door Menno van der Beek, 26 november 2014

 

Herman Gorter werd 150 jaar geleden, 26 november 1864 om precies te zijn, geboren in Wormerveer. Als dichter debuteerde hij in 1889 met het lange gedicht Mei, waarvan de lezer de bekend veronderstelde beginregels zacht voor zich uit mag zeggen. In 1890 volgde Verzen. Daarna, in 1895, vertaalde hij de Ethica van de Joodse Nederlander Baruch de Spinoza en in 1898 werd het tijd voor een overzicht. Hij publiceerde School der Poëzie, een verzamelbundel in drie delen, waarin hij, om zijn voortgang te demonstreren, integraal de bundel Verzen opnam. In de afdelingen daarna liet hij zien hoe zijn dichtkunst was voortgeschreden.

Deel III, bijvoorbeeld, draagt een motto van Spinoza: ‘Substantia infinita extensa et cogitans is God, et infinita ex eo sequuntur.’

 

 

Herman Gorter (portret, wrsch. door Thérèse Schwartze)

 

Het geval wil dat ik voor een piepklein bedragje uit een muffe stapel op een boekenplank bij de kringloop te Ede een exemplaar van deze verzameling trok: twee euro, voor een boek dat het al honderdzestien jaar volhoudt. Met een klein schaamrood op de kaken langs de kassa geschuifeld. Schaamrood voor Gorter, bedoel ik.

 

 

Om een of andere mij nu niet meer bekende reden was het de drukkers in die dagen te veel de door het vouwen van de gedrukte vellen ontstane verbinding boven aan de bladzijden los te snijden voor de lezer. Maar dat geeft wel een mooi beeld van de eerdere lezing van dit specifieke boek. De lezer van dit exemplaar, ruim honderd jaar geleden, kwam, vrees ik, niet verder dan pagina 25, wat deel I betreft. De pagina’s van het boek zijn aan de bovenkant losgesneden – de eerste zelfs begerig losgerukt, zoals het de poëzieliefhebber betaamt. Met de vinger opengepeuterd, zou ik zeggen. Maar daarna is toch maar een pennenmesje gehaald; vers voor vers is het boek opengesneden. Tot pagina 25 dus.

 

 

Dit tere versje – nog uit Verzen, dus – deed blijkbaar de deur dicht. Niet meer verder het boek opensnijden. En dat, terwijl het zo een teer liedje is, een observatie, waarin de zachte klank van de woorden met uiterste weemoed het laatste restje boosheid uit een mens kan halen. Misschien daarom het mesje neergelegd. 

 

Maar, de lezer was nog wel nieuwsgierig naar de verdere ontwikkeling: precies vanaf deel III, de Spinoza-afdeling, pagina 163, is het snijden weer begonnen. Daar was onze lezer nog wel nieuwsgierig naar. En na het genoemde motto dus, begon het snijden en het lezen weer, daar ergens op de rand van de negentiende en de twintigste eeuw, bij mooi kaarslicht, hoop ik en met een mooi glas wijn op een houten tafeltje naast de comfortabele stoel. Tot pagina 193, dit keer, waarna het snijden weer stokt.

 


Nu denk ik dat het niet het ongeduld maar de ontroering is, die de lezer met het mes tegenhield. De allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie, geheel volgens de regelen der tachtigers, ongetwijfeld. Hier moet het gedicht de poëzielezer toch te machtig zijn geworden. Die lezer voelde ook ‘Een van dat laatsten’ te zijn. En de rest van de avond heeft de lezer voor zich uit zitten kijken, het halve glas op tafel en het pennenmes vergeten in de hand.

 

Herman Gorter heeft zichzelf daarna nog weer flink heruitgevonden: in 1903 schreef hij gewoon weer een bundel, die hij Verzen noemde. Misschien om te laten zien dat hij weer van voren af aan begon, met het socialisme, dit keer. En in 1905 bracht hij gewoon weer een bundeling uit, die hij School der poëzie noemde. Of onze lezer die nog onder ogen heeft gehad, dat weten wij niet. Het feit dat deze eerste poging verder onaangesneden ruim honderd jaar heeft liggen wachten, kan betekenen dat de lezer niet verder is gekomen dan dit deel. Ik heb dan ook de neiging, als monument voor Gorter en die lezer tegelijk, de verzen op de nog onaangebroken pagina’s te lezen door de bladzijden aan de onderzijde van elkaar te tillen en dan via de zo ontstane kier de verzen te ontcijferen. Dan blijft dat eeuw lezersavontuur intact. En ik heb geen pennenmes.

Submit to FacebookSubmit to Twitter