Over de Mankes-cyclus in Gerichte gedichten van Willem Jan Otten

 

door Frans Berkelmans, 26 maart 2015

 

In dit essay bespreekt Frans Berkelmans de Mankes-cyclus in Gerichte gedichten (2011) van Willem Jan Otten, één van onze gastschrijvers. Dit artikel is een uitgebreide versie van een essay dat in Liter 77 verschijnt. 

 

Lees essay

 

Het bleef mijn vader trekken

 

Over de Mankes-cyclus in Gerichte gedichten van Willem Jan Otten

 

‘Blijf nog even morgen’ luidt de titel van de middelste afdeling van Gerichte gedichten (2011), de jongste poëziebundel van Willem Jan Otten. De afdeling telt acht gedichten, die inhoudelijk sterk samenhangen.1 Alle gaan ze over de relatie van de ik-figuur met zijn vader, wiens persoonlijkheid volgens de dichter op beslissende wijze is getekend door één catastrofaal gebeuren in zijn vroegste jeugd: zijn jongere broertje met wie hij zich buiten de poort had gewaagd, werd overreden door de tram. Dit drama is bepalend geworden voor de hele constellatie van familieverhoudingen, en werd als het ware geprojecteerd in het Jongensportret (1915) van de schilder Jan Mankes, dat familiebezit van de Ottens was. Hierover heeft Willem Jan Otten een aangrijpend essay gepubliceerd waarin hij de betekenis van dit schilderij voor de familie beschrijft.2 Dit essay is voor het begrip van de tweede afdeling van Gerichte gedichten van wezenlijk belang.

Binnen de acht titelloze gedichten vormen het tweede tot en met het zesde gedicht een cyclus: deze gedichten wijken van de overige af doordat ze niet-strofisch zijn en, genummerd van I tot V, onder de titel ‘Mankes’ bijeengehouden worden. Deze cyclus reflecteert op één enkel gebeuren: een bezoek van vader en zoon aan het Scheringamuseum voor Realisme te Spanbroek in Noord-Holland. Daar wilden zij het bewuste Jongensportret van Jan Mankes nog eenmaal samen bekijken.

 

 

Toen ik hem van u vertelde

 

Toen ik hem van u vertelde
van uw aanhoudend aanhoren
luisterde mijn vader zwijgend
haalde hij zijn schouders op.

 

Niet uit onverschilligheid
laat staan uit ergernis –
verontschuldigend veeleer.

 

Zijn zwijgen sinds zijn coma –
rivier die ’s nachts een verdronken broer
stroomafwaarts draagt.

 

Hij werd zo stil dat toen hij stierf
hij eerder vermist was dan dood.

 

Heeft u hem alsnog verrast met uw bestaan –
Zijn mond open gebroken –
Hersens aangesloten aan zijn tong –
Hem aangehoord, zoals ik hem vertelde
dat u mij, zo ik eens zweeg –

 

Zwijgt hij sindsdien tot u vrijuit –

 

De ik-persoon heeft geprobeerd zijn vader deelgenoot te maken van zijn geloof, van zijn relatie met God. Zoals in deze hele bundel gebruikelijk, is het gedicht gericht tot een ‘u’.
De dichter heeft zijn vader over zijn bidden verteld: over ‘uw aanhoudend aanhoren’ (r. 2). Bidden is voor hem erop vertrouwen dat God luistert naar wie zich tot hem richt. De eerste strofe laat voelen wat een kloof vader en zoon op dit punt scheidt. Zowel van God als van de vader wordt gezegd dat zij zwijgend luisteren, maar terwijl de dichter in het zwijgen van God een antwoord verneemt,3 zwijgt zijn vader schouderophalend, niet uit onverschilligheid, laat staan uit ergernis, maar veeleer verontschuldigend.
Na de tweede strofe verspringt de tijd: de dichter kijkt terug op zijn vader, die inmiddels gestorven zal zijn.4 ‘Zijn zwijgen sinds zijn coma’ wordt getypeerd als: een ‘rivier die ’s nachts een verdronken broer stroomafwaarts draagt’. Dit aangrijpende beeld suggereert het verlies van een broer die hij zijn hele leven is blijven missen, een verlies dat niet bespreekbaar was en dat tot in zijn sterven in het onderbewustzijn wordt meegevoerd. Uit de erop volgende vijfdelige cyclus ‘Mankes’ kunnen we concluderen dat hiermee gedoeld wordt op zijn als kleuter verongelukte broertje Willy.
Van zijn vader zegt de dichter dat hij zo stil werd, dat zijn sterven zelf nauwelijks een te ervaren gebeuren was: de doodse stilte was al vóór het levenseinde ingetreden. De dichter eindigt het gedicht met een vijftal vragen waarin hij biddend zijn verlangen uitspreekt dat de patiënt mogelijk nog veranderingen in zijn geblokkeerde bewustzijn heeft mogen ervaren. ‘Heeft u hem alsnog verrast’ door hem zo veel helderheid te verschaffen dat hij de mogelijkheid van uw bestaan kon overwegen? Heeft u ‘zijn mond open gebroken’? Of ‘zijn hersens aangesloten aan zijn tong’? Heeft u zijn stille gedachten aangehoord, zoals ik hem vertelde wat u jegens mij pleegt te doen? Deze vragen culmineren in de vijfde vraag die doelt op een verhoring van zulk een gerichte aandacht.
Deze vragen worden niet met een vraagteken maar met een gedachtestreep afgesloten. Het brengt een niet aflatend verlangen van de dichter tot uitdrukking. Het zijn vragen die hem zelf blijven bezighouden.

 

Na dit openingsgedicht volgen vijf gedichten over een tocht van de dichter met zijn invalide vader naar het Scheringamuseum. De eerste vier gedichten hebben een lengte van 15 tot 25 regels; met het vijfde loopt het verslag uit op een mystieke ervaring. Dit brengt de taal onder hoogspanning, de woordenvloed dijt uit tot 87 versregels. Vooral tegen het eind, waar het relaas zijn climax bereikt, dreigen grammatica en logica geen houvast meer te bieden, het taalbouwsel lijkt te gaan wankelen en over de top te gaan. Het onverwoordbare verschijnt in iconiciteit.

