De kracht die voortkomt uit onmacht

 

door Ruben Hofma, 17 maart 2015

 

[Onderstaand artikel is een voorpublicatie uit Liter 77; dit nummer verschijnt eind maart 2015. Onder het artikel zijn extra links opgenomen.]

 

Er bestaat een filmpje van het NK Poetry Slam 2010 waarin een slungelige jongeman poëzie bidt. Het publiek moet hebben vermoed dat de jongeman Nederlands kampioen zou worden. Vorig jaar werden achtentwintig van zijn gedichten opgenomen in Ademgebed. Een postuum debuut. Martijn William Zimri Teerlinck overleed op 10 december 2013. Hij leefde 26 jaren en ging sinds zijn geboorte gebukt onder het syndroom van Marfan (een aandoening aan het bindweefsel), een aspect waar zijn poëzie nauwelijks zonder kan.

 

 

In de internationale muziekwereld stond Teerlinck bekend als The Child of Lov, een artiestennaam die herinnert aan een liefdeskind in het bijzonder: Jezus Christus. Geen toeval, Teerlincks poëzie is doorspekt van religieuze termen en in het Ademgebed-voorwoord van Erik Jan Harmens staat dat Teerlinck geloofde in God.

 

Teerlincks poëzie is gevuld met eindigheidbesef en daar komt veel ademhaling aan te pas, zoals in deze strofe: ‘in adem opgeslo- / ten / en bewaard in deze / nauwe klokdarm.’ Vaak met mysterieuze taal betrekt de dichter in zijn poëzie over de vergankelijkheid van het menselijk lichaam ook andere lichaamsvormen, zoals boom, dier en steen. Wellicht is dat de uiting van een al bij leven missen van aardse zaken, en wilde Teerlinck uit dat vooruitlopende gemis zelfs die dingen zijn die mensen niet kunnen zijn; een ultieme poging tot verbondenheid met het aards bestaan. Deze gedichten zijn de in taal gevatte kracht die door ernstige onmacht werd uitgelokt. Ze zijn onvermijdelijk emotioneel, en sterk en veelzeggend met passages als ‘mijn ribben zijn de bergen van jeruzalem’ en ‘mijn opengekorven vijgengezicht / werd vanuit de schaduw van de steen / in het oog van de woestijn ge- / worpen.’

 

In enkele gedichten, zoals ‘Vanuit de mozeswolk’, lijkt de dichter bij wijze van visioen zichzelf in de hemel te positioneren en van daaruit zijn stoffelijke rest te herkennen: ‘in jouw lijn van witte as / druk ik mijn vinger af // zo bezaai ik / mijn verdoofde / niethuid // en het hartland / klopt mij toe // nacht nacht nacht.’ Zijn poëzie is een openbaring. Er zijn lastig te bevatten passages, waaronder de openingsregels ‘ik heb een brede lach van afgeknipte takken / en eeuwwervels houden mijn rug bij elkaar / en hoog in mijn oren fluisteren kinderen / hun liedjes door luchtgedroogd tandvlees’, en er zijn minder lastige passages die ongelofelijk doordacht ogen: ‘spreken is worstelen met licht, / de vertaling van een litteken, / een altijd nieuwe wond.’

 

Gedichten zo beheerst qua woordgebruik en tekstpositionering, en taal zo poëtisch als die in Ademgebed, zijn zeldzaam. Volgens mij behoort de bundel tot de krachtigste poëziedebuten die de laatste jaren, ja decennia, in het Nederlandse taalgebied zijn verschenen. Onbegrijpelijk is het als je leest dat Teerlincks poëzie keer op keer werd afgewezen door literaire tijdschriften en uitgeverijen. Pas bij zijn overlijden kwam men tot inkeer en gingen Harmens en uitgeverij Lebowski aan het werk met een nagelaten manuscript om recht te doen aan Teerlincks levensvatbare inzet.

 

Niet alleen schreef Martijn Teerlinck poëzie, hij dacht er ook goed over na. In 2008 stelde hij in een interview met Op Ruwe Planken dat ‘een dichter boven alles een oprechte stem moet zijn van zichzelf.’ Bij Ademgebed kun je van oprechtheid uitgaan. Dat merk je aan de woorden, de klanken, de persoonsvormen waarvoor de dichter koos. Daarachter steekt het besef van een levensbedreigende aandoening. Teerlinck schreef deze gedichten met een geest, een stem en een lichaam met een syndroom. Hij wrong ze uit zijn lijf als water uit een drijfnatte washand.

 

De oprechte stem van Teerlinck lijkt wonderlijk genoeg veel op de stem van Ernst Meister in met name de korte regels en hun strakke enjambement, de zinsbouw, de keuze van woorden die verwijzen naar natuur en lichaam. Heel in de verte doet de thematiek bovendien denken aan die van Achterberg, maar Teerlincks poëzie is nog meer in zichzelf gekeerd en mysterieuzer.


Knap is dat terwijl zijn gedichten thematisch dicht bij elkaar liggen, Teerlinck niet steeds dezelfde woorden gebruikt, maar kiest voor vernieuwing. Ook knap: zijn zorgvuldige omgang met leestekens. Teerlinck hanteert zelfs – net als Meister – het verbindingsstreepje bij bewuste woordafbraak, waarmee hij een klein hedendaags taboe aanvalt.

 

In de rijke woordenschat zijn ook de zwakheden te vinden van Ademgebed. De veelheid aan metaforen wordt te veel van het goede wanneer de dichter in zijn associërende manier van schrijven het reeds geschrevene te vaak herhaalt. Het is een teken dat Teerlinck meer lef had kunnen vergaren, een teken dat zijn gedichten nóg indrukwekkender hadden kunnen worden. Ademgebed eindigt met ‘hier zijn de graten en hier zijn de vaten en hier is de adem / en hier is de amen / en hier is de amen / en hier is de amen.’ Amen ja, maar het is niet over en uit na deze hartverscheurende uiting. Door zijn muziek en poëzie zal Teerlinck lang herinnerd worden.

 

Martijn Teerlinck, Ademgebed. Lebowski, Amsterdam 2014, 64 blz., € 17,50.

 

Leestips

Hier zijn de eerste pagina's van Ademgebed te lezen. 
Lees hier vier gedichten die niet zijn opgenomen in de bundel. 
Ten slotte treft u hier nog meer ongebundeld werk aan.

Submit to FacebookSubmit to Twitter