door Len Borgdorff, 26 februari 2018

 

In antiquariaat Hinderickx & Winderickx presenteert Wim Hazeu zijn biografie van Lucebert. ‘Loedzjebert, zeg je, geen Lusebèer. Het combineert het Italiaanse met het Germaanse licht,’ corrigeert de man die hem introduceert. Ik denk onwillekeurig ‘Mussolini en Hitler.’ Hazeu vertelt dat de jonge Bertus zich vrijwillig meldt voor werk in Duitsland, omdat hij zo gecharmeerd is van de nazi-ideologie, inclusief het antisemitisme. Dat gebeurt een dag voordat de Arbeitseinsatz een verplichting wordt voor jonge Nederlanders.

 

 

Toen Halbe Zijlstra toegaf dat zijn aanwezigheid in een gezelschap rond Poetin een leugen was, deden de regeringspartijen daar aanvankelijk nogal losjes en luchtigjes over. Pechtold, Rutte, ze reageerden te luchtig, maar na de eerste schrik herstelde men zich. Zo sneed ik me ooit diep in mijn hand met een stanleymes. Ik keek naar de diepe witte snee. Ik voel nog niks, dacht ik. Er was nog geen bloed. De tijd nam de tijd om de ravage goed voor te bereiden. Er was niets aan de hand. Misschien was het bloeden van een diepe snee zojuist afgeschaft. Maar ik vergiste me.

Bij Lucebert heeft het daar alle schijn van. ‘We moeten de persoon van de dichter en zijn werk scheiden!’ ‘Hij is en blijft mijn vriend!’ ‘Hij was een geïndoctrineerd kind!’ ‘Vergeet niet om zoiets in zijn context te zien.’ ‘Moet je kijken hoe hij het later wel voor joden opnam.’ Allemaal Pechtold en Rutte en jongetjes met een stanleymes die een mogelijke ravage willen bezweren.

 

In 1953 wordt een andere Bertus met de pen onthoofd, gevieren- nu in kleine blokjes opgedeeld, en waar modern kunstminnend Nederland ook maar bijeenkomt, daar heeft men zo’n stukje op een schandblok geplaatst.

Als Bertus Aafjes de poëzie van de Vijftigers bespreekt in Elsevier begaat hij de stommiteit om te zeggen: ‘Lees ik Luceberts poëzie dan heb ik het gevoel dat de SS de poëzie is binnengemarcheerd.’ Het is een citaat uit een drietal artikelen waarmee Aafjes dus zijn literaire doodvonnis tekende. De in zijn carrière toch al gefnuikte dichter heeft zich er de rest van zijn leven voor geschaamd. Toen had de literaire profeet, die zich keizer liet noemen en zich met de Vondeliaanse stapeling van licht op licht in zijn pseudoniem tot een god verheven leek te hebben, Lucebert dus, met al zijn politieke en maatschappelijke engagement, toen dus, had hij samen met zijn vriendje Hans Andreus zijn bek open moeten trekken. Maar dat deed hij dus niet. Nee, dat deed hij juist helemaal niet! Eerst een stommeling met een grote bek en tien jaar later een lafaard met een nog grotere scheur.

 

Toen ik Koos ophaalde om samen naar  Hinderickx & Winderickx te gaan, zag ik op tafel het tweede deel liggen van de dagboeken van Hanny Michaelis, dat meisje dat in 1943 alle Duitsers doodwenste. Het zat in de genen van dat volk om slecht te zijn, volgens haar. Dat is racistisch, ja, maar van haar kan ik het hebben, om de dingen ook van mijn kant even hun context te zien. Die twee kunnen elkaar zomaar gepasseerd zijn, ergens langs een Amsterdamse gracht. Lucebert schrijft: ‘De Joodse sjacherige zwetsaard heeft ons Nederduitsers erg, erg besmet, in plaats van een rustig kalm, langs stille grachten wandelende en in middags onbeschenen kamers peinzende stam, zijn we een klap en kletsvolkje, een grote troep machtjoden geworden en ook in plaats van dappere heldere idealisten en vechters gelijk met de joden laf en alleen beducht en belust op materiële goederen, niets geen ideaal, geen religie, geen hoop en verlangen.’

 

Ik herlees 'Ossip Zadkine' van Lucebert. Dat begint met:

 

brandende straten zijn de stenen

door de poriën van de stenen zwemmen de vlammen

zij bidden en roepen

springen uit de ontstoken stenen huizen

springen uit de ontploffende wolken

gekletter gekletter gekletter

 

Vijftien was Lucebert toen Rotterdam gebombardeerd werd. Drie jaar later is hij het nazisme toegedaan en het antisemitisme.

 

Lees gedicht

 

ossip zadkine

 

brandende straten zijn de stenen

door de poriën van de stenen zwemmen de vlammen

zij bidden en roepen

springen uit de ontstoken stenen huizen

springen uit de ontploffende wolken

gekletter gekletter gekletter

een regen van kikkers

een hagel van hagedissen

de stenen zijn een regen van bloedende schouders

zijn een stroom van blaffende handen

een stapel van schichtige spieren

zij bidden en roepen

hoor onze ruimte

hoor de drie verschrikte rinkelende triangels van onze vluchtende ruggen

zaad spartelt op onze stijgende paden

klimmende klimmende

klimmende zijn de geschrokken zingende stenen:

 

zwevende zwepen zijn de stenen

fluwelen snaren zijn de stenen

niet tegenstrijdig zijn de stenen

niet tegenstaande de tweedracht

de stenen bloeden en genieten

een steekvlam is hun schaduw

hologig is hun welvaart

op violen spelend zwarte explosies

in peau-de-pêche holen vechtend

vechtend met blauwe vleugels

de stenen vallen en vallen

vliegen vliegen vliegen

hier is muziek

en daar is met donkere knokels kloppen

hier is rust en liefde

ginds van distels drift en pijn is

gebouwd de minzieke ruimte

 

biddende spieren spinnewielen gewonde winden

brandende steden zijn de stenen

 

Lucebert

 

Als we na de presentatie terugfietsen, zegt Koos niet te begrijpen waarom met #MeToo iedereen aan een hoge boom gehangen moet worden terwijl nu cultureel Nederland zich haast om de stommiteit van Lucebert te vergoelijken.

 

Zelf kan hij geen ontslag meer nemen of zijn excuses aanbieden en wij kunnen hem en ons zijn gedichten niet afnemen.

Maar ik veroordeel Lucebert. Een jaar lang zal ik hem een lul vinden en in die tijd zal ik voor straf geen gedicht van hem lezen.

Je moet persoon en zaak scheiden? Prima, maar dit jaar niet. Een jaar de lul, Lucebert.

 

Lucebert, Verzamelde Gedichten. De Bezige Bij, Amsterdam 1974

Wim Hazeu, Lucebert. Biografie. De Bezige Bij, Amsterdam 2108.

Hanny Michaelis, De wereld waar ik buiten sta. Oorlogsdagboek 1942-1945. Uitgeverij G.A. van Oorschot B.V, Amsterdam 2017

Submit to FacebookSubmit to Twitter