door Len Borgdorff, 12 januari 2021

 

Het zijn de dagen van een jong maar al grijs januari, ja, en van een grieperigheid die maar blijft zeuren, maar het is ook de poëzie van Miłosz die de eerste week van het nieuwe jaar nogal moeizaam maakt.

 

Mooi is de aarde

mooi zijn de wolken

mooi is de dag

─ uitgestrekt de dageraad

 

Zo begint de bundel met daarin de forse hoeveelheid gedichten die Gerard Rasch vertaalde van deze Poolse dichter. Het gedicht staat in de debuutbundel, uit 1933 en Miłosz was toen 22 jaar. Hij zou poëzie blijven schrijven tot zijn dood in 2004.

 

 

Het is een mooi, leven en aarde omhelzend begin van een gedicht. Er zit veel natuurminnende levensbeaming in zijn poëzie. Heel veel zelfs. Ik moet telkens even denken aan Felix Timmermans en Gerard Walschap als ik lees van ‘Berken bazuinen aan de horizon’ of neem de openingsregels op bladzijde 52, we hebben het dan over het gedicht Campo dei Fiori:

 

Op Camo dei Fiori in Rome

manden met olijven, citroenen,

stenen die bespat zijn met wijn,

en met restjes van bloemen.

Door kooplui op tafels gestort

het roze fruit van de zee,

donkere trossen van druiven

vallend op het perzikdons.

 

Miłosz brengt ons van Litouwen, naar Polen, naar Italië en ik denk aan Vlaamse auteurs van honderd jaar geleden en aan de 500 jaar oude Breughel, bijvoorbeeld met zijn ‘Kindermoord van Bethlehem’. Ook al zo’n vrolijk ogend doek voor wie niet goed kijkt. Zo is het ook met Miłosz. Hij zet je steeds op het verkeerde been.

 

Na het openingskwatrijn van het gedicht waarmee dit stukje begon, lees ik

 

zo zong de mens al kijkend naar de stad beneden

waar de batterij van honderd schoorsteenpijpen rookte.

 

Dat klinkt al niet meer als een natureingang, maar het wordt nog erger. Telkens roept Miłosz in volle zinnen die ik niet altijd doorgrond maar die desondanks een aangenaam beeld oproepen. En altijd weer gaat het mis. Want Miłosz heeft het over Polen, over Warschau in de jaren dertig en in de Tweede Wereldoorlog. En dat is niet de periode en ook niet zozeer de plek waarvan wij weten dat het toen en daar al te plezierig was, het is de tijd en de plaats waarin een jonge man het enige leven leeft dat hij te leven heeft. Er is wel een idyllisch verleden ─ Timmermans, maar waarom niet ook Nabokov met zijn ‘Geheugen, spreek’? ─ maar van een toekomst kan nog geen sprake zijn.

Er is alleen het heden  van

 

[…] wolken, mijn angstwekkende wolken,

wat bonkt het hart , wat een droefheid op aarde,

donkere wolken, wolken wit en zwijgend,

met tranen in de ogen zie ik jullie in de dageraad […]

 

Dat schrijft hij in 1935.

 

Gedicht na gedicht voert me langs een schepping waarbij God zelf de vingers zou aflikken, maar voor je het weet, zit je op het spoor van de vernietiging, de wreedheid.

 

Ik zit nu op bladzijde 57, dat is ergens in 1943/44, in Warschau. Nogmaals, dat zijn de enige tijd en de enige plaats die bestaan. Dat is middenin de cyclus ‘De stemmen van arme mensen’. Het eerste gedicht daarvan opent zo:

 

Op de laatste dag van de wereld

cirkelt een bij om de bloem van de kers,

boet een visser zijn glinsterend net,

dansen de dolfijnen vrolijk op zee,

klampen jonge mussen zich vast aan de goot,

en heeft de slang een gouden huid, want zo hoort het.

 

Want het leven gaat door, ook terwijl het ophoudt.

 

Een bladzij verder, in het ‘Lied van een burger’, kom ik deze regels tegen:

 

Ik, arme man, zit met toegeknepen ogen op een koude stoel,

ik zucht en denk aan de hemel met zijn sterren,

aan de non-euclidische ruimte, de voortplanting van de amoebe,

aan de hoge heuvels van de termieten.

 

Buiten loop ik in een droom; val ik in slaap, dan komt de werkelijkheid

en word ik achtervolgd […]

 

Ik worstel me door de poëzie van Miłosz.

 

Ter navolging.

 

Czesław Miłosz, Gedichten. Gekozen, vertaald en van nawoord voorzien door Gerard Rasch. Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen 20062.

Submit to FacebookSubmit to Twitter