door Len Borgdorff, 12 februari 2021

 

Blues on Tuesday

Geen geld.
Geen vuur.
Geen speed.

Geen krant.
Geen wonder.
Geen weed.

Geen brood.
Geen tijd.
Geen weet.

Laat ik maar met het hele gedicht beginnen, al gaat het me alleen om de drie slotregels.

Ruim een jaar geleden kwam dit gedicht ook al langs in een In Poësis, zie ik nu. Je zult het er mee moeten doen. 



Met Kerst worden al mijn gezinsleden tot in het derde geslacht bedacht met een boek. Over de keuze daarvan kan niet worden gecorrespondeerd, het is altijd weer een verrassing, aangenaam of onaangenaam. Mezelf verraste ik afgelopen december met 15 Eeuwen Nederlandse taal van Nicoline van der Sijs, want ja, ik koop de boeken en schenk ze weg, en nogmaals ja, ik verraste mezelf, want ik mag voor mezelf niet de winkel uit lopen met een boek dat al ergens op een al dan niet in materie bestaand verlanglijstje te vinden zou zijn. Dus ik herhaal: het boek was ook voor mij een verrassing. En nu heb ik het uit. Heel veel nieuws bevatte het niet; dat heb je nu eenmaal met geschiedenis. Weliswaar moet die voortdurend herzien worden, maar in het geval van de Nederlandse taal kun je op dat front weinig spectaculairs verwachten. Heel lang vond ik het eerste deel het leukst, daar is de taalontwikkeling nog uitdrukkelijker gekoppeld aan migratie. Feitelijk is die verandering door migratie een constante in de ontwikkeling van taal. Puristen houden veranderingen niet tegen.

Bij de laatste hoofdstukken werd het opnieuw spannend toen het ging om de veranderende uitspraak van de r, ik ben erg voor de rollende tong-tand-r, en de klassieke diftongen, maar die zakken allemaal in de richting van de a, waardoor een mooie ei of ij als aai wordt uitgesproken en de ou of au als aaw. Ook de purist die ik ben, heeft dit maar te accepteren. Enfin, hier valt nog veel meer over te zeggen, maar dat voert alleen maar verder weg van het gedicht van Deelder.

 

Ik blijf nog even bij een andere persoonlijke gevoeligheid: die van de kwalificerende (en dus ook diskwalificerende) bijvoeglijke naamwoorden die willen vertellen dat iets mooi, verschrikkelijk of prachtig en indrukwekkend is. Daar houd ik niet zo van omdat ze de lezer of luisteraar de kans ontnemen om zelf te bedenken wat je van iets vindt. Als Wilders een dichter was geweest, zou ik ter illustratie een gedicht van hem in dit stukje hebben kunnen opnemen, denk ik.

 

In dezelfde lijn liggen de ‘bijwoorden en uitdrukkingen van graad’ en daaraan besteedt Van der Sijs enkele bladzijden. Ze zegt: ‘In de eenentwintigste eeuw neemt het aantal bijwoorden en uitdrukkingen die een hoge graad aanduiden, zoals geen ruk, mega, super, fucking, muug, toe.’ Dat was dus het moment waarop ik aan Deelder dacht en zachtjes mompelde:

 

Geen klote.
Geen donder.
Geen reet.

 

Goed, ik ben dus ook niet dol op graadaanduidende bijwoorden, maar het aardige daarvan is wel dat er steeds nieuwe komen. Dat getuigt van talige creativiteit. Je kunt iets niets vinden, of matig, of heel goed dan wel slecht, maar als je dat dan toch vindt, maak er dan iets leuks van. Geen bal, geen barst of sikkepit hebben we al gehad. We schrokken ons al het apenlazarus, dood, het habbiewabbie of vonden ergens geen snars, of mallemoer, of donder of reet aan. Maar op dit punt valt nog veel creatiefs te verwachten.

 

Wat dat betreft is de bijdrage van Deelder nog heel bescheiden. Dat neemt niet weg dat hij in ‘Blues on Tuesday’ de graadaanduidende bijwoorden en uitdrukkingen op de kaart van de poëzie heeft gezet. Waarvoor mijn dank. Ik zie nu in dat het op dit punt ritselt, krioelt, wemelt en sterft van de mogelijkheden.

 

Jules Deelder, Dag En Nacht Geopend. De Bezige Bij, Amsterdam 1970.

 

Nicoline van der Sijs,  15 Eeuwen Nederlandse taal. Sterck en De Vreese, Gorredijk 20204.

Submit to FacebookSubmit to Twitter