door Len Borgdorff, 17 februari 2021


Langs de singel 1

We lopen langs de singel, mijn broer en ik. Sinds kort kun je die weer ronden en reken maar dat de mensheid dat ontdekt heeft, want we komen ondanks het sombere, koude weer niet alleen veel mensen tegen, we moeten ons ook voegen in een rij van wandelaars. Het weer, de tredloop en al die mensen die hetzelfde doen, het zijn de ingrediënten voor een goed doorbakken portie neerslachtigheid, maar daartegen heb ik me van tevoren voldoende gewapend.

Heb ik al verteld dat het hier gaat om de Utrechtse singel? Dat doet er wel toe, want je zou ook kunnen zeggen dat niet alleen wij maar dat alle mensen die daar deze zaterdagmiddag lopen een ruime ronde maken om Antiquariaat Hinderickx en Winderickx.


 

Met die winkel zal het niet goed gaan, vrees ik. De website vertelt dat men tot 19 januari 2021 gesloten is, maar we leven al een paar weken verder en blijkbaar voelen de twee heren van de winkel niet de noodzaak om met actuele informatie te komen. Dat de zaak gesloten is, is op zich al verontrustend genoeg, maar daar is helaas heel makkelijk een verklaring voor te vinden. Dat ook aan de site de tijd voorbijgaat zonder dat zij greep krijgt op iets nieuws, maakt de situatie alleen nog maar ernstiger.

Zou dat wat zich hier langs de singel voltrekt, dit in een wijde boog wandelen om de fraaie winkel aan de Oudegracht, met die indrukwekkende staat van dienst en een klinkende naam, een defilé zijn, een rouwstoet?

 

Voor de naam van de winkel moet je naar het Alpejagerslied van Paul van Ostaijen. Daarin komen twee heren elkaar tegen en ze ontmoeten elkaar

 

vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx.

 

In het gedicht is dat geen antiquariaat maar de winkel

 

van de beroemde hoedenmakers.

 

Ik kan me niet voorstellen dat beide heren hun hoed elders kochten, de hoed die zij afnemen nu ze elkaar ontmoeten:

 

de ene heer neemt zijn hoge hoed in de rechterhand
de andere heer neemt zijn hoge hoed in de linkerhand
.

 

Als je het antiquariaat binnen komt, wat nu dus niet kan, zie je meteen naast de deur een staande kapstok en om twee van de houten krullen hangt een hoed, een zwarte cilinderhoed.


Lees gedicht

 

Alpejagerslied

Voor E. du Perron

Een heer die de straat afdaalt
een heer die de straat opklimt
twee heren die dalen en klimmen
dat is de ene heer daalt
en de andere heer klimt
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx
vlak vóór de winkel van Hinderickx en Winderickx van de beroemde hoedemakers
treffen zij elkaar
de ene heer neemt zijn hoge hoed in de rechterhand
de andere heer neemt zijn hoge hoed in de linkerhand
dan gaan de ene en de andere heer
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende
de rechtse die daalt
de linkse die klimt
dan gaan beide heren
elk met zijn hoge hoed zijn eigen hoge hoed zijn bloedeigen hoge hoed
elkaar voorbij
vlak vóór de deur
van de winkel
van Hinderickx en Winderickx
van de beroemde hoedemakers
dan zetten beide heren
de rechtse en de linkse de klimmende en de dalende
eenmaal aan elkaar voorbij
hun hoge hoeden weer op het hoofd

men versta mij wel
elk zet zijn eigen hoed op het eigen hoofd
dat is hun recht
dat is het recht van deze beide heren

 

Paul van Ostaijen

De mensen langs de singel dragen geen hoed. Vanwege de kou hebben de meesten wel een muts op, maar die nemen ze niet af voor elkaar, en dat terwijl het wemelt van de ontmoetingen. Ontmoetingen die geen ontmoetingen zijn. Weinig mensen lopen er alleen en vrijwel iedereen beweegt zich al pratend voort in een eigen bubbel langs het water aan de ene en aan de andere kant hier een huizenrij en daar een glooiing. Alsof er geen andere mensen zijn. Toch zijn het geen droeve stoeten die met de klok mee dan wel daar tegenin de singel proberen te slechten. Iedereen lijkt wel plezier te hebben in dat wandelen. Er zijn onderweg blijkbaar verschillende koffiepunten en die blijven niet onopgemerkt, bijna de helft heeft een bekertje koffie in de hand, allemaal wegwerpbekers, niemand heeft een eigen bekertje meegenomen. Dat is wel weer jammer, zoals het toch ook wel jammer is dat er geen heren lopen met hoge hoeden die ze telkens afnemen. Voor andere heren, maar ook voor de vele dames die zich in de stoet hebben gevoegd; er zijn sowieso veel meer dames dan heren deze middag. Zelf neem ik mijn petje geen enkele keer af. Waarom niet?

 

Paul van Ostaijen, Verzameld werk / Poëzie II. Bert Bakker, Amsterdam 19796.

 

* Het alpejagerslied stond ook centraal in In Poësis 65, van 31 juli 2017.

Submit to FacebookSubmit to Twitter