 

 

I

 

Het was na twaalven,
en het was de dagelijkse eindtijd
die zichzelf herhaalt
herhaalt met steeds één slag.
Hoe lang had ik de slaap
al niet meer echt vertrouwd?
Vader houdt zich elders stervende,
morgenochtend naar hem toe,
zoon gaat onder in de grote stad.
Het wijde raam geopend naar de nacht.
Ik lag in bed mijn moeheid voor te wezen
door Pascal te lezen, stampende,
zoals ik altijd lees, ik las mij
als een renner naar de bergetappemeet,
daar moet de slaap mij vatten,
in de laatste bocht voor nog
één klim, mijn rede klimt en klimt,
sla mij met slaap, sla mij
mijn niet te sussen denken uit, stort mij
nog voor ik weet heb van de zonenstort
de koker zonder bodem in,
ik lees mij voor de slaap uit
die mij op de hielen zit
en denk het ene steeds net niet:
waaróm heb ik vannacht mijn raam
zo wijd gezet, waar wacht ik op?

 

In dit eerste gedicht van de cyclus ‘Mankes’ beschrijft de dichter zichzelf zoals hij ’s avonds laat in bed ligt te lezen. Hij is met zijn gedachten bij zijn vader: ‘Vader houdt zich elders stervende, / morgenochtend naar hem toe / zoon gaat onder in de grote stad.’ Wellicht is hij vooral bang door te gaan piekeren over zijn zorgen, in vicieuze cirkels terecht te komen. De dag is voltooid, ‘het was de dagelijkse eindtijd’: het tijdstip associeert met het levenseinde en met het einde aller tijden. De twaalf maal herhaalde klokslag versterkt dit nog. Door te lezen en te blijven lezen bewijst de ik-persoon er niet op te vertrouwen dat de slaap wil komen.
De versregel ‘zoon gaat onder in de grote stad’ is nogal cryptisch. Verderop in dit eerste gedicht is sprake van een te vrezen ‘zonenstort’. Het neologisme doet denken aan de mythe van Icarus, door Ovidius verhaald in zijn Metamorfosen. Heeft de dichter neiging om te tobben over zijn uitgevlogen zonen die in hun overmoed in de grote stad zouden kunnen crashen?5 Blijkbaar ziet hij zijn bekommernis over zijn vader in samenhang met zijn zorgen om uitgevlogen zonen. Zo plaatst de dichter zich hier in een keten van meerdere generaties binnen de familie, waarvan elk op zijn beurt de impact van het tragische ongeval ondergaat.
‘Vader houdt zich stervende’, vervolgt het gedicht. Wat daarvan de oorzaak kan zijn, laat zich raden op grond van wat verderop ter sprake komt aangaande een onbespreekbaar gespreksthema. Er is een parallel tussen de stervende vader en de verteller die de slaap niet kan vatten. Beiden ontbreekt het aan overgave, zij kunnen het leven niet loslaten. De ‘ik’ zegt van zichzelf: ‘Ik lag mijn moeheid voor te wezen door Pascal te lezen.’ Hij wil blijkbaar niet toegeven aan z’n vermoeidheid in de hoop onverhoeds te worden overvallen door de slaap.
Het wijde raam staat open naar de nacht terwijl hij leest. Pascal is lectuur waar je je hoofd bij moet houden. De dichter pleegt dat ‘stampende’ te doen, zoals hij te verstaan geeft. Hij leest half hardop en benadrukt daarbij de accentdragende lettergrepen als het ware pompend zoals een wielrenner zich naar de eindstreep van de bergetappe stampt.6 Gefixeerd op de tekst die hij leest, vereenzelvigt de denkende dichter zich met een klimmende wielrenner: ‘mijn rede klimt en klimt’. Dan schakelt de tekst over in de imperatief: ‘sla mij met slaap, sla mij / mijn niet te sussen denken uit’. Een tot ‘u’ gerichte bede, die vervolgt met: ‘stort mij / nog voor ik weet heb van de zonenstort / de koker zonder bodem in’. Hij hoopt de slaap te vatten voordat hij weer gaat tobben over zijn kinderen.
De dichter leeft blijkbaar gedurig in het besef van Gods tegenwoordigheid, hij weet zich in alle omstandigheden door hem gezien. Hier lijkt een tegenstrijdig gevoelen te spelen. Op bewust niveau houdt hij de zorgen van zich af, maar onbewust heeft hij een vaag besef van Gods alziende aanwezigheid. Hij heeft zelfs het raam wagenwijd opengezet, wat erop lijkt te wijzen dat hij onbewust verlangt door die Alziende gezien te worden. En dit mag begrepen worden als een vaag verlangen om alles wat hem uit de slaap houdt aan die Alziende toe te vertrouwen.

 

 

II

 

Ik had die dag mijn vader opgehaald,
rolstoel in de kofferbak,
voetensteuntjesworsteling,
meanderende heenwegdialoog,
Spanbroek, dagtocht het museum in.
Mijn vader wist precies wat hij
mij wilde laten zien: het koppetje
van Mankes en ik wist waarom:
het schilderij heeft Opa Otten
toebehoord, het is verkocht
bij wijze van pensioen,
maar bleef mijn vader trekken
als een pas begraven kind.
Het deed hem denken aan
zijn eerste dode en die was zijn broer –
Willy, bijna drie, onder de tram.
Hij wilde rollen zijn geheugen in
en daar vrij man zijn want
ontvankelijk en samen met zijn zoon.

