Teunis Bunt over Die vleugels, 21 januari 2014

 

In de inleiding op Die vleugels schrijft Leo Vroman dat hij de laatste jaren ‘abnormaal veel gedichten’ produceerde. Die gedichten heeft hij chronologisch opgenomen in zijn nieuwe bundel, die de periode maart 2010 tot en met juni 2012 bestrijkt: 160 bladzijden maar liefst.
De bundel opent met: ‘Ik wou geen dichter zijn, / zelfs geen grote in het klein, / maar kan dit nog.’ Dat kun je wel zeggen: Die vleugels is een rijke, sprankelende bundel.

 

 

Vroman gebruikt in elk gedicht rijm, gecombineerd met een wat losjes gehanteerd metrum. Misschien dat mede daardoor veel van zijn gedichten iets lichts hebben. Maar meer wordt dat veroorzaakt door de gedachten in de gedichten, die bijna nergens somber of zwaar zijn. Vroman hangt aan het leven en zuigt het op. Het leven voert natuurlijk naar de dood, dat schrikt echter niet af: ‘Ik omhels de dikke Tijd / die mij de nacht in sleurt / bij mijn al verdwenen haren’. Vroman is bijna 99 en de gedachte aan het einde is hem vertrouwd: ‘Ik woon toch al een hele / tijd veilig weggedoken / in de schaduw des doods’.

 

Er zijn gedachten aan hoe dat zal zijn, dood en daarna, ‘Hoewel we niet echt verlangen / naar of zelfs geloven / in eeuwig’. Vroman vraagt zich bijvoorbeeld af of hij dood nog kan nagenieten en waarheen hij zal dwalen als dode. In ‘Enige uitvindingen’ schrijft hij: ‘zal het hel of hemel zijn / waar mijn as en gas heen stijgen? / En dan zie ik het al te gauw: / het is de hemel en die is blauw.’

Een enkele keer komt de Dood als persoon voor:

 

De Dood en ik

Lees gedicht

 

De Dood en ik

 

Gehuld in prachtige gewaden
naderde de Dood. Strompelend,
en hele zinnen mompelend.
Telkens moest ik raden

 

naar de langste woorden.
‘Doodmoe van de dood,’
zei ze, ‘al die massamoorden…
mag ik even bij je op schoot?’

 

In kranten werd die nacht gemeld
dat de slachting van drie dorpen
die zich niet hadden onderworpen
even is uitgesteld.

 

MORAAL

 

Wie erg liefheeft mag nog even
doorgaan met zo te leven.

 

De Dood wordt bepaald niet als afschrikwekkend gezien; ze draagt prachtige gewaden. Ze is moe van ‘al die massamoorden’ en ze vraagt of ze bij de ik op schoot mag. Dat zal hij toegestaan hebben, want de vermoeide Dood komt niet meer toe aan de slachting van drie dorpen. En niet aan de ‘ik’ die zoveel liefde heeft, ook voor de Dood, dat hij nog even liefdevol mag blijven leven.

 

Over het algemeen zijn Vromans gedichten vrolijk en liefdevol. Soms dringt het grote leed zijn verzen binnen. Dan steekt de woede op: ‘maar in steeds wredere bommen / van vergiffenisloze landen / schuilt het vergif nog van de / stomme domme kracht.
Nog geen twee weken na de moordpartij door Anders Breivik schrijft Vroman het gedicht 'Utoya 2', dat eindigt met een PS: ‘Is er een God, in godsnaam laat / dan die lieve God verdommen / alle kogels en alle bommen / naar een hel die niet bestaat.’
Zoveel doden in het wereldnieuws doen de ik denken aan het feit dat hij nog leeft. Na de zeebeving bij Japan (maart 2011) schrijft Vroman het ontroerende gedicht ‘To Japan’. De tweede strofe: ‘I cry that I no more can cry / for all your dead en nearly dead, / cannot help and say instead / that I as well will die’.

 

Hier zit Vroman dicht op wat hij schrijft. Meestal neemt hij wat afstand en beziet zichzelf en de wereld. Misschien is dat de blik van de wetenschapper, die nieuwsgierig is en wil weten hoe het zit. 

In ‘De hoogste verdieping’ daalt hij steeds verder in zijn lichaam af, zoals bijvoorbeeld gebeurt in het tweede deel van het filmpje The Powers of Ten. Binnen het lichaam ziet de ik eerst de organen, dan de cellen, de eiwitmoleculen en de atomen ‘die gehuld in elektronen / kwantumachtigheid vertonen.’

 

Steeds weer komt terug dat de individuele mens deel is van de kosmos en Vroman maakt daar met liefde deel van uit: ‘Wat ik het meeste liefheb is / dit volledige heelal’. In ‘Verliefde momenten’ beschrijft hij hoe het ene moment verbonden is met het andere. Vroman noemt dat ‘de liefde tussen de ogenblikken’. Dat geldt voor het weer (‘hoe zeg maar diep in de nacht / ieder ogenblik van de wind / getrouw het andere verwacht’) en voor de ruimte (‘Ik zie ons heerlijk wijde / uitzicht, doorsneden / met wegen waar auto’s reden / rijden en zullen rijden’) die vergeleken wordt met wat in het lichaam gebeurt (‘als het eten op reis in mijn darm / waarvan de cellen arm in arm / mijn momenten langs laten glijden’).

 

Vroman moet dan constateren dat hij van alle dingen een deel is, ‘want met alles en alle tijden / een ondeelbaar geheel / in deze stamboom van picoseconden, / eeuwig vertakkend en eeuwig verbonden, / uit pure leegte ontstaan. / Ik was van tevoren / in haar liefde geboren / en zal in haar liefde vergaan.’

 

Die vleugels is een bewonderenswaardige bundel. Veel gedichten, in zo korte tijd geschreven en ook nog zo veel gedichten die spannend zijn om te lezen! De nieuwsgierige blik waarmee Vroman zichzelf en de wereld beziet is aanstekelijk; je wilt met hem meekijken, meedenken, meevoelen. De warmte die door veel gedichten gloeit, is weldadig. Een bundel waar je een lang mee vooruit kunt.

 

Leo Vroman, Die vleugels. Querido, Amsterdam/ Antwerpen 2013, 160 blz, € 18.95.

Submit to FacebookSubmit to Twitter