door Len Borgdorff, 26 februari 2021

Langs de singel 2


De heren met hun hoge hoeden die elkaar ontmoeten in het Alpejagerslied kom ik niet tegen op mijn wandeling langs de singel, de ene niet en evenmin de andere.

Wel zie ik veel andere mensen. Vrouwen vooral die zich hebben verschanst in dikke jassen, degelijke stappers en de hoofden zijn grotendeels weggestopt in kloeke wollen mutsen. Men loopt er behoorlijk anoniem te wezen voor elkaar, weliswaar niet voor het eigen, kleine gezelschap ─ meestal twee en nooit meer dan vier mensen ─ maar wel voor de mensen buiten deze sanitaire bel. Ik gedraag me niet anders dan de andere wandelaars, doe net alsof er behalve mijn broer geen anderen zijn en groet dus ook niemand.

 

 

Dat is te zeggen: halverwege zie ik Ankie. Zo verstopt onder wol en fleece kan ze niet wezen of ik herken haar en zij herkent mij. We houden de mutsen op, maar zeggen elkaar wel gedag. Pas als zij en haar vriendin ons gepasseerd zijn, dringt tot me door dat ik de vrouw naast Ankie ook ken. ‘Brugklas 1990’ flitst het door me heen. Ik draai me om en roep ‘Maar jou ken ik ook nog!’ Het is wel jammer dat me even geen naam te binnen wil schieten, maar ze lacht terug, zwaait en we lopen verder, verder van elkaar.

 

Het februarinummer van Kunstschrift heeft als thema Wandelen. Aan de binnenkant van het omslag staat een prettige fotoserie. Het is een reeks opnamen van Eadweard Muybridge uit 1884 – 1886. Je kent de fotograaf ongetwijfeld van zijn Horses of anders van de vele fotoreportages met naakten. Hij was een van de eersten die voor de fotografie een snelle sluitertijd wist te gebruiken en daarmee maakte hij het mogelijk om series te maken waarin de afbeeldingen elkaar snel opvolgen, net niet snel genoeg om ze een film te laten zijn, maar we komen aardig in de buurt. Dankzij zijn foto’s weten we nu dat paarden bij het draven ook met alle vier hun benen van de grond komen. Ik vertel het maar even.

Wat mij in die fotoreeksen fascineert is dat elkaar opvolgende bewegingen hier simultaan worden getoond. Beweging is opgedeeld in momenten, en dus geen beweging, en ieder moment heeft eeuwigheidspotentie.

Zoiets ervaar ik als ik langs de singel die twee brugklasmeisjes ontmoet die nu een jaar of veertig zijn. Ik zie ze naderen, ik herken de een. Ik groet. We beginnen elkaar te passeren en dan herken ik de ander. Ze zijn voorbij. Ik kijk om en zie dat ook zij omkijken. Ik roep iets. Er is een lach bij de een. Er is ook bij de ander een lach. De een roept iets terug. Ik vind het fascinerend, ook al om mee te maken wat ik ook ervaar bij die fotoseries van Muybridge. Later, rond 1910, zal Giacomo Balla verschillende momenten van een beweging vastleggen op schilderijen, waarvan de zwaluwvlucht wel de mooiste is.

 

Mijn broer en ik lopen verder en later komen we Ankie weer tegen, samen met de vriendin van wie ik nog steeds de naam niet weet. We groeten, we lachen, we liegen door ‘tot straks’ te roepen. De ontmoeting is een casual variant op de twee heren uit het Alpejagerslied. En ze staat helemaal ver af van het gedicht van Baudelaire, dat summum van zwarte romantiek:


Lees gedicht 

A une passante

 

La rue assourdissante autour de moi hurlait.

Longue, mince, en grand deuil, douleur majestueuse,

Une femme passa, d'une main fastueuse

Soulevant, balançant le feston et l'ourlet;

 

Agile et noble, avec sa jambe de statue.

Moi, je buvais, crispé comme un extravagant,

Dans son oeil, ciel livide où germe l'ouragan,

La douceur qui fascine et le plaisir qui tue.

 

Un éclair... puis la nuit ! -Fugitive beauté

Dont le regard m'a fait soudainement renaître,

Ne te verrai-je plus que dans l'éternité ?

 

Ailleurs, bien loin d'ici ! trop tard ! jamais peut-être !

Car j'ignore où tu fuis, tu ne sais où je vais,

Ô toi que j'eusse aimée, ô toi qui le savais!

 

Charles Baudelaire

 

Het gedicht is vaak vertaald. Ik kies voor die van Menno Wigman:


Lees vertaling

 

Aan een voorbijgangster

 

De straat bulderde oorverdovend langs mij henen.

