verstoppen.

 

*

Lees gedicht

 

*

 

Kruis of munt?
Rijkman laat het lot bepalen welke bank hij zal leiden.
Er hangt een zwaarte in de lucht, een stapelwolklijvig
verlies. Alsof de hemel op het punt staat uit te barsten.
Niet in regen, maar in felle kleuren of trompetgeschal.
Of een of andere onzichtbare waarheid uit zijn jeugd.
Het door zonlicht betoverde muntje wentelt omhoog,
hangt een tel biddend in het ijle, alsof het zich oplaadt
met Rijkmans toekomst. Wij worden er draaiierig van.
Het muntje oscilleert nog een keer, zet de afdaling in,
ketst af op zijn hand en valt op de grond. Welke kant?
Nog eens tossen.

 

Arnoud van Adrichem

‘Wij’ communiceren als onbegrensde positivo’s en halen in hun blakende enthousiasme, in hun overtuiging van de goedheid van het kapitalisme, er van alles bij. De eerste regel van de Van Adrichem-vorm waarin de geciteerde gedichten gegoten zijn, is er vaak één die de aandacht eist, omdat deze kort is en een bekende en/of geheimzinnige kreet. Dat trekt aandacht. Dan volgen de dikwijls ritmische, langere regels met concrete beelden, oneliners, overdrijvingen, bombastische woordkeuzes, retorische vragen en bovenal stelligheid. Een rivier van manipulaties, die via de afsluitende, kortere regel uiteraard uitmondt in zee: verleiding. Dat is althans dus de bedoeling van de ‘wij’.

 

Gluur je door het enthousiasme heen, dan zie je het cynische gezicht van de dichter. ‘Geld: god in circulatie.’ lijkt mij niet anders te interpreteren dan kritisch commentaar. Van Adrichems trucs om overtuiging in taal om te zetten, zijn zo naakt dat je het cynisme vanaf het eerste gedicht ervaart. Bezie ook het omslag: het titelwoord – de kortheid van de titel is al sprekend – dat groen als schimmel van het papier wil lekken. Je denkt: wie fundamenteel overtuigd is van iets, zoals de ‘wij’, ziet de problematische zijden van dat waarin hij of zij gelooft niet meer. Op zijn plaats is het om je af te vragen wat precies problematisch is aan de ideologie van het geld, wat ook een streven moet zijn van engagementdichter Van Adrichem.

 

Het gevaar met cynisme is dat het flauw aanvoelt wanneer je het herhaalt. Geld heeft, naast hier en daar overbodig ver uitweidende associaties – wellicht een gevolg van de beperking die Van Adrichem zichzelf oplegt door gelijke lengte van regels te willen en moeten vullen – die flauwheid helaas in zich. De bundel biedt echter mooie metaforen en gedachtegangen, zoals ‘De tafel staat vol met microfoons, kleurrijke bloemen.’ En: ‘Diep in ons schuilt een wapenhandelaar.’ Of: ‘Zonlicht schuift als een briefopener onder oogleden.’ En ‘Vingers zijn gemaakt om te graaien.’

 

Geld eist reflectie op de maatschappij: de spiegelfunctie van de kunst. De tijdgebondenheid van deze bundel –althans het noemen van persoons- en merknamen – vind ik niet mooi, maar het maakt de poëzie niet zwak; het past bij de maatschappelijke betrokkenheid die Van Adrichem graag toont. Net zo min is deze poëzie zwak vanwege een gebrek aan ziel of gevoel. Geld heeft andere intenties en vraagt om een andere manier van lezen. Het is een goed voorbeeld uit een poëziestroming die onder grote invloed staat van de ‘language poetry’ en die in Nederland langzamerhand goed vertegenwoordigd raakt.

 

Arnoud van Adrichem, Geld. Uitgeverij Atlas Contact, Amsterdam 2015, 96 blz., € 21,99.

Submit to FacebookSubmit to Twitter