 

In het tweede en derde gedicht haalt de slapeloze dichter zich een belevenis met zijn vader voor de geest die de tragiek van de stervende scherp doet beseffen. Hij heeft zijn vader opgehaald, die aan een rolstoel gekluisterd is en als zijn wens te kennen had gegeven om samen met hem in het Scheringamuseum te Spanbroek het jongenskopje van Mankes te gaan zien. Op de heenweg bewoog de dialoog grillig, meldt het gedicht, wat erop lijkt te wijzen dat de dichter een meer doelgericht gesprek had verhoopt. Wellicht had hij graag gezien dat het bewuste schilderij, dat immers doel was van de reis, onderwerp van gesprek was geworden.
De vader van de dichter had in de late jaren negentig dit schilderstuk van de hand moeten doen als aanvulling op zijn karig pensioen. Het stuk is hem evenwel blijven trekken ‘als een pas begraven kind’. Het familiestuk vertegenwoordigt voor hem iets als een niet afgesloten hoofdstuk van zijn leven. Opnieuw ermee geconfronteerd worden zou voor de vader de hele familiecatastrofe bespreekbaar kunnen maken. Zowel vader als zoon lijken van ditzelfde verlangen vervuld.
De vader ‘wilde rollen zijn geheugen in’, zegt het gedicht. Deze plastische verwoording is adequaat: moeiteloos wordt de man in een andere locatie gemanoeuvreerd, maar tevens wordt met de minste schijn van opzettelijkheid een situatie geschapen om het verlangde onderwerp ter sprake te brengen. Hij wilde daar ‘vrij man’ zijn, ‘want ontvankelijk en samen met zijn zoon’. In zijn gewone omstandigheden meent de vader blijkbaar niet op ideale wijze open te kunnen staan voor de persoonlijke betekenis van het schilderijtje. Daar kwam het wellicht nooit verder dan clichématige opmerkingen. Die benadering zou bij dit museumbezoek doorbroken kunnen worden. De omstandigheid dat hij met zijn zoon alleen was, was voor hem daarbij van wezenlijk belang. Hij besefte blijkbaar dat zo’n gesprek ook ander licht zou werpen op de relatie met zijn zoon. Zo hoopt de invalide vader de herontmoeting met het schilderijtje nieuw te beleven.

 

 

III

 

De terugwegdialoog had niet gevlot,
er was daar in het zaaltje
iets ongebeurd gebleven,
Mankes’ jongen had opzij gestaard.
Hij weet zich al te zeer een lazarus,
dat maakte ik ervan,
het was te erg een laatste kans geweest,
althans, zo schatte ik de stilte in
die als een domper in de auto hing.
Moest me concentreren op de weg
want er brak een noodweer uit,
u was bepaald op dreef,
die dag was het benauwd geweest,
augustus dus. Het lukt me niet,
dacht ik, waar is het ene woord
van spreek en het gesprek is heel,
laat nu uw oude dienstknecht gaan.

 

Het gesprek op de terugweg had niet gevlot: ‘Er was daar in het zaaltje iets ongebeurd gebleven’. Het was niet tot een open gesprek gekomen over hetgeen dit schilderijtje voor zijn vader en de hele familie betekent. ‘Mankes’ jongen had opzij gestaard’, zegt het gedicht. Dat is heel letterlijk op te vatten: het portret is en profil geschilderd. Maar deze formulering wekt de indruk dat de als levend opgevoerde geportretteerde een echte ontmoeting opzettelijk ontweek. Er ontstond geen oogcontact; het kwam dus niet tot een ‘gesprek’ tussen Kees en zijn jong gestorven broer. Hun onderlinge relatie kwam niet tot nieuw leven.
‘Hij weet zich al te zeer een lazarus, dat maakte ik ervan...’ Dit wordt gezegd van de vader; de uitspraak is een interpretatie van de ik-figuur. Het overlijden van zijn broertje, waarvoor hij als vijfjarige stilzwijgend verantwoordelijk was gesteld en zich sindsdien verantwoordelijk is blijven voelen, heeft de vader levenslang met schuldgevoel beladen. Willy’s overlijden was zijn eigen dood; hij voelde zich als een Lazarus teruggeplaatst in het leven, veroordeeld om zijn broertje te overleven.
De nieuwe confrontatie in het museum was al te zeer met hoge verwachtingen beladen als ‘een laatste kans’ om het levenslange trauma ter genezing open te leggen. De frustratie maakte de stilte in de auto tot een domper. De ‘ik’ moest zich als chauffeur bovendien concentreren op de weg, want er brak een noodweer uit. Aan deze mededeling voegt de dichter toe: ‘u was bepaald op dreef’. Wilde het gesprek tussen vader en zoon niet vlotten, de hemel was bepaald op dreef. We mogen er tevens een ironische, half cynische opmerking in verstaan waarmee de dichter deze force majeure kwalificeert als een welkom excuus voor het mislukken van het gesprek.
En zo blijft ‘het ene woord’ waardoor het gesprek vlot zou kunnen worden getrokken weer ongezegd. Had dat woord gesproken kunnen worden, dan was er communicatie ontstaan over een diep verdrongen trauma, dan zou zijn vader innerlijk geheeld kunnen worden, dan zou hij kunnen sterven. Hij zou met de oude Simeon in de tempel van Jeruzalem kunnen zeggen: ‘Laat nu, Heer, uw knecht in vrede gaan’ (Lucas 2,29).

 

 

IV

 

Dit dacht ik niet daar in mijn bed,
ik las, keek op noch om,
ik meed het open raam
en wist terdege dat ik meed,
ik las om niet te weten dat ik meed,
ach mijdende het mijden mijdende,
zo ben ik al mijn zes en vijftig jaren
hoogbegaafd geweest,
ik las Pensées in ’t schijnsel
van mijn beddelamp en meed
die naar de kamer kwam,
die als een raamwijd oog
gedrukt staat aan het gapend
glasloos raam, satijndiepzwart
en knipperloos als van een roofuil
de pupil, gesperd, een oogbal
met daarachter nergens netvlies,
roofdier ongeveer zo groot
als heel het uitspansel –
zo stond u tegen mijn kozijn
gedrukt met adem in
en ik las Pascal en klik –
maar voor ik klik
het beddelampje klik
voel ik mijn hart,
het bonst hoog in mijn keel,
toch klik ik nog het lampje uit.