Een slanke vrouw, in diepe, vorstelijke rouw,

Liep mij voorbij terwijl haar fraaie hand de vouw

Van haar zwaaiende rok verhief tot aan haar schenen.

 

Als uit steen gesneden, zo schoon waren haar benen!

Uit haar ogen, die bleke onweerslucht vol kou,

Zoog ik als een uitzinnige die krimpen zou

Haar wrede tederheid, die mij plots deed verstenen.

 

Een bliksemschicht... Dan de nacht! O vluchtige pracht,

Wier aanblik mij opnieuw tot leven heeft gebracht:

Zal ik je dan pas in de eeuwigheid weer zien?

 

Niet hier, hier ver vandaan! Te laat! Nooit meer misschien!

Want geen van beiden weet waarheen elk van ons schreed,

O jij die ik beminnen zou! Jij die dit weet!

Terwijl we verder lopen, krijgt mijn broer een telefoontje uit China. Dat geeft mij de gelegenheid om me opnieuw af te vragen of Aan Rika van Piet Paaltjens niet geïnspireerd zou kunnen zijn op het gedicht van Baudelaire. A une passante is van 1857 en het zou in 1861 zijn gepubliceerd. Dat is zes jaar voor Haverschmidt zijn gedicht schreef over de korte ontmoeting van een treinreiziger met een vrouw die in een passerende trein zit. Het kan toch bijna niet anders of zonder Baudelaire was er geen Rika geweest die in een trein zit om zo het onontkoombare lot van de ik-figuur bij Baudelaire te ironiseren.

 

Mijn broer is nog steeds verbonden met China en dat geeft mij al wandelend de gelegenheid naar meer ontmoetingen te zoeken die al dan niet als een bliksem inslaan. Dat brengt me naar een les Nederlands. Ik zit in de derde klas, volg niet de les, maar kijk verwezen door het raam naar de gang waar een meisje langs rent. Haar haar wappert achter haar aan. En niet alleen haar haren doen dat, het geldt ook voor de ketting die ze om heeft met daaraan een grote munt. Ik ben meteen helemaal bij de les, al is dat niet de les die in het lokaal wordt afgedraaid. Wat een meid kwam daar langs!

Daaraan denk ik. En ik denk aan het begin van De sprong der paarden en de zoete zee, dat verhaal van Harry Mulisch.

 

’Toen Gustaaf Nagelhout 13 jaar was, werd hij verliefd op een blond meisje […]’

 

En even verder, en nu komt het:

‘Daar kwam zij, blond, lichtblauw en dansend… door de bliksem getroffen bleef hij in zijn schoenen staan, bevend en met open mond, niet meer in staat zich te verroeren.’

 

En meteen daarop, in de volgende alinea:

‘Ook toen zij al geruime tijd uit het gezicht was verdwenen, stond daar nog Gustaaf Nagelhout met zijn schooltas. […]’

 

Dat bedacht ik dus allemaal tijdens de wandeling. Maar langs de singel zag ik nergens een Rika of une passante of een Bessie (zo heet het meisje dat Gustaaf tot in zijn kern weet te raken). En zou er op deze koude zaterdagmiddag niet ergens een Gustaaf Nagelhout langs de stadsbuitengracht lopen, of een verbijsterde Parijzenaar of een treinreiziger?

 

Als mijn broer zijn gesprek beëindigd heeft, praten we over de Chinese pendant van WhatsApp, Weixin, en hebben geen aandacht voor de wandelaars die ons passeren, hier langs de singel van Utrecht.

 

Baudelaire, Les Fleurs du Mal. France Loisirs, Paris [zj]

Vertaling van Menno Wigman: https://vertaalverhaal.nl/wp-content/uploads/2018/05/Vijfmaal-Baudelaire-in-het-Nederlands.pdf

Piet Paaltjens, Snikken en grimlachjes. Academische poëzie. Bezorgd door Marita Mathijsen en Dick Welsink. Delta, Atheneum – Polak & Van Gennep, Amsterdam 2003.

Harry Mulisch, De sprong der paarden en de zoete zee. In: De versierde mens. De Bezige Bij, Amterdam 19646.

Eadweard Muybridge. In: Kunstschrift nr 1, jaargang 65. Kunst en Schrijven, Amsterdam/Rotterdam 2021.

Giacometti Balla, Vlucht der zwaluwen (1913). In Kröller Müller Museum.

* Ik zie dat ik zowel Baudelaire als Paaltjens ook wel eens liet langskomen in In Poësis 55 van 22 mei 2017.

Submit to FacebookSubmit to Twitter