door Len Borgdorff, 19 oktober 2016

 

Vandaag valt er voor het eerst in 98 jaar niets te vieren voor mijn moeder. Zij overleed tien maanden geleden. Nu hadden we de gewoonte om haar verjaardag te vieren op de zaterdag of zondag die op die datum viel of die daaraan vooraf ging. Daarom stonden we gisteren bij haar graf. Dat is al 35 jaar het graf van mijn vader, pa’s graf zogezegd, maar zo wordt het ineens niet meer genoemd. Het is nu vooral moeders graf. Mijn broer en zus praten met haar, zeggen dat ze haar niet vergeten zijn en goed voor haar zullen zorgen. Ik ben daar minder van en zal niet iets tegen mensen in een graf zeggen als er anderen bij zijn. Hooguit, als ik helemaal alleen ben, wil ik nog wel eens de toestand in de ooit gedeelde wereld doornemen. Heel kort.

 

Intussen ligt het graf er goed bij, vooral dankzij mijn broer. Ik kijk even  naar hem. Wij zijn uit dezelfde elementen opgebouwd, maar met een andere dosering en ook anders gemixt. ‘Ik had de lavendel willen knippen vanochtend,’ zegt hij, ‘ maar die stond er nog zo mooi bij.’ ‘Dat zou zonde geweest zijn,’ vult mijn zus aan. Mijn dochter heeft de wagen van haar baby wat meer naar het graf gedraaid om de ontmoeting van haar lieve zoontje met haar lieve oma te faciliteren. Ze hebben elkaar op een haar na gemist in de laatste week van 2015. ‘Ja, hier is Oma Annie,’ zegt ze. Het jochie vindt alles best. ‘Oma Annie is je overgrootmoeder en ze had al net zo’n droge huid als mamma. Altijd maar smeren en maar smeren.’ Zonder een woord te zeggen verontschuldig ik mijn dochter bij mijn vader. Ze denkt niet aan u, denk ik hem toe, omdat ze u niet gekend heeft, maar dat zult u wel begrijpen.

 

Op deze ongecompliceerde zondagmiddag mengen zich op onontwarbare wijze de verst van elkaar verwijderde werelden. Het ontbreekt er nog maar aan dat niet ook de lavendel, die in oktober op het punt bloeien staat, niet het woord neemt, zoals in Nijhoffs gedicht het klimop doet.

 

‘Dromer’ zegt het klimop ‘kom van dat muurtje af,

ga heen en leg een deken op je moeders graf.

Zij moet het op den duur ontoegedekt koud krijgen

Nu zij in ’t klimop ligt en de sterren ziet stijgen.’

 

Door de lavendel houden we het graf open, bedenk ik. Over enkele weken zal die toch gekortwiekt moeten worden. In gedachten zie ik mijn broer er al mee bezig. Hij zal al knippend praten met zijn doden.

 

Het klimop

Lees gedicht

Het klimop

 

Als ik langs 't ziekenhuis waar zij verpleegd werd loop,

het is niet omdat ik op haar opstanding hoop,

het is omdat het klimop hoger is gaan reiken

dat ik op 't muurtje klim om door het hek te kijken.

 

Het is om het gebouw weer in de tuin te zien.

Ik ruik de rozen weer, ik ruik de creolien,

ik ga de trap weer op, ik loop door lege gangen,

ik kom weer voor de deur waar 't bordje is omgehangen.

 

Maar tegelijk, o klimop, die mijn slaap beroert,

hebt gij mij naar een verre dag teruggevoerd.

Ik lig in een prieel, ik ben een zieke jongen,

en zij zit bij me en heeft ons lievelingslied gezongen.

 

‘Ik ga een deken halen, het wordt koud, mijn kind,’

zegt ze. Haar lichte stap verdwijnt over het grint.

En ik tel wachtende tussen de klimopblaren

de sterren die reeds aan de hemel flonkrend waren. -

 

‘Dromer’ zegt het klimop ‘kom van dat muurtje af,

ga heen en leg een deken op je moeders graf.

Zij moet het op den duur ontoegedekt koud krijgen

nu zij in 't klimop ligt en de sterren ziet stijgen.’

 

Pas als we weglopen, valt me het tubetje Niveacrème op dat achter de lavendel is neergezet, met een lint erom heen. Ik kijk naar mijn dochter. ‘Dat is een cadeautje voor Oma.’ Ik haal adem om iets te zeggen, maar er tuimelen, zoals de hele middag al, zoveel verhalen uit zoveel verschillende werelden door mijn hoofd dat ik toch maar liever zwijg.

 

Martinus Nijhoff, Verzamelde gedichten, Bert Bakker, Amsterdam 1975.

Submit to FacebookSubmit to Twitter