 

‘Dit dacht ik niet daar in mijn bed’. Deze woorden sluiten aan bij het slot van gedicht I. De gedichten II en III moeten als een intermezzo gelezen worden. Gedicht I sloot met de vraag ‘waaróm heb ik vannacht mijn raam zo wijd gezet, waar wacht ik op?’ Die vraagstelling was geen bewuste gedachte, meldt hij hier. Hij was geconcentreerd op zijn lectuur van Pascal en had slechts zeer impliciet en vaag weet van het opengezette raam, als het ware in de ooghoek van zijn niet op het raam gerichte aandacht. Hij meed de gedachte daaraan zelfs, en van dat mijden was hij zich bewust: ‘ik las om niet te weten dat ik meed’. Ach, ik meed wel het meest de gedachte dat ik bewust het besef van dat mijden verdrong. De dichter is zich terdege bewust dat hij zijn hele leven nooit anders heeft gedaan dan iets waaraan hij niet wil denken, te verdringen, waarbij hij beseft dat het toch wel weer de kop zal opsteken. Die gewoonte heeft hij zich eigen gemaakt en daarin noemt hij zich ‘hoogbegaafd’.7 In dit geval gaat het om het weet hebben van dat opengezette raam: de transcendente dimensie van zijn bestaan, die hij beseft te verdringen terwijl hij die tegelijkertijd bewust wil beleven.
Zo las hij Pascals Pensées in het schijnsel van zijn bedlampje en probeerde niet op te merken dat iets of iemand naar de kamer kwam. Hij wordt die aanwezig komende op mysterieuze wijze gewaar: deze is zonder gestalte als een raamwijd oog, dat gedrukt staat aan het glasloos raam. Dat ‘raamwijd oog’ is knipperloos en satijndiepzwart als de wijd opengesperde pupil van een roofuil, zo groot als heel het uitspansel... Het is een soort alziend oog, een oogbal zonder netvlies daarachter. De aanwezig gekomene wordt ervaren als de tegenwoordigheid Gods, als de aangesproken ‘u’.
Het kijkende oog stond tegen het raam gedrukt ‘met de adem in’. Deze bepaling typeert de gestalteloze bezoeker als een mysterieus wezen, dat zich in absolute stilte tegenwoordig stelt, maar de formulering suggereert tevens hoe de waarnemer zichzelf voelt. De Pascal-lezer klikt werktuiglijk het leeslampje uit. Maar tegelijk met die klik voelt hij zijn hart hoog in zijn keel bonzen. De klik waarmee hij het lampje uitdoet gaat gepaard met het aanwezig komen van de ‘u’. Dit complexe gebeuren bevestigt de tekst viermaal met het woord ‘klik’. Het moet het moment zijn dat hij besluit met lezen te stoppen om zich aan de slaap over te geven.

 

 

V

 

Het was mij al gewaar,
nog vóór het tot mij door
gedrongen was.
Ik wist al wat ik had gezien

voor het mijn netvlies had geraakt,  [5]
het was mij ingeslagen
als een bliksem maar het was
geen licht, het was juist
absoluut geen licht,
geen beeld, geen flits, geen glimp,  [10]
het was het raam het was juist niets
en toen had ik mijn licht
al uitgeknipt en zag ik even
één seconde niets en wist:
dit bent u dus, dus dit bent u,  [15]
te laat te laat,
ik val het pikkedonker
van de eindeloze koker in,
u leidt tot niets, u springt
dwars door het raam  [20]
en slaat mijn duisternis
met duisternis en dringt
mijn duister in, in mij
ontsluizende uw duisternis,
u kwam als duister  [25]
uit mijn eigen duister
opgeweld en bleek,
zoals u binnen viel,
u bleek gedoopt in blauw,
het ene vleugje minder zwart  [30]
dan zwart en tegen dat kobalt
stond afgetekend
langzaam helderder
het silhouet van in de tuin
de es en elke tak elk blad  [35]
stond als geëtst
en uit dit lichter duister
steeg nu kamperfoelie op
zo kwam het aangedreven
uit zichzelf, zoals een lezer  [40]
uit zijn lezen naar de regels
van het donkere gedicht
komt opgeweld, zo steeg
de kamperfoelie op uit mij,
het steeg zoals ook ruisen  [45]
van mijn eigen bloed
gestegen komt
uit aan mijn oor gedrukt
een schelp en ook het minste spatje
van de minste druppel op  [50]
een lager esseblad klonk op
en ook het snuiven van de egel
bij het poezenluik ja zelfs de slakken
ver beneden in de keuken
zetten zich aan ’t schuiven  [55]
over de plavuizen zonder
dat de hond aansloeg schoven
door geen een geweten
dan door u
mijn binnentredend duister  [60]
en toch wist ik mee te weten
van het slakkenschuiven
deelde ik u
duisternis
uw slakken mede  [65]
gaf ik u dat ik besefte
gaf ik
duisternis
te kennen dat ik duisternis besefte
dat u was het duister  [70]
dat het mijne kende
lichtend de nacht als de dag
dat u was het geuren dat mij rook
de stilte die mij hoorde
werd u mij het binnentreden  [75]
in het binnenste het zaaltje
met daarin de lijst waarin
het jongetje opa Ottens Mankes
dood het broertje kwam hier
aangerold mijn vader  [80]
en zij sloegen gade opa
jongen zoon verslonden
door de stad en vader
en zij hoorden wat zij wisten
en zij wisten vader eindelijk  [85]
blijf nog even morgen
kom jij op het ene woord

 

