‘We bevinden ons in het heen en weer tussen wat men meent wat eigen en vreemd is; we leven in het verschil.’ Dat zei prof. dr. Johan Goud tijdens het symposium ‘Ontworteling: de schrijver als nomade’ dat op dinsdag 18 november 2014 plaatsvond in de Universiteit van Utrecht. Hij opende de dag door terug te gaan naar Abraham en de lijn door te trekken naar de religies waar deze nomade een belangrijke plaats inneemt. ‘Het nomadische raakte nooit vergeten.’

 

Het symposium maakt deel uit van een reeks symposia; eerder al stonden Arnon Grunberg (2010), Rutger Kopland (2011), Willem Jan Otten (2012) en Oek de Jong (2013) centraal. Dit jaar was het symposium voor het eerst thematisch ingericht; verschillende ‘nomadische’ schrijvers kwamen voor het voetlicht, bijvoorbeeld Hafid Bouazza, Abdelkader Benali en Mustafa Stitou.


Mustafa Stitou droeg op indringende wijze een aantal gedichten voor. ‘Feest’, ‘Anekdote’, maar ook het gedicht waarin de ik-figuur zijn dode vader draagt en, als hij echt niet meer kan, zijn vader vraagt een stukje mee te lopen. Dit gedicht greep mij aan, mede vanwege de vervreemding van de religie van de dode vader die erin doorklinkt. ‘Hij moet van zijn god met zijn gezicht naar het oosten liggen, dacht / ik, richting Mekka. Gelukkig vraagt hij me niet waar het oosten is, want / ik weet het niet.’ Het gedicht roept een scala aan emoties op die moeilijk te benoemen zijn. Illustratief is het gelach dat door de zaal klonk bij de woorden: ‘Vader / ik kan je niet dragen, het spijt me, kun je misschien een eindje meelopen?’ De humor, vermengd met verdriet en ernst, levert een gevoel op dat je alleen kan ervaren door het gedicht zelf tot je te nemen. Lees het gedicht hier. ‘Moedertaal’, een gedicht dat Stitou eveneens voorlas, is hier te lezen en te beluisteren. Een aanrader, want de stem van Stitou moet je gehoord hebben. Pas dan krijg je iets mee van de ban waarin Stitou de zaal tijdens zijn voordracht gevangen hield.

 

Jos Joosten, hoogleraar Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Nijmegen baande zich een weg door de Nederlandse Letterkunde, op zoek naar het nomadische. Joosten constateert dat de nomade bij dichters als Gorter, A. Roland Holst en Slauerhoff voornamelijk als symboolfiguur optreedt. Dit verschuift in de loop der tijd. De symboolfiguur maakt plaats voor de nomade als concept; een nomadische poëtica ontstaat. De poëzie dient zich niet langer te onderwerpen aan een Platoons wereldbeeld. Het classicisme heeft afgedaan. Dichters willen speuren en vragen stellen; ze gaan terug naar de explosieve oerkracht van poëzie en leggen nadruk op de wereld van het niet-vaststaande. De lezing van Joosten was bijzonder boeiend; het was een van de bijdragen die ik graag nog een keer overlees.

 

In een lezing over het werk van Hafid Bouazza vroeg Louwerse zich af hoe ongebonden deze auteur eigenlijk is. Bouazza wil zichzelf allesbehalve een culturele nomade noemen. Zijn culturele achtergrond is niet van belang voor zijn schrijverschap. Hij is een nomade, maar innerlijk. De verbeelding is bij Bouazza onbegrensd; hij zoekt de vrijheid binnen de taal, het spel, de literaire tradities. Een kunstenaar creëert volgens hem zijn eigen wereld; hij bevindt zich niet tussen twee werelden. Kunst is de individuele expressie van de individuele kunstenaar. Inderdaad, daar klinkt Kloos in door. Maar is totale ongebondenheid wel mogelijk? In zijn woordkeus en in de inhoud van zijn werk klinkt zijn achtergrond hoe dan ook door. Louwerse prikkelde mij door haar lezing om mij meer te gaan verdiepen in het werk van Bouazza.

 

Abdelkader Benali gaf in een column (die eigenlijk bestond uit meerdere kleine columns) aan veel gereisd te hebben en nog steeds veel te reizen. ‘De blik van de ander dwingt je om je verlangen kenbaar te maken.’ Johan Goud sprak over vormen van thuisloosheid bij Benali en Grunberg. Hij citeerde Benali: ‘Het is niet erg om ontworteld te zijn, zolang men maar in staat is er een verhaal van te maken.’ Zowel Grunberg als Benali knoopt aan bij Kafka: ze ervaren een insect te zijn, zij het op totaal verschillende manieren. Het thema identiteit is voor beiden essentieel in hun werk, maar bij Grunberg spiegelt het zich af tegen de donkere achtergrond van de Shoah-slachtoffers en bij Benali vormen de migranten het doek. Benali betreurt het dat kinderen al op zo’n jonge leeftijd hun identiteit moeten afbakenen. Een schrijver is in staat dit te doorbreken. Hij maakt zich tot niemand; een schrijver bevindt zich in een gelukzalig niemandsland. In dit kader kwam ook de list van Odysseus bij de cycloop Polyphemos aan bod. Dat zette mij aan het denken; nooit eerder heb ik een dergelijke duiding van dit verhaal gehoord of gelezen. Altijd weer fascinerend om te ontdekken hoe oneindig de betekenissen zijn die in de klassieke teksten verscholen liggen.

 

Kaiser benaderde aan het eind van de middag het nomadische vanuit een filosofisch perspectief dat goed aansloot bij de eerdere lezingen. Zo benadrukte ze bijvoorbeeld dat Deleuze tegenwicht wil bieden aan het idee dat identiteit van tevoren gegeven is en een stabiel eindpunt is. In het nomadisme draait het om een subject dat constant aan verandering onderhevig is.

 

De nomade is, zo blijkt overtuigend uit dit symposium, bij hedendaagse nomadische schrijvers niet langer een metafoor maar een poëtica: een schrijver creëert zijn eigen wereld, zet zich af tegen het vaststaande en bevindt zich zo in een zelf geschapen niemandsland dat schrijvend steeds weer verandert. En daarmee leeft hij blijvend in het verschil.

 

Els Meeuse, 26 november 2014


In het voorjaar van 2015 verschijnt onder redactie van Johan Goud bij uitgever Klement-Boekencentrum het op dit symposium gebaseerde boek, waaraan nog enkele andere auteurs een bijdrage zullen leveren (o.a. Rosi Braidotti, universiteitshoogleraar Utrecht, over de categorie van het nomadische; Elsbeth Etty, bijzonder hoogleraar Amsterdam VU over de literaire perceptie van Nederlands-Marokkaanse auteurs; Jaap Goedegebuure, emeritus-hoogleraar Leiden, over het werk van Dirk van Weelden; Ernst van den Hemel, religie- en literatuurwetenschapper Utrecht).

 

In april 2015 zal het zesde en (voorlopig) laatste symposium in deze serie plaatsvinden. Tijdens dit symposium zal de taal van de liefde, eros, het thema zijn.

Submit to FacebookSubmit to Twitter