door Len Borgdorff, 6 maart 2018

 

In het revalidatiecentrum zit de man die ik enkele maanden geleden heb zien handbiken. Ergens in Overvecht. Toen meende ik in hem de jongen te herkennen die 45 jaar daarvoor leerling was op de school waar ik als docent begon. Ik had hem niet in de klas, maar omdat hij toen ook al in een rolstoel zat, was hij me opgevallen en bijgebleven.

‘Heb jij op Blaucapel gezeten?’ vraag ik. Hij kijkt me een beetje nors aan. ‘Waarom zou je dat willen weten?’ Ik zeg hem dat ik nieuwsgierig ben en dat de vraag een paar maanden geleden in me opkwam toen ik hem op de fiets had gezien in zijn handbike. In Overvecht. Hij kijkt me aan en zegt niets. Misschien had ik het moeten laten bij goedemiddag om daarna door te lopen naar de kamer van mijn zoon. Daarvoor was ik hier.

 

 

Toen op de fiets, een paar maanden geleden nog maar, had hij er veel atletischer uitgezien, minder gehavend, vollediger ook. Realiseer ik me, terwijl ik vertel hoe ik op mijn vraag kom.

‘Wat gaf je dan?’ ‘Nederlands, maar nogmaals, jij hebt me niet gehad. Maar Jan de Bruin misschien wel.’

Zijn gezicht klaart op. Dat is wel erg toevallig, want gisteren had hij nog aan hem zitten denken. Jan de Bruin had ooit in de aula van de school ‘’t En viel ‘ne keer een bladtjen’ uit zijn hoofd opgezegd. En hij vertelt verder dat de hele zaal ademloos luisterde, naar dat lange gedicht van Guido Gezelle. ‘Zegt dat jou iets?’

Ik vertel dat ik er die avond bij was en dat ik het nog goed weet en zeg:

 

‘t Er viel ‘ne keer een bladtjen op
het water
‘t Er lag ‘ne keer een bladtjen op
het water
En vloeien op het bladtje dei
dat water
En vloeien dei het bladtjen op
het water

‘O, jij kent het ook?’

‘Flarden, hoor, alleen wat flarden. Maar dat komt ook door de uitvoering van Jan Decleir en Henny Vrienten. Die moet je maar eens opzoeken op internet. Zeer indrukwekkend.’

‘Ik zat bij Rian de Waal in de klas. Weet je dat? Ging altijd naar zijn Kromme Rijnfestival toe. Daar woonde ik tientallen jaren, net als Rian, in het Kromme Rijngebied. Ik heb niets met de stad. Verschrikkelijk. ’

‘Maar toen woonde je, mag ik aannemen, toch in Overvecht of zo?’ Hij verstart weer.

‘Jij hebt me niet gezien een paar maanden geleden, in Overvecht,’ zegt hij dan. ‘Dat moet veel langer geleden zijn, want ik zit al zeven maanden in dit revalidatiecentrum. Ze hebben me vreselijk te pakken gehad.’ Hij kijkt me boos aan en zwijgt.

‘Je hebt misschien wel door dat ik het niet over Overvecht wil hebben.’ En even later: ‘Dat wit van die auto die dan opeens over je heen trekt.’ Hij kijkt boos opzij. Als ik zijn blik volg, zie ik een meisje staan. Het duurt even voor tot me doordringt dat het Liesje is, mijn kleindochter. En dan hangt er ook ineens een klein jongetje aan mijn broek en als ik omkijk zie ik mijn zoons aankomen, de een loopt, achter de rolstoel van de ander. En Hanke loopt er naast. Ik schaam me voor mijn welstand.

De handbiker is intussen weggereden, zie ik. Voor hij een gang in rijdt zegt hij nog: ‘‘k Heb een afspraak.’

 

Lees gedicht

 

t Er viel ‘ne keer   

 

       (Herinnering aan Beethoven's Septuor)



‘t Er viel ‘ne keer een bladtjen op
          het water
‘t Er lag ‘ne keer een bladtjen op
          het water
En vloeien op het bladtje dei
          dat water
En vloeien dei het bladtjen op
          het water
En wentelen winkelwentelen
          in ‘t water
Want ‘t bladtje was geworden lijk
          het water
Zoo plooibaar en zoo vloeibaar als
          het water
Zoo lijzig en zoo leutig als
          het water
Zoo rap was ‘t en gezwindig als
          het water
Zoo rompelend en zoo rimpelend
          als water
Zoo lag ‘t gevallen bladtjen op
          het water
En m' ha' gezeid het bladtjen ende
          ‘et water
’t En was niet ‘t een een bladtje en ‘t an-
          der water
Maar water was het bladtje en ‘t blad-
          tje water
En ‘t viel ne keer een bladtjen op
          het water
Als ‘t water liep het bladtje liep.
          Als ‘t water
Bleef staan, het bladtje stond daar op
      het water
En rees het water ‘t bladtje rees
          en ‘t water
En daalde niet of ‘t bladtje daalde
          en ‘t water
En dei niet of het bladtje dei't
          in ‘t water
Zoo viel der eens een bladtjen op
          het water
En blauw was ‘t aan den Hemel end’
          in ‘t water
En blauw en blank en groene blonk
          het water
En ‘t bladtje loech en lachen dei
          het water
Maar ‘t bladtje en wa’ geen bladtje neen
          en ‘t water
En was nie' meer als ‘t bladtjen ook
          geen water
Mijn ziele was dat bladtjen: en
          dat water? -
Het klinken van twee harpen wa'
          dat water
En blinkend in de blauwte en in
          dat water
Zoo lag ik in den Hemel van
          dat water
Den blauwen blijden Hemel van
          dat water!
En ‘t viel ne keer een bladtjen op
          het water
En ‘t lag ne keer een bladtjen op
          het water.


Guido Gezelle

 

Guido Gezelle, Guido Gezelle’s Dichtwerken II. L J Veen’s uitgeversmaatschappij NV, Amsterdam [zj]

 

De uitvoering van Jan Decleir is te vinden op de cd Denkend aan de Dapperstraat. Boekenweek 1994

 

Ook te vinden via de link: http://www.woestenledig.com/woestenledig/2008/09/geluiden-bij-woest-en-ledig-5.html

Submit to FacebookSubmit to Twitter