door Len Borgdorff, 2 februari 2021


Al een tijdje dwaal ik door Failliet, de dichtbundel van Arnout van Adrichem. Dat ervaar ik als een dwaaltocht omdat de inkadering niet erg helder is en bewegwijzering goeddeels ontbreekt. De bundel is meer een magazijn dan een museum. Systeemloos kun je de verzameling gedichten ook niet noemen, want er zijn reeksen en er zijn vormen die steeds terugkeren. En wanneer je wat langer ronddwaalt en daarbij onderweg bijzonder vaak verrassende beelden, formuleringen en wendingen tegenkomt, ga je patronen herkennen en verbanden zien.

Als ik niet oppas, ga ik de bundel bespreken, en dat wil ik niet. Daar is dit de plaats niet voor, dus ik probeer dat niet te doen, maar helemaal lukken, zal het niet.

 

 

De derde afdeling, Verf, heeft zelf al de omvang van een complete bundel en die lijkt nog het meest op een magazijn. Of op het atelier van een schilder. Het is een ruimte voor eigen gebruik, met daarin niet alleen de middelen die een schilder gebruikt, zoals een schildersezel, een palet, dat een waterlelie wordt genoemd, en kwasten die ‘als thermometers’ omhoogsteken ‘uit verfpotten’. Wat ik zeg: taalgebruik dat verrassend is, maar als je een palet een waterlelie noemt, dan haal je ook onmiddellijk Renoir in huis. En dat niet alleen: het palet is mogelijk niet alleen een middel om tot het beoogde doel van een geschilderde waterlelie te komen, het kan ook een antwoord zijn op een waterlelie die erom vraagt geschilderd te worden. Of gaat het om een palet met weinig kleur? Witten, geel, misschien groen van het blad?

Alles is middel in dat atelier en attribuut tegelijk.

Had ik het over kleuren en zei ik wit en geel? Die ik ─ of is het de ‘je’ ─ in deze cyclus heeft het als ingewijde liever of vermiljoen, mauve, ultramarijn, magenta en turkoois.

 

Ik pluk een stukje uit het gedicht om te laten zien wat er gebeurt met een man die in een gemakkelijke stoel bij het raam zit te lezen in deze bundel. Lees even mee.

 

                Ik ben geen roodgelakte appel, jij bent geen geverniste peer. Een doek,

een boek. Wij zien analogieën tussen schilderen en schrijven. Bij schilderen heb

je geen plot, zegt Opdrachtgever. Jullie zijn een gerucht, een fantoom, een déja

vu. Een doodgeboren droom.

 

                Alsof wij de dood als een persoonlijke belediging beschouwen. Maak

röntgenfoto’s van wolken, bestudeer hun organen. Dien de zon contrastvloeistof

toe. Misschien ontdek je de manen van een leeuwenkoning.

 

                Je houdt je zoon omhoog.

 

                Het atelier bestrijkt de wereld die nu de jouwe is. Een broeinest, een

Brandhaard […]

 

De lezer in de stoel denkt bij de roodgelakte appel aan Magrittes ‘Ceci n’est pas une pipe’. Daarin komen net als in deze strofe schilderen en schrijven samen, want de bekende Franse tekst staat onder de al even bekende pijp die Magritte schilderde. Het is niet alleen de titel van het schilderij, het is deel van het schilderij. Je zou kunnen zeggen dat daarmee de droom van de kunstenaar waar wordt: de woorden over het schilderij vallen ermee samen. Probleem is alleen bij die pijp en de tekst eronder dat het juist ook weer niet zo is. De pijp is geen pijp, maar een vorm in verf en de woorden zijn niet alleen geen pijp, ze kunnen er ook niet de ontkenning van zijn.

 

In Verf komen de appel en de peer vaker voor: die twee onverenigbare grootheden die altijd in één adem worden genoemd en samen op de fruitschaal liggen. Ook in dit gedicht zijn ze onafscheidelijk en spelen ze even voor mens. Man en vrouw? Twee geliefden? Twee mensen in het atelier, de dichter en de schilder? De mensen van de dialoog die deze cyclus lijkt? De twee koningskinderen die elkaar maar niet bereiken omdat het water te diep was? En welk water is dat dan? Of wohnen, ach!  zwei Seelen in meiner Brust?’

 

De Opdrachtgever komt, altijd met een hoofdletter, regelmatig voor. Hij houdt de spreker, en misschien de sprekers, bij de les. De lezer in zijn gemakkelijke stoel vindt het een verademing als de Opdrachtgever zich er even mee bemoeit omdat hij de ik (of is het de je) bij de les houdt. Alhoewel dat niet altijd zo is.

 

Hier probeert de Opdrachtgever een hooggespannen kunstenaarsopvatting (van een appel die geen appel is en zo) tot zijn ware proporties terug te brengen door hun bestaan te ontkennen, wat iets anders is dan de appel en de peer van zichzelf zeggen. Weliswaar zijn die geen appel en geen peer, maar daarmee vertellen ze juist wat ze hadden willen en in eigen ogen moeten zijn. Waarin ze dus mislukt zijn.

 

Van de tweede hierboven opgenomen strofe werd ik vrolijk toen ik die las in mijn makkelijke stoel. En dat vanwege die röntgenfoto’s die de organen van wolken laten zien.

Even zie ik dat voor me en ontstaat er iets wat er niet is. En nu dus wel.

 

Ten slotte is er een zoontje dat omhoog gehouden wordt. Het steenen kindje van Nijhoff dat geboren moet worden, het gedicht dus dat een dichter aan het schrijven is, compleet met weeën. Ook dat kan niet. Even daarboven ging het al over een doodgeboren droom. Die zoon komt vaker voor in de cyclus, levend, dood, als kunstwerk, als droom, ingebeeld.

 

Maar goed. Ik dwaal dus door een atelier, een magazijn, en wat ik tegen kom is attribuut. Soms wordt iets treffend uitgelicht en uitgespeeld (ik moet intussen ook denken aan een absurdistisch toneelstuk), soms is er niet meer dan een toespeling. En dat gaat maar door en houdt niet op.

 

Juist dat, dat magazijn vol schitterend materiaal en een atelier ( = de mensen in dat atelier) dat een isgelijkteken wil zetten tussen geest, middel en product, en de onontkoombaarheid ervan omdat die lange cyclus, met zijn lange regels maar niet ophoudt, en omdat die een en die ander die niet uitgepraat, niet naar elkaar toe gepraat raken.

Hoe zal ik het zeggen? De woorden existentieel en essentieel steken de kop op, maar die ga ik echt niet gebruiken. Laat ik het zo zeggen: in Het failliet raak ik net zo verstrikt als ooit in het eerste deel van Dantes Goddelijke Komedie. Begon die niet zo?

In het midden van mijn levensreis,

raakte ik verloren in een donker woud

waarin ik geen weg meer vinden kon.

 

Ik vraag me af: waarom zou je inderdaad makkelijk doen als iets moeilijk is?

 

Arnoud van Adrichem, Het failliet. Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen 2020

Submit to FacebookSubmit to Twitter