Bij het overlijden van Michel van der Plas

 

door Len Borgdorff, 29 juli 2013

 

In 2000 was er voor de lunch nog één tafeltje voor twee personen over toen wij de eetzaal binnenkwamen. Zo raakte ik in gesprek met Michel van der Plas. Natuurlijk liet ik merken dat ik wist wie hij was en ook dat ik het een eer vond om samen met hem mijn brood te mogen verorberen. Zo was het ook. In die drie kwartier leerde ik hem kennen als een bijzonder vriendelijke, verlegen man die zich als dichter nogal miskend voelde.

 

Ooit was er een groep dichters die jong en vitaal en met veel vakmanschap de literaire wereld van de jaren ’50 kwam binnengestormd. Die wereld applaudisseerde even en vervolgens werd het groepje dichters afgeserveerd omdat een andere groep met heel andere en veel eigenzinniger bombarie de aandacht trok, de Vijftigers. Tot de afgeserveerden behoorde Michel van der Plas. Ongevraagd en ongewild was hij in een richtingenstrijd terechtgekomen. Als journalist bij Elsevier heeft hij, ook als dichter, nog lang van alles kunnen doen wat hem na aan het hart lag, maar dat was toch iets anders dan het dichtersbestaan dat hij voor ogen had gehad.

 

In ‘Eerste liefde’ gaat het om een zeventienjarig meisje, maar we hoeven niet veel moeite te doen om in haar een jonge dichter te zien op weg naar de wereld van een poëtisch oeuvre.

 

Eerste liefde

 

Zeventien. – ’s Avonds viel voor ’t eerst een ster

voor je venster in drie wensen uiteen:

schittertranen op een wereld van steen.

Maak me mooi. Laat me beven. Breng me ver.

 

En de dagen werden opeens een strand

om blootsvoets op te dansen. Nergens kon

een rok wijder staan dan jouw horizon,

en de appel zon trilde in je hand.

 

Maar je stelde de beet wervelend uit

voor het reiken naar lucht, vluchten van grond.

 

Ogen had je en benen; nog geen mond.

Adem was je en dorst; nog geen besluit.

 

De zee en één duin maar hebben je zien

uitduizelen: vogelvrij zeventien

 

Van 1945 tot 1960 verschenen tien dichtbundels. Later werd publicatie van poëzie veel moeilijker. Veel uitgevers verdwenen en men zat niet te wachten op poëzie, en al helemaal niet op die van hem.

 

Niet lang na deze lunch kocht ik bij De Slegte in de ramsj zijn verzamelbundel De oevers bekennen kleur, een kloek boek waarvan ik nadien nog regelmatig een exemplaar zou kopen om het iemand cadeau te doen.

 

Een verschrikkelijk moment was het toen ik in een weinig oplettende bui , van achter naar voren bladerend, enkele gedichten las die ik subliem vond. Dat die Van der Plas, dacht ik nog,  maar toen zag ik dat het vertalingen waren van cummings. Schitterende vertalingen die me duidelijk maakten waartoe hij als vertaler in staat was. Gaandeweg –  ik had zijn biografie van Gezelle al eens gelezen – drong tot me door hoe belangrijk het moest zijn voor Van der Plas om op iets of iemand te steunen. Dankzij grote dichters kon hij laten zien hoe goed hij was als vertaler, grote – katholieke – geesten vonden in hem een uitstekende biograaf, getalenteerde zangers en cabaretiers stelden hem in staat om weergaloze lied- en conferenceteksten te schrijven. Maar hij bleef intussen, zoals de anekdote wil, de chauffeur van Godfried Bomans.

 

Zo was er altijd wat. Het leukste gedichtje van Bomans, ‘Spleen’, werd geschreven door Van der Plas. Die had op zijn beurt de stof daarvoor gevonden bij een Duitse dichter die de plot van het gedichtje ook weer ergens anders vandaan had.

In het Nederlands Dagblad wordt Van der Plas direct na zijn overlijden herdacht als de dichter van ‘Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw.’ Dat is dat liedje waarover ik me indertijd zo kwaad kon maken omdat elke predikant het in zijn kop haalde om anderen na te bauwen met de opmerking dat het refrein beter ‘Bid maar, werk maar’ had kunnen zijn.

Ik zocht de tekst overigens vergeefs in de nieuwe Liedbundel. Op internet vind je de tekst veelvuldig, maar vrijwel nooit met vermelding van de maker. Ik had altijd gedacht dat het een lied was van Hanna Lam, al zit er wel een mooi Plassiaans enjambement in: … Daar zal God ons verlichten. / Daar zullen alle gezichten/ vol van Zijn heerlijkheid staan.

 

De ‘Spreekstalmeester’, ‘Frater Venantius’, ‘Tearoom Tango’, ‘Kees’,’ Voor haar’, het is allemaal echt Michel van der Plas. Hij kon zich blijkbaar goed identificeren met de mogelijkheden die Sonneveld en Halsema hadden om die prachtige teksten iets schitterends te doen.

 

Als ik door zijn bundel met verzamelde gedichten blader, valt me ook weer op dat hij zich identificeert met bijbelfiguren of hoe hij bestaande (bijbel)verhalen gebruikt om daar iets mee te doen. Michel van der Plas was behalve een loner misschien wel een beetje teveel een leuner om te bereiken wat hij vooral had willen zijn: niet zozeer journalist, niet tekstschrijver voor cabaret of liturgische aangelegenheden, niet biograaf of columnist, maar dichter. Daarvoor had hij het gereedschap in huis, en daar kon hij veel mee. Maar misschien was de rebel in hem te vriendelijk en loyaal, te aanhankelijk om met een eigen mythe te komen.

Zijn gedichten gaan vaak over voorbije kansen of een gewenste toekomst van gelukzaligheid. Als je ‘Een dagje weg’ leest,  lijkt het ook daar niet te zijn, getuige de gedroomde terugkeer van de vader.

 

Een dagje weg

 

Vannacht heb ik gedroomd dat je heel even

een dagje weg mocht van je plaats: hierheen,

de wereld in. Eerst zat je nog te beven

aan tafel, in de kring, vel over been,

 

maar toen al gauw heel rustig; en er scheen

geel licht alom, en je zat blij te leven

met ons, o, zo heel eigen en zo een

met al dat roerloos wederkerig geven.

 

We zeiden niets, bang dat er iets zou breken

of dat je tijd, wanneer wij zouden spreken,

weer om was; maar het teerste was je lach

op het albast van je gezicht: ik zag,

met tranen in mijn ogen, daar het teken

dat dit huis je geluk was, deze dag.

 

Na die lunch van oktober 2000, zo stelde ik me een paar jaar geleden voor, werd het tijd voor een diner, over de dromen van de dichter Michel van der Plas. Maar het eten werd koud en de gasten zijn nooit aan tafel verschenen.

 

Submit to FacebookSubmit to Twitter