Stefan Hertmans heeft met zijn meesterlijke boek Oorlog en Terpentijn (2013) de AKO Literatuurprijs gewonnen. Dat werd gisteravond, 13 november 2014, bekendgemaakt. Hertmans ontvangt naast een kunstwerk een bedrag van 50.000 euro. De uitreiking van de prijs vond plaats in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag.

 

In Oorlog en Terpentijn beschrijft Hertmans op meeslepende wijze hoe zijn grootvader vocht aan het front, tijdens de Eerste Wereldoorlog. De Vlaming baseert zich op de vele aantekeningen die zijn grootvader destijds gemaakt heeft. Het boek is ‘een literair spiegelpaleis waar feit en fictie, realisme en surrealisme, beeld en verbeelding verstoppertje spelen met de lezer’. Aldus de jury, die de roman nu al een ‘klassieker’ noemt.

 

Hertmans heeft een interview met Liter toegezegd, maar het is nog niet bekend wanneer dit precies zal plaatsvinden. 

 

Lees hieronder een fragment uit Oorlog en Terpentijn:

 

Lees fragment

 

Waarom hoor ik al de ganse nacht dat orgel in mijn hoofd?
Er vliegen wilde ganzen over, steeds weer. De eerste kwamen net voor de schemer, in de kille ogenblikken voordat het licht opkomt. Ze zeilden gakkend over de akkers, met oplichtende vleugels in de eerste stralen van de opgaande zon. Ik ril zo hard dat ik mijn botten voel kraken in mijn lijf. In de verte plooit de lucht een tere waaier open van grijzen, roze, een lichte vleug oranje. Daarboven zweeft het ijle wit van de optrekkende nevel boven de velden.

 

Het is 5 augustus 1914. Vier dagen geleden, rond vier uur in de ochtend, werd er op de deur van ons huis gebonkt. Een gemeenteraadslid en een agent van politie; de zachte, geschrokken stem van mijn moeder; ik die de trap af kom en haar aan de open deur zie staan met verwarde haren en haar kamerjas haastig omgeslagen. Ik had tien minuten de tijd om in ‘vol uniform’, zoals de agent het noemde, aan de deur te verschijnen. Iemand zou alle jongens uit de wijk begeleiden naar het plein hier in de buurt waar we moesten verzamelen. Ik zeg niets; mijn moeder zegt niets. Ze klemt me in haar armen, houdt me lang tegen zich aan, ik word haar slaapadem gewaar, de geur van haar huid. Ze laat me los. Haar bleke, onpeilbare blik.

 

[pag. 163]

 

[…]

 

Op 15 augustus liggen we net boven Tienen, in Sint-Margriete-Houtem. Nog voor de avond heb ik het bevel gekregen over een achttal mannen die ik zelf heb kunnen uitkiezen en met wie ik de wachtdienst aan de uiterste linkervleugel van het regiment moet optrekken, met frontvorming naar het oosten toe. Ergens langs de baan van Vissenaken naar Tienen hebben we tegen de hoge muur van een huis een tent gespannen, waardoor iedere voorbijganger moet passeren. We controleren grofweg op identiteit, maar vooral op uiterlijk en houding – iedereen kan van spionage worden verdacht, heeft men ons op het hart gedrukt. De Duitsers loofden premies uit aan overlopers, er is sprake van hoogverraad hier en daar. Een paar landverraders zijn al terechtgesteld.
Er wordt die dag, Maria-Tenhemelopneming, een mis in de openlucht opgedragen. Ik zie vluchtelingen geknield zitten huilen, anderen kijken star naar het geïmproviseerde tabernakel in het veld. De aalmoezenier probeert troostende woorden te spreken, bezweringen die wegwaaien in de zomerwind. We zien die dag ook de eerste gewonden aan komen strompelen. Een jongen zit bloed te kotsen onder een boom.

 

[pag. 172]

 

Stefan Hertmans 

Els Meeuse, 14 november 2014

Submit to FacebookSubmit to Twitter