door Len Borgdorff, 26 januari 2021


Vogels zijn weerbarstig spul voor een fotograaf. Vandaar mijn bewondering voor mensen die er prachtige platen van weten te maken. Ik probeer dat ook wel eens, maar de vogels zijn me meestal te vlug af. Er hangt hier in huis jaar in en uit een kalender met daarop elke maand weer een andere vogel om enkele weken lang rustig te bekijken en er oog in oog mee te staan. Geslaagde foto’s, elke maand weer. Maar deze vogels voegen zich naar de kamer, zijn platgeslagen ornament. De glans van het licht in hun ogen danken zij aan het wit van het papier waarop ze zijn afgedrukt. Dat staat nogal ver af van  

 

de afgrond van de lelie, […] het roofkeveroog in het gras,

roodbruin van de wenteling van groen-violette zonnen

 

Vreemd genoeg heb ik wel een beeld bij het aanschouwen van een vogel, al kan ik niet zo gauw een laatje vinden met daarin van plaats en tijd voorziene momenten waarop ik kon verzinken in het oog van een vogel. Maar het beeld is er. En het gaat om een roofvogel. De afstand moet groot genoeg zijn geweest voor de vogel om te blijven zitten waar hij zat, maar nabij genoeg voor mij om te verdwijnen in dat vogeloog en me te realiseren hoe ondoordringbaar het wezen van een vogel is.

 

 

Miłosz begint zijn ‘Ode aan een vogel’ met

 

O samengestelde.

 

En de volgende regel luidt:

 

O onbewuste.

 

De volgende strofe begint dan met

 

O onverenigbare,

Dieper dan […]

 

En dan volgt het eerste citaat uit dit stuk. Een paar strofen verder, en bedenk hierbij wel dat Miłosz intussen heeft moet denken aan

 

lichten van een mier

 

maar ook aan

 

de melkweg in zijn lichaam.

 

En aan

 

een tak boven meren van lucht

waar verzonken paleizen, bladertorens zijn,

terrassen om te landen tussen een harp van schaduw.

 

Dan komt er weer een strofe die met hetzelfde gestamel begint als de eerste twee. Nu staat er

 

O op niets gelijkende, onverschillig

voor de klanken pta, pteron, fvlgs, brd.

 

De vogel ontsnapt aan de taal. Intussen blijft de herinnering aan het ongenaakbare oog van een roofvogel me bij, als een andere wereld, onmiddellijk om me heen, een wereld waarin ik me beweeg tussen andere vreemde wezens, of even stilsta.

 

Deze weken doe ik dat vaak als ik een spreeuw zie, die dierbare vreemdeling met zijn juist gecamoufleerde oog. Soms zit er eentje op de dakgoot, soms zie ik er een paar op de pergola of op een tak van de walnootboom. Ik zie er een zitten, ik sta stil, verdwijn in een wereld die niet eens zichzelf kent. En weg is het weer.

 

Nu schommelt de plaats waar je was en je draagt

Je warm en kloppend hart omhoog in lijnen van kristal.

 

Lees het hele gedicht

Ode aan een vogel

 

O samengestelde.

O onbewuste.

Die je veren handen op de rug houdt.

Steunend op je grijze sauriërpoten

met cybernetische handschoenen

die vastgrijpen wat ze ook maar aanraken.

 

O onverenigbare,

dieper dan

de afgrond van de lelie, dan het roofkeveroog in het gras,

roodbruin van de wenteling van groen-violette zonnen,

dan een nacht in tunnels met twee lichten van de mier

en de melkweg in zijn lichaam,

waarlijk de gelijke van elke andere.

 

Buiten elke wil, zonder wil

wieg je op een tak boven meren van lucht

waar verzonken paleizen, bladertorens zijn,

terrassen om te landen tussen een harp van schaduw.

Je buigt je als geroepen, en ik beschouw het ogenblik

waarop je poot zijn houvast loslaat, je arm zich strekt.

Nu schommelt de plaats waar je was en je draagt

je warm en kloppend hart omhoog in lijnen van kristal.

 

O op niets gelijkende, onverschillig

voor de klanken pta, pteron, fvlgs, brd.

Buiten elke naam, zonder naam

Smetteloos bewegend in onmetelijk barnsteen,

zodat jouw vleugelslag mij duidelijk maakt,

wat mij van de dingen scheidt, die ik elke dag benoem,

en van mijn verticale gestalte,

hoewel ze zich naar het zenit strekt.

 

Maar je halfopen snavel is altijd met mij.

Zijn binnenste zo lichamelijk en lieflijk

dat mijn nekhaar rijst door een trillen

van verwantschap, jouw extase.

Dan, in de middag, wacht ik in het voorportaal,

en zie een mond naast de messingleeuwen

en ik raak een blote arm aan,

in de geur van bronwater en klokken.

 

Montgeron 1959

 

Czesław Miłosz

 

Czesław Miłosz, Gedichten. Gekozen, vertaald en van nawoord voorzien door Gerard Rasch. Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen 20062.

Submit to FacebookSubmit to Twitter