door Stevo Akkerman, 16 september 2015

 

‘Christenen kunnen niet schrijven’, schreef Stevo Akkerman in Trouw. Len Borgdorff daagt hem in een briefwisseling uit samen verder na te denken over literatuur en geloof. Eerder deze zomer publiceerden we brief een, twee en drie van de hand van Len Borgdorff, afgewisseld door brief een en twee van Stevo Akkerman. Hieronder volgt een derde brief van Stevo Akkerman. De correspondentie wordt verder voortgezet, dus houd onze website in de gaten!

 

Lees brief

Badhoevedorp, 10 september 2015

 

Beste Len,

 

Wie schrijft en het geschrevene de wereld instuurt, moet haast wel willen communiceren. Je zou kunnen zeggen dat zo iemand een boodschap heeft, dat hij iets wil vertellen. Of misschien wil hij laten zien wat voor knappe kunstjes hij kan doen met de taal – dat is ook een boodschap.

 

Laat echter het woord ‘boodschap’ vallen in onze dagen en menigeen deinst vol afgrijzen terug: alles mag in de kunst, maar voor boodschappen gaan we wel naar de Lidl. Of naar de Marqt, als we ons dat kunnen veroorloven en er parkeerruimte is voor onze Volvo. Misschien vergis ik me en is de postmoderne weerzin tegen ‘de grote verhalen’ alweer op zijn retour, zo goed volg ik het allemaal niet. Maar mijn indruk is dat in de literaire salon nog altijd de neiging heerst om boeken te reduceren tot hun vorm, en levensbeschouwelijke noties – vooral als die afwijken van wat gemeengoed is geworden – met enige huiver tegemoet te treden, of liever nog geheel te omzeilen.

 

Zou het kunnen dat de door jou genoemde K. Schippers het geloof daarom ziet als een bedreiging voor de vrijheid van de schrijver? Dat hij bang is dat de boodschap het boek vermoordt? Dan neemt hij spiegelbeeldig dezelfde positie in als de christelijke orthodoxie die de vrijheid van de schrijver ziet als een bedreiging voor het geloof.

 

Zelf wil ik door een boek worden aangesproken op beide niveaus, dat van de taal als het voertuig van de boodschap, en dat van de boodschap zelf, in de vorm van het verhaal. En dan bedoel ik per se niet dat ik het met die boodschap moet instemmen, als dat al aan de orde is: vaak vraagt een vertelling helemaal niet om een dergelijke reactie. Maar Celine’s Reis naar het einde van de nacht heb ik niet uitgelezen omdat het nihilisme me te veel werd, en van Shusaku’s Stilte heb ik deze zomer genoten vanwege de grote humaniteit die eruit sprak.

 

Natuurlijk: weet een schrijver zijn bekeringsdrift niet te beteugelen, dan kan zich dat tegen zijn boek keren. Maar ik heb mij er niet aan gestoord dat Louis Paul Boon ‘de wereld een geweten wilde schoppen’ met De kleine oorlog, noch dat W.F. Hermans het geweten beschreef als niet veel meer dan een schaamlap. Het heeft bij literatuur geen zin te willen determineren waar de inhoud ophoudt en de verpakking begint – de lezer wordt geraakt (of niet) door de combinatie van beide, en geen lezer is hetzelfde.

 

Ja, bij het schrijven van Donderdagmiddagdochter had ik een publiek voor ogen, zij het nooit exclusief: hoe meer zielen, hoe meer vreugd. En inderdaad, ik wilde iets duidelijk maken over het geloof. Maar ik heb geen pamflet geschreven – en bij nader inzien vraag ik me ook af of de formulering ‘wilde iets duidelijk maken’ wel goed is. Ik wilde mijn verhaal opschrijven, ik wilde vertellen wat er allemaal gebeurd was, en dat in de literair sterkst mogelijke vorm. Maar niet als zomaar oefening in de vertelkunst – ik wilde ook iets kwijt.

 

Een pamflet doet een beroep op het denken van de lezer, maar een verhaal kan meer, omdat het kan toveren dankzij de suspension of disbelief, de lezer meevoerend naar werelden die hij niet kent, misschien niet eens zou willen kennen. Daar ligt, denk ik, de parallel met het ‘oprechte veinzen’ van Kellendonk, en met hoe Nijhoff als religieuze dichter ‘ontzettend zat te geloven in wat hij schreef’, zoals jij treffend formuleert. Daar is niets vals aan, als je het mij vraagt. Zoals Czesław Miłosz (mag ik hem nog eenmaal opvoeren?) de ‘biddende menigte’ van de katholieken van Krakau opzoekt om te kunnen mee-geloven, zo hebben dichters het woord opgezocht om hun disbelief op te schorten. Gerrit Achterberg:

 

En voor de duur van een gedicht geloven

 woorden en waarheid zich uw eigenaar.

 

Nog mooier is hoe Willem Barnard het verwoordde, sprekend over Nijhoff: ‘Hij geloofde in taal’.

Dat doe ik ook.

 

 

Groet, Stevo

Submit to FacebookSubmit to Twitter