Als een bliksem
‘Het was mij al gewaar, nog vóór het tot mij doorgedrongen was’, zo gaat het relaas in het omvangrijke slotdeel verder. Het voornaamwoord ‘het’ verwijst hier naar het ‘raamwijd oog’ waarvan in het midden van het vierde Mankes-gedicht sprake was. De eerste regels spreken uit dat het zich present stellende ‘oog’ zich eerder aandiende dan dat de ‘ik’ zich daarvan bewust werd. Als altijd gaat het goddelijke ook hier aan het schepsellijke vooraf. Maar ook ging het besef van gezien te zijn vooraf aan mijn eigen waarneming van dit gezien zijn, zegt de dichter. Het wederzijdse waarnemen is blijkbaar primair van geestelijke aard: ‘Ik wist al wat ik had gezien voor het mijn netvlies had geraakt, het [besef] was mij ingeslagen als een bliksem, maar het was geen licht’.
Hier dient zich een godservaring aan die de dichter op klassieke wijze verwoordt, een wijze die sterk doet denken aan beschouwingen zoals we die onder meer vinden bij Augustinus.8 Om een gewaarworden van God ter sprake te brengen, kan de door God geraakte mens zeggen dat hij God ziet, maar even goed dat hij zijn stem hoort, dat hij zijn zoete geur ruikt, dat hij hem proeft of zijn aanraking voelt. Hier zegt de dichter: ‘het [besef] was mij ingeslagen als een bliksem, maar het was geen licht’. De dichter bedient zich van paradoxale beeldspraak: de bliksem was absoluut geen licht, geen beeld, geen flits, geen glimp; wat plotseling gezien werd ‘was het raam’, ‘het was juist niets’. Het geziene heeft geen gestalte, is beeldloos, het wordt enkel gelokaliseerd als ‘het raam’.
‘En toen had ik mijn licht al uitgeknipt en ik zag even één seconde niets’. De dichter beschrijft hier een bekend verschijnsel: na het plotseling doven van een lichtbron is het oog nog niet ingesteld op zijn object (er is een ogenblik tijd nodig voor de zogenaamde donkeradaptatie). Het is opmerkelijk dat de ‘ik’ juist op dat moment van absolute donkerte beseft dat het God is die zich presenteert. Hij ziet God als duisternis, als de Onkenbare.9 Hier laten zich verschillende kenmerken van een mystieke ervaring onderscheiden: het gebeuren is plotseling, het geziene is onmededeelzaam en alleen in paradoxale termen te omschrijven (hier als donker licht en gestalteloos). Kenmerkend is ook dat de duiding voor het subject volstrekt geen twijfel laat: ‘dit bent u dus, dus dit bent u’. De geloofszekerheid drukt zich niet zonder overstatement uit: het voegwoord ‘dus’ suggereert een logische gevolgtrekking, waarvoor hier ten enenmale alle grond ontbreekt. Door dit ‘dus’ te herhalen, wordt die suggestie zó provocerend, dat de uitspraak daarmee een pertinent geloofsgetuigenis wordt. Een godservaring is voor de betrokkene nooit discutabel, maar absolute zekerheid, ook al is die innerlijke zekerheid aan derden niet rationeel over te dragen.
Verder is het kenmerkend voor een religieuze ervaring dat de mens daarvan niet de initiator is, ze overvalt hem onverwachts. Ze kan nauwelijks worden voorbereid, hoogstens door de omstandigheden begunstigd. Het besef van de ervaring valt niet samen met het overrompelende moment, maar volgt erop, altijd ‘te laat’ om het registrerend vast te houden. God laat zich alleen op de rug zien, altijd achteraf, ondervond reeds Mozes (Exodus 33,18-23).
De ‘ik’ heeft het gevoel dat hij de bodemloze koker van het pikkedonker in valt. In gedicht I werd in vergelijkbare woorden over in slaap vallen gesproken. De beelden die nu volgen zouden aan dromen kunnen doen denken. Deze interpretatie wordt evenwel weersproken door de omstandigheden. Het uitklikken van het lampje valt niet samen met het overmand worden door de slaap. De ik-persoon klikt het lampje bewust uit, omdat hij zich vermoeid genoeg voelt om zich over te geven aan de slaap, waarvan hij verwacht dat die nu snel zal komen.
Gods aanwezig komen in het pikkedonker ontsnapt aan elke zintuiglijke waarneming. Van dit gebeuren wordt gezegd: ‘u leidt tot niets’. Ik denk te moeten interpreteren dat het gebeuren niet objectief valt waar te nemen; het is alleen een innerlijk gebeuren dat het bewustzijn geheel in beslag neemt. De ‘ik’ wordt niet geconfronteerd met een andere werkelijkheid tegenover zich, maar wordt als het ware opgeslokt in Gods duisternis waarin hij even verdwijnt. Ook dit soort eenwording is kenmerkend voor een mystieke ervaring.
‘U springt dwars door het raam en slaat mijn duisternis met duisternis en dringt mijn duister in’. De dichter verwoordt zijn ervaring van Gods komen met te zeggen dat God zijn duisternis in hem ontsluist. De eigen duisternis verdwijnt als het ware in Gods duisternis en wordt er oneindig door verdiept en omvademd. Abyssus abyssum invocat, zouden we met Psalm 42 kunnen zeggen.
‘U kwam als duister uit mijn eigen duister opgeweld en bleek zoals u binnen viel...’ Ik ben geneigd dit ‘bleek’ (r. 27) te lezen als persoonlijk werkwoord (niet als koppelwerkwoord, zoals in r. 29).10 Het betekent hier dan: u kwam uit mijn eigen duister opgeweld en manifesteerde zich ‘zoals u binnen viel’ (r. 28 als bepaling van gesteldheid).11 Toen het volstrekte zwart was opgetrokken en het binnengevallen duister door de donkeradaptatie veranderd was in ‘het ene vleugje minder zwart dan zwart’, toen ging tegen dit kobalt zich langzaam helderder het silhouet aftekenen van de es in de tuin. En geleidelijk worden daarvan ook de details van tak en blad scherper. Tegelijk daarmee gaan hem ook de reuk en het gehoor open.
Uit het lichter duister ‘steeg nu kamperfoelie op / zo kwam het aangedreven uit zichzelf’. ‘Uit zichzelf’ (r. 40) in de zin van zich openbarend: evenals u ‘als duister uit mijn eigen duister kwam opgeweld’ (r. 25-27). De wederkerigheid van de werking van het ongeschapen en het geschapen duister illustreert de dichter vervolgens met een poëticale vergelijking: zoals de lezer een gedicht tot leven brengt, zo wekt het gedicht vervolgens de lezer tot zichzelf. Op vergelijkbare wijze steeg de kamperfoelie op uit mij, zegt het gedicht (r. 43-44). Door te delen in Gods kennen gaan de dingen voor de kennende mens open en daarmee komt hij zelf tot meer zelfkennis. Zo is de ‘ik’ één met de duisternis die hem overvallen heeft.

