door Stevo Akkerman, 1 oktober 2015

 

‘Christenen kunnen niet schrijven’, schreef Stevo Akkerman in Trouw. Len Borgdorff daagt hem in een briefwisseling uit samen verder na te denken over literatuur en geloof. Eerder deze zomer publiceerden we brief eentweedrie en vier van de hand van Len Borgdorff, afgewisseld door brief eentwee en drie van Stevo Akkerman. Hieronder volgt een vierde brief van Stevo Akkerman. De correspondentie wordt verder voortgezet, dus houd onze website in de gaten!

 

Lees brief

 

Badhoevedorp, 21 september 2015

 

Beste Len,

 

Acht keer bezocht je Scandinavië en al die keren verborgen de elanden zich voor jou achter de bomen, totdat ze zeker wisten dat jij hen niet meer zocht, dat je alleen nog naar andere dingen keek – de bomen dan maar, in hemelsnaam de bomen. En toen stak er een opeens vlak voor je ogen de weg over, doodgemoedereerd, alsof het hem niet uitmaakte dat jij had besloten dat elanden helemaal niet bestonden.

 

Dit moest een ergens teken van zijn, bedacht je. Maar waarvan? Ik weet het ook niet, maar aangezien je dit opvoert op het moment dat onze briefwisseling is aangeland bij de vraag of het literaire klatergoud het kan stellen zonder boodschap, sterker nog: of literatuur iets waar kan maken, ook in religieus opzicht, al was het maar voor de duur van een gedicht, vermoed ik een verband.

 

De vormfetisjist – zo heb je jezelf lang beschouwd, schrijf je – die op pad is gegaan om elanden te zien, raakt zo in de ban van zijn onderneming dat het zoeken zelf zijn doel wordt, en hoe langer de elanden zich schuil houden, hoe erger dat wordt: zoekt hij wel op de goede plek, hanteert hij wel de juiste hulpmiddelen, volgt hij wel de aangewezen techniek? Dat is het enige waar hij nog op kan letten – en dan stapt dat beest de weg op.

 

Ik laat me meeslepen door de vergelijking, en daarmee doe ik je onrecht, maar de verleiding is groot om te zeggen dat dit de boodschap van de eland is: laat de kunst van het zoeken niet de plaats innemen van wat je wilt vinden.

 

Verpakking of inhoud? Vorm of vent? Geef me beide. Vertel me verhalen, en vertel ze goed. En laat de vertelling dan, ook als iedereen erin faalt en onderuit gaat en anderen meesleurt, niet eindigen zonder een beetje mededogen op te roepen. Jou overkwam dat bijvoorbeeld met Thuis van Marilynne Robinson (dat boek is naar mij onderweg, zo heeft Amazon me verzekerd), mij overkwam het met haar debuut, Housekeeping, hoe rauw dat boek ook is. Ik mag Robinson overigens in november interviewen – wat zal ik haar vragen?

 

De komende drie weken heb ik mezelf schrijfverlof gegeven, in de hoop enige vooruitgang te boeken met een roman, en dat doe ik met in gedachten de opdracht van Francine du Plessix Gray: “One must observe with cruelty, describe with cruelty, yet end up with some sense of mercy.” Het is mijn ambitie een paar niet al te lelijke zinnen te maken, misschien zelfs een stuk of wat mooie, maar ik wil vooral het wrede verhaal vertellen van enkele mensen die elkaar treffen als gezinsleden. Om iets te vertellen over het leven.

 

“Uiteindelijk krijgt literatuur betekenis doordat de auteur iets op spel zet, zich committeert aan een onderwerp, een wereldbeeld, een emotie, een vraagstuk over zingeving of identiteit of wat dan ook,” schrijft Joost de Vries in het jongste nummer van De Gids. Want lo and behold, ook bij De Gids (sinds 1837) zijn ze verzeild geraakt in een gedachtewisseling over wat de roman kan doen. Maar ach, wat een moeizaam proza levert dat op. Niet uit de pen van De Vries – en hij heeft nog eens gelijk ook - maar wel uit die van zijn opponenten. Zij spreken onbekommerd van ‘mimetische literatuuropvattingen’ en reppen zonder gêne van een ‘radicaal relationisme’ dat bestaat uit ‘het verkennen van de mogelijkheden en beperkingen van de constructie van het individu (of subject) te midden van, en vooral ook door anderen’.

 

Moge Liter dergelijke wijsneuzerij bespaard blijven! Ook van mijn kant natuurlijk – ik heb hier iemand in huis die mij waarschuwt dat ik niet te ingewikkeld moet willen doen, en het lijkt me goed dat ter harte te nemen. Al beloof ik niets.

 

In hetzelfde nummer van De Gids wordt Frans Kellendonk geciteerd, en zijn lichtvoetigheid is een verademing bij alle deftigheid die men om zijn woorden heen drapeert. Dit is wat Kellendonk zegt over wat er gaande is in zijn werk: “Het is een ontwikkeling naar een grotere katholiciteit: van individu naar gemeenschap, van wijsgerig naar religieus, van hier tot gunder en, wat de publieke weerklank (…) aangaat, van het kastje naar de muur.”

 

Ook in onze correspondentie is Kellendonk ter sprake gekomen, vanwege het ‘oprechte veinzen’. Jij kunt er niet mee uit de voeten. En misschien is het ook wel een onmogelijke formule, die – daar gaan we weer – aantrekkelijk is als woordenspel, maar inhoudelijk te weinig betekenis heeft. Ik koos in mijn vorige brief voor de ‘suspension of disbelief’ als literair en religieus breekijzer – biedt dat meer perspectief?

 

En als we dan toch in hogere sferen belanden: jij stelt voor de roman of het gedicht te zien als een ‘god-achtig product’, zijnde ‘een schepping met eigen pretenties en potenties’. Maar is het niet logischer de schrijver god-achtig te noemen? De schepper in plaats van de schepping? Dat lijkt mij wel.

 

Maar ik weet niet of ik dan nog schrijver durf te zijn.

 

Groet, Stevo

Submit to FacebookSubmit to Twitter