door Stevo Akkerman, 5 augustus 2015

 

‘Christenen kunnen niet schrijven’, schreef Stevo Akkerman in Trouw. Len Borgdorff daagt hem in een briefwisseling uit samen verder na te denken over literatuur en geloof. Vorige week publiceerden we de eerste brief van de hand van Len Borgdorff. Hieronder volgt het antwoord van Stevo Akkerman. De correspondentie wordt verder voortgezet, dus houd onze website in de gaten!

 

Lees brief

Badhoevedorp, 21 juli 2015

 

Beste Len,

 

Ik wilde dat ik zonder zonde was, dan mocht ik stenen werpen – o, wat heerlijk lijkt mij dat. Ik wilde dat ik kon zeggen dat ik mensen niet indeelde in categorieën: christelijk, niet-christelijk, evangelisch, vrijgemaakt, orthodox, vrijzinnig, authentieke stemmen of aanstellers, schrijvers of kwezels. Dan kon ik je vragen wegwuiven en – neus in de hoogte – beweren dat het geen pas geeft te willen weten of ik een ‘christelijke auteur’ genoemd mag worden en, minder ernstig, of Donderdagmiddagdochter een geval is van fictie of non-fictie.

 

De wereld is te groot en huisvest te veel mensen om het rubriceren achterwege te laten. Natuurlijk zouden we recht moeten doen aan de onwaarschijnlijke opstelsom van eigenschappen die elk individu is, maar daar hebben we geen tijd voor en ook helemaal geen zin in, en dus kiezen we voor de shortcut van de stereotypering: geef even wat trefwoorden, dan weten wie je bent en wat we aan je hebben.

 

Ik doe het ook, dat zei ik al. Maar als anderen mij op deze manier willen vangen, dan ga ik spartelen. Omdat het label voelt als een dwangbuis. Christelijk auteur? Wat betekent dat? Dat mijn boeken thuishoren in de christelijke boekhandel? Maar daar ligt allemaal zoetgevooisde rommel. Dat ik christelijk schrijf? Maar ik zou niet weten hoe dat moest. Dat ik een christelijk publiek wil bedienen? Maar dat vind ik veel te beperkt. Dat ik een christen ben? Maar ik klamp juist graag vast aan die strofe van Czeslaw Milosz: 

 

‘Heb begrip voor mensen met een zwak geloof.
Ik geloof ook de ene dag wel, en de andere niet.’

 

Voor Donderdagmiddagdochter schreef ik twee andere boeken, en zelf dacht ik altijd dat mijn tweede, De inboorling, eigenlijk over verzoening ging en dat je het, als je zou willen, een christelijk boek zou kunnen noemen. Maar voor zover ik weet heeft niemand het zo gelezen. Het lag zeker niet in de christelijke boekhandel.

 

Ja, in Donderdagmiddagdochter komt het geloof zeer expliciet ter sprake, het bevat zelfs een credo, hoe minimalistisch ook: ‘Ik geloof dat God bestaat en verder weet ik het niet.’ Het is een credo dat ik heb moeten veroveren op de vrijgemaakte en evangelische wereld die mijn achterland is.

 

Wat is er tegen het een autobiografische roman te noemen? Dat zou mijn voorkeur zijn. In uitgeverstermen heet het literaire non-fictie, dat mag ook. Ik wilde in elk geval dat voor de lezer duidelijk zou zijn dat niets verzonnen was. Was dat wel zo geweest, dan zouden ook de passages over het totalitaire systeem van de vrijgemaakten en de niet-onschuldige evangelische malligheden als fictie gelezen kunnen worden – dat was niet mijn bedoeling.

 

Kun je mijn overwegingen een beetje volgen? Ben jij een christelijke dichter? Is Liter een christelijk literair tijdschrift? Dat staat wel op het omslag. Ik ben wat boeken aan het klaarleggen voor de vakantie. Lila van Marilynne Robinson. Stilte van Shusaku Endo. God, een open vraag van Anton Houtepen. Je zou er bijna iets van gaan denken.

 

Het is tijd om rust te zoeken. Of zoals Nijntje het zegt:


Als ik dan van al dat schrijven
toch wel erg ben afgemat
ga ik lekker zitten lezen
o, wat heerlijk lijkt mij dat.

 

Hartelijke groet,

 

Stevo

Submit to FacebookSubmit to Twitter