 

Epifanie
De zintuiglijke gewaarwordingen in deze passage (r. 29-57), hebben het karakter van wat wel epifanie genoemd wordt.12 Het gaat om waarnemingen waarbij de zintuigen met een sterke intensivering werkzaam zijn. Dit verschijnsel wordt zowel in profane als in religieuze context gesignaleerd. In heiligenlevens en mystieke geschriften van alle tijden doet het zich voor.13 Een overbekend voorbeeld uit de profane literatuur is de sensatie die Marcel Proust onderging toen hij een kaakje in zijn thee dompelde. Bij verscheidene andere dichters en schrijvers van rond het fin de siècle wordt iets vergelijkbaars aangetroffen. In Nederland vinden we het onder meer bij Nijhoff.
Uit Nijhoffs dichtwerk verdienen twee voorbeelden het hier te worden genoemd. Allereerst de weergave van de bevreemdende, geenszins doodse stilte in de natuur zoals verwoord in ‘Het veer’ (waar evenals bij Otten de hond niet aanslaat!). Als tweede voorbeeld kan gelden een passage in ‘Het uur u’, die ik hier citeer:

 

De stilte die dan ontstaat
is een stilte, niet slechts naar de vorm
een stilte voor de storm,
maar een stilte van het soort
waar dingen in worden gehoord
die nog nimmer het oor vernam.
Zo ook hier. Toen de man kwam
en met zijn gestrekte pas
voortliep, begon men het gas
in de buizen onder het huis
te horen, en het gesuis
van water onder de straat,
en, in de elektrische draad
naar radio en telefoon,
een vonkende zoemertoon
als waren er bijen in de buurt.

 

Na het zichtbare en na de geur wordt halverwege gedicht V nu ook het ruisen van het eigen bloed waargenomen. Op vergelijkbare wijze vermeldt de dichter het opklinken van het geringste spatje van de geringste druppel neerkomend op een lager esseblad. Tegelijk hiermee wordt ook het snuiven van de egel bij het poezenluik hoorbaar, en zelfs de slakken die ver beneden in de keuken over de plavuizen zijn gaan schuiven, zonder dat de hond aansloeg. (Dit laatste impliceert dat de waargenomen verschijnselen een extra dimensie openbaren.) En dit alles wordt waargenomen, terwijl volstrekt niemand van die gebeurtenissen weet heeft dan alleen ‘u’, die mijn duister bent ingetreden.
En toch... hoewel niemand hiervan weet had dan alleen ‘u’, besefte de ik-persoon dat hij ook deelgenoot was van dit weten van de ‘u’ omtrent het schuiven van de slakken. En zo – ik parafraseer – deelde ik met u, die duisternis zijt (r. 64), uw ervaringen van die slakken (r. 63 en 65). In mijn duisternis (r. 68) gaf ik u te kennen weet te hebben van mijn én ons beider duisternis (r. 69) en te beseffen dat u het duister bent dat mijn duisternis kent (r. 70-71), door en door kent zelfs, want voor u is het als daglicht: lichtend is de nacht als de dag, de duisternis is gelijk licht (r. 72 citeert Psalm 139). En zo gaf ik u eveneens te kennen dat ik besefte dat u het geuren was dat mij rook en de stilte die mij hoorde (r. 73-74). In de waarneming van het individuele schepsel is Gods waarnemen geïmpliceerd, doordat subject en object ineen vloeien. Het waarnemen van heel de schepping wordt hier beleefd als een dankzegging. De woorden ‘beseffen’ en ‘te kennen geven’ (r. 66 en 69) behelzen een dankbaar teruggeven van het ontvangene aan de schepper, een vorm van dankbare schatplichtigheid, zoals de dichter het verwoordde in zijn dankwoord bij de aanvaarding van de P.C. Hooft-prijs (mei 2014).

 

Zij hoorden wat zij wisten
Nadat het gedicht heeft beschreven hoe de ik-persoon al de ervaringen met de ‘u’ heeft mogen delen, zodat wisseling van subject en object optreedt, beleeft het dichterlijk ik in eenheid met de ‘u’ een gezamenlijk ‘binnentreden’ (r. 75) in het Mankes-zaaltje, een ontmoeting met alle betrokkenen van zijn overpeinzingen. Het is een ontmoeting die als een ‘antwoordende’ gebedsstilte wordt ervaren, en die voor het dichterlijk ik de betekenis en uitwerking heeft van een catharsis.
In dit zaaltje, waar het verongelukte broertje Willy present is in het schilderij van ‘opa Ottens Mankes’, komt nu ‘aangerold mijn vader’. En beiden – mijn vader en zijn jonge broertje – zien zowel terug als vooruit: zij sloegen gade... en zij hoorden... (resp. r. 81 en 84). Zij sloegen gade opa, hier opgeroepen en vertegenwoordigd door ‘zijn’ schilderij, en ook de ‘jongen’, die door zijn vader, het dichterlijk ik, kennelijk ervaren wordt als ‘zoon verslonden door de stad’. Naar deze representant van de vierde generatie werd in het eerste Mankes-gedicht reeds verwezen met dezelfde woorden. Over hem maakt de ‘ik’ zich kennelijk zorgen. Met ‘en vader’ (r. 83) duidt het dichterlijk ik zichzelf aan als vader van deze jongen.
En ‘zij hoorden wat zij wisten’ (r. 84): zij communiceren met elkaar over de toedracht en de beklemmende gevolgen van dit tragische ongeval, dat een schuldbeladen, onbespreekbaar onderwerp was geworden en waarvan elk van de betrokkenen op een eigen manier het slachtoffer werd. Zij hoorden van elkaar wat elk van hen reeds wist en van de ander vermoedde, maar wat nu met elkaar wordt gedeeld. Deze van God gegeven onderlinge uitwisseling brengt begrip, mededogen, verzoening en vrede. De betrokkenen begrijpen in het licht van het visioen dat het reeds vastgelopen huwelijk van de grootouders door dit drama definitief onherstelbaar werd.14 Zij begrepen van elkaar hoezeer vader Kees het slachtoffer was geworden van de ramp. In het al vaker genoemde Mankes-essay schrijft Willem Jan Otten onder meer dat hij pas jaren later ‘iets begon te begrijpen van het verstikkende drama dat zich in mijn vader afgespeeld moet hebben, en van het kind dat hij geworden was na het ongeluk. [...] Als het woord kind van de rekening ergens voor bedacht is, dan voor mijn vader, hoezeer mijn grootouders ook geprobeerd zullen hebben om dit te voorkomen.15 De dichter als kind van vader Kees zal begrepen hebben dat diens huwelijk hierdoor moest mislukken, zodat hij geen echte vader voor de ik-figuur werd.16 En op zijn beurt beroofde deze vaderloosheid de ik-figuur zelf van een model dat hem houvast bood in zijn eigen positie als vader. In zijn essays geeft Otten er herhaaldelijk blijk van dat hij in zijn jonge kunstenaarsbestaan geworsteld heeft met verslaving en dat hij altijd gezocht heeft naar vaderfiguren. Doordat hij een echte vader had gemist, zal hij het moeilijk hebben gevonden om zelf een goede vader te worden.
De hier in Gods licht beleefde familieconstellatie betekent begrip en verzoening met alle betrokkenen. Het visioen dat de dichter beleeft, is voor hem een troostrijke ervaring, die hem een bemoedigend woord voor zijn vader ingeeft: ‘vader, blijf nog even’ (in leven), want als je die tijd nog krijgt, dan kom jij wel op het woord dat je niet vinden kon, het woord dat het taboe weet te doorbreken en dat je bevrijdt uit je schuldbeladen isolement.

