door Len Borgdorff, 29 december 2020


De nieuwjaarsduik gaat niet door dit jaar, ook is het geen weer om heerlijk op het strand te liggen, in zwembroek of bikini, al is dat laatste niet mijn gewoonte.

Op de lagere school, het zal in de vierde klas zijn geweest ─ want ik weet nog waar ik toen zat -  las ik een boekje over de zending. Als dat nu nog gebruikt werd, zou het heftig herzien moeten worden. Ik herinner me vaag de zwart-wittekeningen en een passage waarin een Afrikaans jongetje bloot rondloopt en in het water springt.

Dat las ik in de winter en plotseling kon ik me, nota bene als jongetje van achter de duinen, niet voorstellen dat iemand dat zou doen: bloot of vrijwel bloot rondlopen en dan nog in het water duiken ook. Ik zat te griezelen in mijn schoolbankje en kreeg kippenvel.

 

 

Het valt niet altijd mee om je zomaar in een andere situatie te verplaatsen. Dat heb ik ook met de bundel Het failliet van Arnoud van Adrichem. In deze forse narratieve dichtbundel kom je terecht op een subtropisch strand, waarschijnlijk van een belastingparadijs, in ieder geval op een plaats waar de Nederlandse fiscus je niet zo gauw te pakken kan krijgen, niet bepaald een scenario dat mij op het lijf geschreven is.

Gaandeweg kruipen er elementen in het verhaal die het woord failliet een andere lading geven. Het kan ook het failliet zijn van een liefdesrelatie, een failliet dat mogelijk ook is ingegeven door de belangstelling die de ik, of de jij, heeft voor jong, menselijk vlees.

 

Het is een weerbarstige bundel die simultaan vraagt om gaan en staan. Er is een verhaal dat je meevoert, maar met tegenzin, lijkt het, en zonder verhelderend expositio: je wordt als lezer midden in het verhaal gegooid, waarbij alle lagen al door elkaar lopen. Maar de eerste lange afdeling bijvoorbeeld bestaat uit haiku’s, die elegante, korte, Japanse versvorm die in regels vijf en zeven en vijf lettergrepen een of twee beelden neerzet en daar een draai aangeeft: stilstand.

 

Ik lees ergens:

 

De strandwacht drinkt zich

nuchter, een slok zeewater

pekelt de hersens.

 

Of, een paar bladzijden verder,

 

De gaffer takelt

de zon uit de zee, druipend

komt het licht aan boord.

 

Teksten die ik het liefst afgedrukt zou zien op een verder lege bladzij, alsof het een tekening is.

 

Maar direct voor de terzine met de gaffer staan deze regels:

 

Ooit kneep een vleestang

lucht uit een man. Een slapte.

Kansloos hapt de mond

 

om zich heen. Gaatjes

in de dampkring? Ieder zijn

eigen kryptoniet.

 

Dat is een geschakelde haiku. Hier verandert de stilstand die in mijn ogen inherent is een een haiku, in beweging. Lastig, vooral omdat de beelden me wel intrigeren. Van Adrichem weet beelden en gewaarwordingen treffend in woorden te vangen. De taal zelf is daarbij vooral gereedschap waarmee hij handig omgaat: de gewaarwording en ook de vorm zijn vooral visueel bepaald, niet zozeer muzikaal. Het woord kryptoniet moest ik opzoeken, met een verrassend resultaat.

 

Ik heb onder andere een streepje gezet bij regels uit de tussenafdeling Strandscenes:

 

[…] Wat gebeurt er als je deze gedachten

een kwartslag draait? Wolken provoceren de zon,

zeg ik. De verte strekt zich uit van de eerste letter

tot de laatste, zeg jij. In plaats van een verrekijker

is oogcontact een optie. […]

 

Hier gebeurt nogal wat. Hier gebeurde het ook dat ik zelf op het strand kwam te liggen en het niet koud kreeg bij het idee dat ik dit in december zat te lezen, maar wel toen die wolken de zon provoceerden. Hier ook deden mijn ogen even pijn toen ze moesten schakelen van vrijblijvend gedroom in de verte, naar het gesprek dichtbij, met iemand om aan te kijken.

 

Arnoud van Adrichem, Het failliet. Atlas Contact, Amsterdam/Antwerpen 2020

Submit to FacebookSubmit to Twitter