door Len Borgdorff, 14 maart 2018

 

Eerst het gedicht.

 

*

Op een dag eind maart ging zij uit klimmen,

mijn reisgenoot, mijn leven uit. Of in.

Was het haar te donker waar wij verbleven?

Klimmende keek zij niet om. Ik dacht,

zij is als een loods, zij weet van een haven,

Boven of buiten raakte zij verzeild

in een juinende menigte. Er was iemand

in aantocht. Een sujet. Zij wrong zich naar voren.

Onrustig, op mijn hoede, alsof ik haar

ergens aan verliezen zou, ging ik haar na.

 

Hun wisseling van blik heb ik niet opgemerkt.

 

Van wat voor opwinding gloeide zij,

toen zij, na het aanschouwen

van deze stinkende struikelaar,

mijn ogen zocht en tot mij zweeg?

 

Het is sindsdien

alsof ik weer beginnen moet

met haar te zien.

 

Willem Jan Otten

 

 

Of het door dit gedicht kwam, weet ik niet, maar er volgde na het lezen een slechte nacht. Maar stel je toch eens voor: er liggen een man en een vrouw in een voor hun leeftijd iets te smal bed, waaraan ze verknocht zijn omdat ze elkaar binnen handbereik hebben. Ze kussen elkaar. De vrouw draait zich om, weg van het lampje dat de man nog laat branden om nog wat langer te lezen in Genadeklap, gedichten van Willem Jan Otten. De man geniet van de rustige taal van de gedichten, de zwaarte van de woorden, de sacralisering, lijkt het wel, van het alledaagse.

Dan legt hij het boekje op het tafeltje naast hem, doet het licht uit en zweeft weg in de diepte van de stilte. De stilte is niet een plat vlak waarover heen en weer krabbelt of tegenaan tikt, de stilte is een meerduidig gebied. De stilte is het wit in de poëzie.

 

En daarin in zakt de man weg en die man ben ik.

 

Een paar uur later word ik wakker, maar niet wakker, tussen vormen. Ze doen me denken aan de dikke olielagen die je vroeger wel tegenkwam op het strand. Maar dat zijn het niet. Lichamen zijn het, maar zonder structuur, zonder botten, zonder skelet. Het zijn plastic zakken vol gel. ‘Waar is de liefde?’ klinkt het.

 

En zij is weg! In maart 1971 zag ik mijn liefde in de tram. Ik fietste over de Laan van Meerdervoort en zij zat in lijn 3. Maar wat deed zij daar op een gewone woensdagmorgen? Waarom was ze niet op school? Ik ben hard achter de tram aan gefietst. Een paar haltes verderop stapte ze uit. Ze was het niet.

 

Ik schaamde me. En nu, in de nacht die meer heel donker wit is, dan zwart, schaam ik me er weer voor. Maar waar is ze? Was ik maar wat wakkerder. Ze komt terug. Ik word er wakker van en ga ook maar even naar het toilet, terug naar de platte gang der dingen.

 

Nog heel lang blijf ik daarna staren naar het donkere wit. Zij slaapt. ‘Verlaat me niet.’

 

Wat later, als ik wil roepen dat, maar ik weet even niet meer wat…, komt mijn moeder op mijn bed zitten. ‘Liefje, liefje, je droomt!’ En dan is het de moeder van Martinus Nijhoff die me probeert wakker te krijgen. En dan is het Vonne van der Meer. Maar alleen Mente zegt liefje. ‘Dankjewel. Dankjewel,’ zeg ik. Zij draait zich al weer om.

 

Ik streel haar rug, een soort gedicht, ik word er rustig van. Ze slaapt.

 

Willem Jan Otten, Genadeklap. Uitgeverij Van Oorschot, Amsterdam 2018.

Submit to FacebookSubmit to Twitter