 

 

Het hagelde vannacht – wisselkiesjes

 

Het hagelde vannacht – wisselkiesjes
’s morgens op het schelpenpad

 

Boven op het laatste duin brak achter mij
zon door januarimist.

 

Ik daalde af, betrad de melkweg witte korreltjes
tot het zachte ribbelzand.

 

Meegekeken met het licht. Waarom ken ik u niet.
Keek en keek mij uit en keek

 

zoals ik keek toen ik hier met mijn vader keek
met mijn vader kijkende.

 

Waar bent u op uit met uw schepselen
aan de zoom van eeuwigheid

 

dat u hen plaatst voor kunnen denken
dat is voor het laatst het laatst

 

Het gedicht na de Mankes-cyclus is weer strofisch. Het roept de op Vlieland vertoevende ik-figuur op, zoals hij op een vroege ochtend naar zee wandelt. Op het schelpenpad treft hij de sporen aan dat het ’s nachts heeft gehageld. Hagel is neerslag bij koude lucht, die verheldering van uitzicht geeft en in frisse ozon doet herademen. Boven op het laatste duin breekt achter hem de januarizon door de mist. Afdalend naar het strand betreedt hij de met witte korreltjes bezaaide ‘melkweg’. De situering in deze atmosfeer op een nieuwe dag in het nieuwe jaar met zonlicht dat door de mist heen breekt, suggereert reeds nieuw bevrijdend zicht op het bestaan. De ‘wisselkiesjes’ op zijn ‘melkweg’ associëren met een nieuwe fase in de groei naar volwassenheid en doen een wijzere blik op bekend terrein verwachten.
In het middelste distichon reflecteert de wandelaar op zijn geloof, waarvoor de situatie van een wandelaar die op het laatste duin voor de zee komt te staan bij Otten al kenmerkend is. Hij kijkt met het licht mee. Hij heeft dus optimaal zicht, geen last van tegenlicht. Hij ziet met de ogen van het geloof; we mogen zelfs interpreteren dat die ogen door de in de cyclus beschreven godservaring gewassen zijn. Toch beseft hij dat dit nieuwe scherpere zicht beperkt is: ‘Waarom ken ik u niet’. Het blijft kennen in geloof, zeer ten dele en vol raadselen. Maar hij spant zich in om naar vermogen die werkelijkheid te doorgronden: ik ‘keek en keek mij uit’. Maar ook nu beseft hij Gods werkelijkheid niet uitputtend te kennen. Hij moet denken aan zijn vader met wie hij eerder naar de zee gekeken heeft in de hoop dat dit bij hem een vergelijkbare oneindigheidssensatie zou oproepen. Maar hij moest ervaren dat naar hetzelfde kijken niet per se leidt tot hetzelfde zien.
In de beide slotstrofen spreekt de ik-figuur een biddende bedenking uit: waartoe plaatst u ons, schepselen, aldus in volle vrijheid voor zulke open levensvragen? U gaf immers mijn vader, die hier voor het laatste van zijn leven stond, de imposante oneindigheid te ervaren zonder dat de verwondering daarover tot een geloof leidde. Hij stond hier in dubbele zin ‘aan de zoom van eeuwigheid’: vlak voor de oneindige zee op het eind van zijn leven, ‘voor het laatst het laatst’.

 

 

Ik heb mij van u overtuigd

 

Ik heb mij van u overtuigd
als een blinddoek van zijn oog,

 

vader vloeide voort uit zoonliefs
laatste ademtocht en ademde hem in.

 

De afdeling eindigt concluderend met een gedicht van haast aforistische beknoptheid. De dichter knoopt aan bij het openingsgedicht van de afdeling, waarin hij bij zijn vader belangstelling hoopte te wekken voor zijn geloof.
Ik heb mij zekerheid verschaft omtrent ‘u’, zegt de eerste strofe, en wel vanuit het perspectief van zijn vader. Hij heeft, samen met zijn vader over de zee kijkend, getracht hem iets van God te laten bespeuren. Dat was kijken met een blinddoek voor zijn oog. Voor de vader was er volstrekt niets te zien, voor het dichterlijk ik was het ‘als ziende de Onzienlijke’ (Hebreeën 11,27).
Het tweede distichon geeft verklaring: ‘vader vloeide voort uit zoonliefs laatste ademtocht’. Dit ‘zoonlief’ kan gelezen worden als doelend op het verongelukte broertje Willy, met wie en in wie hij, om zo te zeggen, het enigst kind heeft moeten worden in het gezin. Hij ‘vloeide uit hem voort’: sinds het overlijden van zijn broertje ontwikkelde hij zich tot een persoonlijkheid die geheel bepaald werd door dit tragische overlijden, het ging zijn identiteit bepalen. Zo internaliseerde hij zijn laatste ademtocht: samen met hem is hij dood gegaan. Die laatste ademtocht inademend moest hij als de schuldige overlevende voortleven. De overlevende heeft dit sterven nooit kunnen verwerken, het maakte het leven voor hem absurd. Vandaar ook dat hij schouderophalend reageerde op elke geloofsreferentie (zie het openingsgedicht).
De dichter formuleert de slotstrofe zo, dat zich tegelijk sterk de associatie met Jezus’ levenseinde opdringt, waarbij we vooral moeten denken aan het getuigenis daarvan volgens het Johannesevangelie. Christus’ laatste ademtocht ‘Het is volbracht’ valt daar samen met ‘Hij gaf de Geest’. Ieder leven en sterven is voor de gelovige dichter een leven en sterven ‘in Christus’. De dichter overweegt dat dit ook voor zijn vader geldt. Lijdend aan zijn verongelukte broertje heeft hij Zoonliefs laatste adem ingeademd, hetgeen het werk is van de Geest. En daarmee is misschien, ondanks vaders schouderophalen, toch nog een positief antwoord gesuggereerd op de laatste vijf vragen van het openingsgedicht.
Samen met het vorige gedicht maakt dit slot de samenhang van de gedichten in deze afdeling tot een hecht geheel, zodat de hele afdeling gevoeglijk een cyclus mag heten. In dit besluit van de afdeling is alles verdisconteerd wat de Mankes-cyclus te verstaan gaf: vader en zoon hebben vrede met elkaar.

 

De gedichten zijn met toestemming van de auteur overgenomen uit: Willem Jan Otten, Gerichte gedichten, Van Oorschot, Amsterdam 2011.

 

Frans Berkelmans 

 

Noten
1. De hier ontwikkelde interpretatie heeft veel te danken aan gesprekken met Tineke van Kampen.
2. Gepubliceerd in dagblad Trouw (21-11-2009), opgenomen in de essaybundel Een ridder van de Engelse drop (2014), pp. 121-128, resp. in Droomportaal (2014), pp. 59-66). Ook op trouw.nl te raadplegen (december 2014).
3. Zie de slotregels van ‘Ik ben gezegd en afgeduwd’, p. 5 van deze bundel, en de uitspraak ‘Ik twijfel niet aan uw bestaan zolang u tot mij zwijgt’ in het derde gedicht van de titelcyclus in de bundel Eindaugustuswind (1998).
4. Kees (Gerrit Cornelis) Otten, geboren 28 november 1924, stierf 25 september 2008.
5. Het terugkerend motief in Ottens poëzie maakt dit voorstelbaar. Zie ‘Eerste tocht de winter uit’ 3 (alsook 4 en 5), ‘Litanie van een vader na het eindexamen van een zoon’, resp. Eindaugustuswind, pp. 77 e.v. en 86; ‘Zoonsverhuizing’, Op de hoge, p. 47.
6. Deze vergelijking krijgt achtergrond vanuit het aan de sprinter Bahamontes gewijde gedicht in de bundel Welkom (2008), pp. 34-37.
7. In een ander gedicht uit deze bundel, ‘Ik heb u beoefend’, p. 15, noteert de dichter: ‘in vergeten was ik hoogbegaafd’.
8. Ik denk aan zijn mystieke Brief aan Paulina, die handelt over de vraag: ‘Kunnen we God zien?’ Zie de uitgave van die brief onder deze titel met heldere inleiding en toelichtingen door Thijs Rutten (2009).
9. De hier en verderop veelvuldig herhaalde woorden ‘duister’ en ‘duisternis’ zijn kenmerkend in de mystiek ter aanduiding van God. Denk aan de donkere nacht bij Johannes van het Kruis.
10. Willem Jan Otten gebruikt het werkwoord ‘blijken’ ook elders wel in deze betekenis: ‘Eens breken ons de vliezen van het blijken’ (in Op de hoge, p. 9); ‘wat terstond gebleken is’ en ‘O zing niet dat je bent, zing dat je blijkt’ (in Welkom, resp. p. 4 en p. 11).
11. Dit woord ‘opwellen’ gebruikt Otten graag (behalve in r. 27 ook in r. 43). Het komt ook voor in bovengenoemd essay over Mankes’ Jongensportret. Daar vergelijkt hij Mankes met Vermeer: ‘Bij Vermeer valt het licht van buiten naar binnen – het creëert al schijnende de wereld die je ziet. Bij Mankes komt het licht uit het object zelf.’ En hij vervolgt naar aanleiding van ‘Eitjes bij berkestam’: ‘De twee matglanzend-witte eitjes zijn, in het overigens lichte schilderijtje, schijnbaar hun eigen lichtbron. Misschien is dat de formulering – bij Mankes wellen de dingen uit zichzelf op (curs. FB), hun licht is, om het theologisch te zeggen, immanent, en het is opvallend hoezeer het hem uiteindelijk om ‘wit’ gaat, opdoemend uit een donkerder, doffer achtergrond.’ (Een ridder van de Engelse drop, p. 122, resp. Droomportaal, p. 60).
12. Vgl. Dick van Halsema, Epifanie (2006).
13. Om een recent voorbeeld te noemen verwijs ik naar het leven van Porphyrios van Athene, de onlangs heilig verklaarde Grieks-orthodoxe starets, die leefde van 1906 tot 1991: Altvater Porphyrios von Kavsokalyvia. Leben und Lehre, Kreta 2006.
14. Over een niet bijkomstige omstandigheid zie Ottens dagboek De bedoeling van verbeelding (2008)2, p. 126.
15. Zie Een ridder van de Engelse drop, p. 125, resp. Droomportaal p. 63.
16. In de essays ‘Kroniek van zoon die vader wordt’ en ‘Kind in de gang’ in De letterpiloot (1994) wordt hij opgevoerd als de gemiste en afwezige vader.

Submit to FacebookSubmit to Twitter